Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:




Johannes Berenzoon Een sprookje uit de Provence (Frankrijk)

In de bergen leefde eens een klein meisje dat geen vader en geen moeder had. 's Zomers ging ze dag in dag uit het bos in om bessen te plukken en 's winters om hout te sprokkelen. Zo lukte het haar zo goed en zo kwaad als het ging in leven te blijven.

Op een dag, toen de bladeren al begonnen te vallen, trapte ze per ongeluk op het kruid van verwarring, dat zo fijn en teer is, dat geen menselijk oog het ooit heeft gezien. Het gevolg was dat het meisje in het bos verdwaalde. Hoe hard ze ook riep, er was daar geen mens die haar antwoord kon geven.

Toen het al donker werd, vond ze eindelijk een hutje dat leeg bleek te zijn. Ze ging doodmoe op een hoop dorre bladeren liggen en viel in slaap. Plotseling werd ze wakker door een luid gebrom en de schrik sloeg haar om het hart toen ze een zwarte beer voor zich zag staan! Hij vroeg haar met een menselijke stem: "Wie ben je? Wat doe je hier?"

"Ik ben een weeskind en ik ben verdwaald."

"Bij mij ben je welkom. Blijf maar bij me. Je zult eten wat ik eet en drinken wat ik drink, maar zeg van nu af aan geen woord meer, anders vreet ik je op."

Zeven jaar lang woonde het meisje bij de beer en ze had het goed bij hem. Ze paste er wel voor op om te spreken, hoe sterk ze er ook naar verlangde en hoe groot haar heimwee naar de mensen ook was.

Het meisje was al een beeldschone jonge vrouw geworden toen ze op de dag dat de zon in de zomer het langst schijnt, het leven schonk aan een prachtig jongetje dat ze Johannes Berenzoon noemde. Zodra de beer het kind in zijn armen nam, viel de berenhuid van hem af en kijk, er stond een knappe, rijzige man voor haar die zei: "Mijn lieve vrouw, je hebt me verlost, want je hebt zeven jaar bij me gewoond zonder een woord te spreken en in het zevende jaar heb je me een kind geschonken. Er werd me voorspeld dat ik mijn menselijke gedaante pas zou terugkrijgen wanneer dit alles gebeurde. Laten we nu naar mijn kasteel vertrekken, want ik ben koning van een uitgestrekt rijk."

Johannes Berenzoon groeide voorspoedig op. Hij werd een jongeman met een goed hart, al was hij sterker dan zeven stieren. Niemand kon het in kracht en verstand tegen hem opnemen. Toen zijn baard begon te groeien, hield hij het thuis niet meer uit. Hij nam afscheid van zijn ouders en trok de wijde wereld in.

Na een lange zwerftocht zat hij op een avond op een rotsblok uit te rusten, toen er een ronde steen op zijn voeten viel. Een tweede steen trof zijn schouder en een derde wist hij met zijn hand op te vangen. Het bleken molenstenen te zijn. Johannes Berenzoon keek om zich heen en ontdekte een reusachtige kerel die er angstaanjagend uitzag. Onbevreesd zei hij tegen het monster: "Jij bent ook een grapjas." - "Ze noemen mij de molensteenwerper." - "Wil je je misschien bij mij aansluiten?" - "Waarom niet, in gezelschap reizen is altijd aangenamer."

En dus trokken ze samen verder. De volgende dag troffen ze in een bos een houthakker aan die alleen een sikkel als gereedschap had. Met twee bewegingen van die sikkel kon hij een dennenboom omhakken. Zodra hij genoeg dennen had geveld, trok hij een eik uit de grond. Daarmee bond hij de dennen tot een bundel bijeen.

"Jij bevalt me jongen," zei Johannes Berenzoon. "Zo iemand als jij ben ik nog niet tegengekomen."

"Ze noemen mij de eikenbuiger."

"Wil je je bij ons aansluiten?"

"Graag, want ik ben verschrikkelijk eenzaam hier in dit bos."

En dus trok het drietal gezamenlijk verder. Die avond bereikten ze de voet van een hoge berg. Op de top stond een stralend verlicht, wondermooi kasteel. Ze vroegen een oude vrouw die daar geiten hoedde aan wie dat prachtige kasteel toebehoorde.

"Oh, het is daar niet pluis. Al meer dan honderd dappere ridders zijn naar boven getrokken, maar er is er nog nooit een teruggekeerd."

Johannes Berenzoon liet zich daar niet door afschrikken. Dapper beklom hij de steile berg. Zijn beide makkers volgden hem, want ze wilden niet voor lafaards worden aangezien. Om middernacht bereikten ze het kasteel. Alle deuren en poorten stonden wijdopen. Alle gangen en zalen waren helder verlicht, maar er was geen levende ziel te bekennen.

"Dat is me een chique herberg hier! Bovendien is er geen herbergier die op ons geld uit is," zei Johannes Berenzoon. Ze waren moe, dus ze gingen daar slapen en brachten een rustige nacht door.

De volgende ochtend merkten ze alledrie dat ze een geweldige honger hadden. Ze besloten dat twee van hen op jacht zouden gaan, terwijl de derde onderhand een pan soep zou koken. Ze lootten erom wie thuis moest blijven en het lot viel op de molensteenwerper. En dus ging hij naar de keuken, stak het vuur aan en maakte een pan soep klaar. Net toen hij de klok wilde luiden om zijn kameraden te roepen, ritselde er plotseling iets in de schoorsteen en kwam er een piepklein mannetje uit, nauwelijks groter dan een lucifer. Hij was naakt van hoofd tot voeten.

"Wie ben jij en wat wil je?" blafte de molensteenwerper tegen het kleine ventje.

"Ik wil alleen maar je lekkere soep."

"Maak dat je wegkomt, ellendig onderkruipsel, of ik vertrap je onder mijn laarzen!"

"Als je me zo behandelt, krijg je wat je verdient."

Het mannetje greep een hazelaartak en gaf de molensteenwerper er zo van langs dat horen en zien hem vergingen en al zijn botten pijn deden. Daarna slurpte het kereltje de hele soeppan leeg en verdween weer door de schoorsteen.

Eindelijk kwamen Johannes Berenzoon en de eikenbuiger moe en hongerig terug van de jacht. Ze vonden de lege pan en de uitgetelde molensteenwerper. Toen hij wat was bijgekomen, vertelde hij zijn kameraden wat hem was overkomen.

Een reus, angstaanjagend om te zien, met vurige ogen, zo groot als wagenwielen, had hem in elkaar geslagen en de soep gestolen.

"Nou, dat is prachtig nieuws," mopperde de eikenbuiger. "Morgen zal ik soep koken, dan kan die reus kennismaken met mijn vuisten."

De volgende ochtend gingen Johannes Berenzoon en de molensteenwerper op jacht. De eikenbuiger liep naar de keuken, stak het vuur aan en bereidde een pan soep. Net toen hij de klok wilde luiden voor het middageten, ritselde er iets in de schoorsteen en kwam er een piepklein mannetje uit, niet groter dan een lucifer. Hij was naakt van hoofd tot voeten.

"Ben jij misschien die verschrikkelijke reus waar de molensteenwerper het over had? Wacht maar, dan zal ik je tussen mijn vingers fijnknijpen!"

Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of het mannetje greep een hazelaartak en sloeg zo hard op de eikenbuiger in, dat deze bewusteloos neerviel.

Eindelijk kwamen Johannes Berenzoon en de molensteenwerper moe en hongerig van de jacht terug. Ze vonden de lege pan en de bewusteloze eikenbuiger. Na verloop van tijd kwam de bewusteloze weer bij en kregen zijn kameraden te horen wat hem was overkomen. Een reus, nog veel groter en verschrikkelijker dan die van de vorige dag, had hem verslagen en de soep gestolen.

De volgende dag was Johannes Berenzoon aan de beurt om te koken. Ook hij stak een vuur aan in de keuken en ook hij bereidde een pan soep. Net toen hij de klok wilde luiden om zijn kameraden te roepen voor het middagmaal, ritselde er iets in de schoorsteen en kwam er een piepklein mannetje uit, niet groter dan een lucifer. Hij was naakt van hoofd tot voeten.

"Dus jij bent dat vreselijke monster dat de molensteenwerper en de eikenbuiger in elkaar heeft geslagen en onze soep heeft gestolen. Kom, ga naast me zitten en eet zoveel als je wilt."

In een oogwenk had het mannetje de pan leeggemaakt. Daarop zei hij tegen Johannes Berenzoon: "Jij bent gastvrij. Als beloning zul je het geheim van dit kasteel kennen. Luister: op de binnenplaats bevindt zich een diepe, diepe put en geen mens is in staat de deksel op te tillen. Daaronder zit de mooiste prinses van de hele wereld gevangen. Ze wacht op haar bevrijding."

Nauwelijks had het mannetje deze woorden gesproken, of hij was alweer door de schoorsteen verdwenen. Maar kijk, de pan was opnieuw tot de rand gevuld met de allerlekkerste, smakelijkste soep. Johannes Berenzoon luidde de klok. Zijn kameraden waren niet weinig verbaasd hem ongedeerd aan te treffen en de soep smaakte uitstekend.

"Is die verschrikkelijke reus niet bij je geweest?"

"Reus? Ik heb geen reus gezien, alleen een armzalige dwerg, niet groter dan een lucifer. Die is weer door de schoorsteen verdwenen!"

De molensteenwerper en de eikenbuiger keken elkaar aan, maar zeiden geen woord. Na de maaltijd vertelde Johannes Berenzoon hun wat het mannetje hem had geopenbaard.

Vergeefs beproefden de molensteenwerper en de eikenbuiger hun krachten op de zware deksel van de put. Johannes Berenzoon kon hem echter zonder moeite optillen. Een gapende afgrond werd zichtbaar. De molensteenwerper bond een honderd ellen lang touw om zijn middel en liet zich daaraan in de diepte zakken. Toen het touw helemaal was afgewikkeld, bleef het strak staan en begon het te draaien.

Uit de diepte klonk de stem van de molensteenwerper: "Trek me omhoog, trek me omhoog! Het touw is veel te kort!"

Bleek en bevend kwam hij uit de put. Hij wilde voor alle schatten van de wereld niet opnieuw naar beneden.

Daarop bond de eikenbuiger een tweehonderd ellen lang touw om zijn middel. Hij liet zich daaraan in de put zakken, maar toen het touw helemaal was afgewikkeld, bleef het strak staan en begon het te draaien.

Uit de diepte klonk heel zwak de stem van de eikenbuiger: "Trek me omhoog, trek me omhoog! Het touw is veel te kort!"

Bleek, trillend en huilend kwam hij uit de put en hij bezwoer Johannes Berenzoon niet naar beneden te gaan.

"Wat is er met jou? Waar ben je zo bang voor?" vroeg deze.

"Oh, er is daar niets anders te zien dan die verschrikkelijke duisternis. Blijf hier, blijf toch hier!"

Johannes Berenzoon kende echter geen vrees. Hij bond een touw om zijn middel dat driehonderd ellen lang was en liet zich daaraan omlaag zakken. Het werd donkerder en donkerder en kouder en kouder om hem heen. Eindelijk bereikte hij de bodem van de put en daar maakte hij het touw los. Een zwak schijnsel uit de verte verlichtte het gewelf. Hij ging op het schijnsel af en het werd steeds lichter om hem heen, tot het tenslotte klaarlichte dag leek. Hij vond de beenderen van vele ridders in verroeste harnassen op zijn weg. In een bocht zag hij zelfs een reusachtige, uit steen gehouwen hond op een sokkel staan. Johannes Berenzoon liet zich op één knie zakken en bad voor de zielen van de vele dode helden. Plotseling leek het of de stenen hond hem wilde likken. Johannes Berenzoon streelde het dier over zijn kop en liep verder. Hij moest over een bemoste plank een rivier oversteken, en nauwelijks had hij veilig de overkant bereikt, of hij werd aangevallen door een driekoppige draak. Johannes Berenzoon greep het monster beet en zwaaide het door de lucht, zodat het tenslotte met verbrijzelde botten bleef liggen.

Vlak daarna hoorde hij het gesnuif van een tweede draak, deze keer een met zeven koppen. Ook dit ondier wist Johannes Berenzoon na een korte strijd te overwinnen, maar onmiddellijk rees met een woest gesis de moeder van de draken voor hem op. Ze was angstaanjagend om te zien, er lekte vuur uit al haar twaalf muilen. Na een lange, lange strijd doodde Johannes Berenzoon ook haar.

Eindelijk bereikte hij nu een huisje dat geen deuren en geen ramen had. Binnen werd gezongen, zo mooi en zo treurig, dat Johannes Berenzoon meende dat zijn hart zou breken.

De enige toegang tot het huisje was dichtgemetseld en voorzien van kolossaal ijzeren beslag. Johannes Berenzoon verzamelde al zijn krachten, trok het ijzer kapot en sloeg de muur in stukken. Even later trof hij de mooiste prinses aan die iemand ooit had gezien. Haar gezicht straalde van vreugde toen ze Johannes Berenzoon zag.

Zodra hij haar bij de hand wilde nemen, blokkeerde het kleine naakte mannetje zijn pad. Johannes Berenzoon verweerde zich dapper tegen hem, waarop het mannetje veranderde in een reusachtige kat die haarloos, lijkbleek en vel over been was. Moedig streed Johannes Berenzoon tegen dit ondier, dat hem met zijn duivelse klauwen lelijk toetakelde.

Na een lange strijd was Johannes Berenzoon aan het eind van zijn krachten. Hij viel neer en verwachtte te zullen sterven. Op dat moment stak de prinses zich in haar vinger, vermengde een handvol stof met haar bloed en wierp dit mengsel in de ogen van de kat. Het dier gilde luid en was blind.

Zo kon het tweetal naar de put vluchten. Op de rand van de put zaten de molensteenwerper en de eikenbuiger in de diepte te turen, want op aarde was pas een uur verstreken sinds Johannes Berenzoon in de put was afgedaald.

"Laat jij je eerst maar naar boven trekken, Johannes Berenzoon. Dan zal ik je volgen," zei de prinses.

"Nooit laat ik je achter in dit donkere hol!"

Hoe sterk ze er ook op aandrong, hij hield voet bij stuk. Tenslotte kuste ze hem in tranen en gaf hem haar halsdoekje. Daarna trokken de molensteenwerper en de eikenbuiger haar omhoog. Toen ze zagen hoe mooi ze was, werden ze broeders in het kwaad, want ze wilden haar voor zichzelf. En dus trokken ze kreunend en steunend aan het touw, alsof Johannes Berenzoon te zwaar was om op te hijsen. Hun armen waren helemaal lam, riepen ze en toen lieten ze het touw los. Ze dreigden de prinses te zullen doden als ze bekendmaakte wie haar echte redder was en ze dwongen haar hen mee te nemen naar het kasteel van haar vader.

Treurig dwaalde Johannes Berenzoon rond in de onderaardse gewelven. Toen hij de stenen hond weer zag, streelde hij het beeld huilend over de kop. Plotseling begon het dier te spreken: "Ga naar de dode drakenmoeder, vil haar en kruip in haar huid. Je zult dan in een draak veranderen, zodat je uit de put kunt vliegen. Als je je menselijke gedaante terug wilt hebben, adem dan op het doekje dat de prinses je heeft gegeven."

Johannes Berenzoon bedankte de hond en deed wat het dier hem had gezegd. Hij vloog als draak naar het paleis van de koning, de vader van de prinses. Daar was een grote menigte verzameld om de prinses en haar redders te begroeten. In paniek sloegen de mensen op de vlucht voor de draak, maar het monster ademde op het doekje en veranderde prompt in Johannes Berenzoon. De molensteenwerper en de eikenbuiger maakten dat ze wegkwamen toen ze hem herkenden. Ze rukten bomen uit de grond en gooiden ze over hun schouder om aan hun achtervolgers te ontkomen. Maar Johannes Berenzoon ging hen niet achterna. Hij omhelsde zijn prinses.

Toen werd een huwelijksfeest gevierd zoals nog nooit iemand had meegemaakt. Het duurde drie dagen en drie nachten. Alles speelde zich af op een groot, breed veld, want het paleis zou er veel te klein voor zijn geweest.


*   *   *

Johannes Berenzoon Samenvatting
Een sprookje uit de Provence (Frankrijk). Een jonge vrouw verlost een prins uit zijn betovering en hun zoon (Johannes Berenzoon) wordt een held die een prinses bevrijdt uit haar gevangenschap. Daarvoor moet hij in een diepe put afdalen en verschillende draken verslaan. Zijn helpers bedriegen hem, maar uiteindelijk trouwen de berenzoon en de prinses met elkaar. Lees het verhaal

Toelichting
In sprookjes uit de Provence vinden we zowel Keltische als Griekse en Romeinse invloeden. In dit sprookje moet de held een in een diepe schacht gevangen gehouden prinses bevrijden. Wanneer hij in de diepte aankomt, vindt hij eerst geraamtes van omgekomen ridders en gebroken wapens.

Interessant bij dit sprookje is de onmiskenbare invloed van de Grieken, want een stenen hond bewaakt het gewelf. Denk daarbij aan de hond Cerberus die de onderwereld bewaakt.

In 1985 werden in de buurt van Saint-Paul-Trois-Châteaux graven uit de jongere steentijd gevonden die waarschijnlijk 5000 jaar oud zijn. Dergelijke graven werden en worden steed weer ontdekt in de Midi en misschien ligt een dergelijke vondst ten grondslag aan dit sprookje.

Vergelijk het Noorse sprookje Oostelijk van de zon en westelijk van de maan en Het aardmanneke van de gebroeders Grimm.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Provençaalse sprookjes" geselecteerd en bewerkt door Marlies Hörger. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2002. ISBN: 90-389-1317-6

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook