Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:




Jusuf en de witte schildpad Een sprookje uit de Filipijnen over een in een zeeslang betoverde prins

In een dorpje, op de kust van een groot eiland, leefde eens een jonge visser, die Jusuf heette. Dagen lang zwierf hij op zee rond, en hij ging niet naar huis, vóór hij een flinke partij vis gevangen had. Soms werd hij wel eens door storm overvallen. Maar hoe hard het ook woei, en hoe woest de zee ook was, Jusuf kwam altijd weer veilig thuis.

Op een dag was hij weer eens aan het vissen. Toen hij zijn net ophaalde, zag hij, dat er iets wits in lag. Het was een kleine schildpad. Jusuf bekeek het dier eens goed, want hij had nog nooit een witte schildpad gezien. Toen wierp hij hem weer in zee en zei: "Jij bent nog te klein om opgegeten te worden."

Jusuf en de witte schildpad
Hij scheen een gunstige plek uitgekozen te hebben, want hij ving die dag erg veel. Hij kon dan ook veel vroeger dan anders naar huis gaan.

Enige dagen later voer hij weer uit. Toen hij een flink eind van het strand af was, wierp hij zijn net uit. Hoe verbaasd was hij, toen hij het net ophaalde en daarin weer een witte schildpad zag liggen. Hij nam het dier uit het net en zei: "Het lijkt wel, of het dezelfde schildpad is!" Hij wierp hem weer in zee en weer was zijn vangst heel overvloedig.

Terwijl hij 's avonds alleen in zijn huisje zat te roken dacht hij: "Wat toevallig, dat ik twee keer dezelfde schildpad heb gevangen. De zee is zo groot en zo diep! En vanmorgen viste ik op een heel andere plek dan de vorige keer. Ik ben wel benieuwd, of ik het dier nog eens weer zal zien."

De volgende morgen stormde het. De meeste vissers bleven thuis. Maar Jusuf was niet bang. Hij ging naar zijn boot, hees het zeil en daar voer hij al. De storm blies hem een kant uit, waar hij anders maar heel zelden kwam. Toen hij het eiland bijna niet meer kon zien, streek hij het zeil. Hij wierp zijn net uit en wachtte veel langer dan anders, voor hij het weer ophaalde. Toch was hij heel nieuwsgierig. Het net kwam boven... en er lag geen enkele vis in, maar wel de witte schildpad! Hij zette het dier in zijn boot en zei: "Jij schijnt bij mij te willen zijn. Nu, ik vind het goed." Hij noemde zijn nieuwe vriend Notu en liet hem vrij in zijn boot rondlopen. Voortaan vergezelde Notu hem op al zijn tochten. Notu ging steeds op de voorste punt van de boot zitten. Het was net of het dier in de verte naar iets keek.

Op een dag was de vangst slecht. Telkens haalde Jusuf zijn net leeg op. "Ik zal mijn geluk op een andere plek moeten proberen," dacht hij. "Maar welke kant zal ik uitgaan?"

Toevallig merkte hij op, dat Notu strak naar het noorden keek. "Wat zie je daar toch?" vroeg Jusuf. "Of wil je me soms beduiden dat ik die kant uit moet varen?" Hij zei die woorden maar voor de grap en kreeg natuurlijk ook geen antwoord. Maar toch hees hij het zeil en voer naar het noorden. Na enige tijd zag Jusuf, dat Notu zijn kop onder zijn schild teruggetrokken had en scheen te slapen. Jusuf liet nu het zeil vallen en begon te vissen. En telkens was zijn net boordevol met vis!

"Notu, ik dank je wel. Je hebt me een goed plekje aangewezen," zei Jusuf vrolijk.

Voortaan lette hij goed op, welke kant Notu uitkeek. Hij voer dan net zo lang in die richting, tot het dier ging slapen. Dan begon hij te vissen. En nooit had hij zulke rijke vangsten gehad als nu! De witte schildpad bracht hem werkelijk geluk.

Op een dag, dat hij weer eens uitvoer, zag hij dat Notu naar het oosten keek. Dus stuurde Jusuf zijn boot ook in oostelijke richting. Maar de schildpad scheen die dag geen slaap te krijgen. Jusuf voer dus steeds verder de zee op. Tegen de avond dacht hij: "Ik zal hier toch maar eens gaan vissen. Misschien vergist Notu zich wel."

Verscheidene keren wierp hij zijn net uit, maar telkens haalde hij het leeg weer op. Het was duidelijk: Notu vergiste zich niet! Het dier zat nog steeds strak naar het oosten te kijken. Jusuf hees het zeil en voer de hele nacht door. Toen de morgen aanbrak, wierp hij zijn net weer uit. Maar ook deze keer was het tevergeefs. En Notu bleef maar naar het oosten kijken.

Drie dagen en drie nachten voer Jusuf zo door. En in al die tijd ving hij geen vis. Maar de schildpad had ook geen enkele keer zijn kop onder zijn schild teruggetrokken om te slapen. Jusuf was teleurgesteld. Hij zei boos tegen Notu, net of die hem kon verstaan: "Jij blijft maar naar het oosten kijken. Ben ik nu nog niet ver genoeg gegaan? Of houd je me voor de gek? Hier ga ik vissen. En als ik nu weer niets vang, ga ik naar huis en stoor me verder niet aan jou."

Hij wierp zijn net enige keren uit, maar ving niets. Daarom hees hij het zeil en wilde juist terugvaren, toen hij plotseling een stem hoorde, die hem toebrulde: "Waarom ben je hier in mijn gebied gekomen?"

Verschrikt keek Jusuf om. Achter zich zag hij een monster, dat met zijn kop boven water uitstak. Het leek wel een geweldige slang. Maar Jusuf had nog nooit zo'n grote slang gezien, niet op 't land, en zeker niet in de zee. Hij was veel te verschrikt, om antwoord te kunnen geven. Maar weer riep het monster: "Waarom ben je hier in mijn gebied gekomen?"

Met een trillende stem antwoordde Jusuf: "Ik wist niet, dat ik in uw gebied was."

"Je bent dus niet voor mij hierheen gekomen," riep het monster. "O, wat jammer. Maar nu je toch hier bent, hoop ik, dat je me wilt helpen. Visser, heb medelijden met me en ga met me mee."

Jusuf wist niet, wat hij moest antwoorden. Maar hij kreeg ook geen tijd om na te denken. Het monster begon te blazen, en het leek wel of er een storm opstak. Jusufs boot vloog over het water, terwijl de zeeslang er achter aan zwom. En voor in de boot zat Notu en sliep rustig!

Tegen de avond zag Jusuf een grote rots, die steil uit de zee omhoog rees. Jusuf werd bang, dat zijn bootje tegen die rots te pletter zou slaan. Hij kon ook niet sturen, want daarvoor voer hij veel te snel.

Toen hij dicht bij het eiland gekomen was, zag hij een opening in de rotswand. De slang hield op met blazen, de boot begon langzamer te varen en Jusuf stuurde hem precies door de opening heen. Toen keek hij eens om zich heen. Hij kon zijn ogen haast niet geloven! Want hij zag, dat hij op een prachtig eiland was aangekomen, met mooie, groene tuinen en frisse fonteinen.

Op het eiland stond ook een groot paleis. Voor het paleis lag een ronde vijver. Het monster zwom er in en rolde zich op zoals slangen doen. Hij was zo groot, dat hij de hele vijver vulde.

Nu kwam er een prachtig geklede dame uit het paleis. Tot zijn grote verbazing zag Jusuf, dat ze helemaal niet bang was voor het monster. Ze stapte over de kronkels van de slang heen en streek hem even over zijn kop. Op hetzelfde ogenblik veranderde het afschuwelijke dier in een jonge man. Zijn kleren waren van kostbare zijde en hij droeg schitterende juwelen. Hij begroette de dame heel hartelijk. Toen wendde hij zich tot Jusuf en zei: "Visser, je zult wel erg verbaasd zijn over hetgeen je gezien hebt. Volg mij in mijn paleis, dan zal ik je alles verklaren."

Jusuf volgde de jonge man en zijn vrouw en samen gingen ze het paleis binnen.

De jonge man vertelde: "Aan de andere kant van de oceaan ligt een groot rijk. Daarover regeerde mijn vader en ik zou hem opvolgen. Ik was toen al getrouwd met de vrouw, die hier naast me zit. Bij ons huwelijk had mijn vader mij een ring gegeven. Het was geen gewone ring, want hij bezat toverkracht. Honderden jaren geleden heeft één van mijn voorvaderen dit kostbare sieraad gekregen. En telkens, als de oudste zoon trouwde, kreeg hij het erfstuk van zijn vader. De ring beschermde de drager tegen onheil. En gedurende de tijd, dat ik hem gedragen heb, zijn mijn vrouw en ik heel gelukkig geweest. Maar mijn vader had me ernstig gewaarschuwd, de ring niet te verliezen. Want dan zou een groot onheil mij treffen.

Ik bezat een mooie boot en op een dag maakte ik daarin met mijn vrouw een tochtje. De zee was spiegelglad en in het heldere, blauwe water konden we de vissen zien zwemmen. Toen gebeurde het ongeluk. Mijn vrouw boog zich te ver voorover, om beter de prachtige gekleurde koralen te kunnen zien. Ze verloor het evenwicht en viel in het water. Ik schrok wel een beetje, maar er was geen gevaar. De zee was zo ondiep, dat het hoofd van mijn vrouw nog boven water uitstak. Toch sprong ik haar na en hielp haar weer in de boot. We wilden naar huis gaan, om droge kleren aan te trekken. Maar plotseling stak een hevige wind op, die ons naar zee dreef. Ik liet het zeil zakken, maar het hielp niet. Ja, het scheen wel, dat mijn boot steeds vlugger begon te varen. Toen riepen we om hulp naar de vissers, die we zagen. Het was vreemd: hun boten hadden geen last van de storm. Ze bleven vredig op de golfjes dobberen, terwijl wij met grote snelheid voorbijvoeren. Spoedig konden we de kust niet meer zien. En steeds gingen we verder en verder.

Eindelijk kwamen we op dit eiland aan. Verbaasd keken we rond. Eensklaps schoot me een gedachte door het hoofd. Ik keek naar mijn hand en zag dat de ring verdwenen was. Ik had hem verloren, toen ik mijn vrouw uit het water haalde.

Dit was de oorzaak van de ramp, die ons getroffen had. We moeten op dit eenzame eiland blijven, tot ik de ring weergevonden heb. 's Nachts mag ik in mensengedaante bij mijn lieve vrouw zijn. Maar zodra de morgen aanbreekt, verander ik in een afschuwelijk monster. Zelfs de grootste vissen zijn bang voor me en vluchten, als ze me zien. Daarom, visser, smeek ik je, help me bij het zoeken naar mijn ring. Anders komt er misschien nooit een einde aan deze afschuwelijke straf..."

Jusuf had diep medelijden met de ongelukkige prins en zijn vrouw. "Maar hoe kan ik u helpen?" vroeg hij.

"Ik weet het niet," antwoordde de prins bedroefd. "Maar je bent de eerste visser, die ik zie, zolang ik hier op dit eiland ben. Daarom hoopte ik, dat je gekomen was om ons te helpen."

Jusuf schudde het hoofd. "Ik wist toch niet, dat u hier was?" zei hij. "En het is heel toevallig, dat u me ontmoet heeft. Want anders waag ik me nooit zo ver op zee."

De prins en zijn vrouw keken zo teleurgesteld, dat Jusuf ook treurig werd. Een hele tijd lang zaten ze stil bij elkaar. Eindelijk zei Jusuf: "Ik moet u toch nog iets vertellen, dat ik zelf heel vreemd vind. Heeft u wel eens een witte schildpad gezien?"

"Nee," zei de prins, "ik geloof niet, dat er witte schildpadden bestaan."

"Jawel!" riep de prinses. "Ze bestaan wel. Toen ik geboren werd, heeft een oude vrouw mij een witte schildpad gegeven. Het dier heeft steeds in de vijver van onze tuin geleefd. Toen ik wat groter werd, beschouwde ik die schildpad als mijn vriend. Na mijn huwelijk verhuisde ik naar het paleis van mijn man. En ik heb de schildpad nooit weer gezien. Maar waarom vraag je dat zo, visser?"

"Omdat ik u een vreemd verhaal zal vertellen," antwoordde Jusuf. "Enige maanden geleden heb ik drie maal achter elkaar een witte schildpad gevangen. Twee maal heb ik hem weer in zee gegooid. Maar toen ik hem voor de derde maal ving, heb ik hem bij me gehouden. Met zijn kop wees hij me aan, in welke richting ik moest varen. En als hij dan ging slapen, begon ik te vissen. Ik heb de laatste tijd altijd erg veel gevangen. Toen ik de laatste keer uitvoer, keek hij naar het oosten, drie dagen lang. En hij ging ook niet slapen. Ik heb nog wel een paar keer mijn net uitgeworpen, maar ving niets. Ik dacht al, dat hij me voor de gek hield. En ik wilde juist naar huis terug keren…"

"Waar is die schildpad?" riep de prinses uit. "Dat moet zeker mijn vriendje zijn!"

Jusuf bracht haar naar zijn boot. Notu zat op de rand. En voordat Jusuf hem grijpen kon, liet de schildpad zich in het water vallen en zwom weg. De prinses was diep bedroefd. Ze barstte in snikken uit. Maar Jusuf kreeg weer een beetje hoop...

Het was al laat geworden. De prins en zijn vrouw gingen naar hun kamer. "Er is voor jou ook nog wel een bed, visser," zei de prins. Maar Jusuf antwoordde: "Ik blijf liever in mijn boot slapen."

Dat deed hij, maar het duurde heel lang, voordat hij sliep.

Toen de zon opging werd hij gewekt, doordat zijn boot heftig begon te schommelen. Hij sloeg de ogen op en zag de prins die, als zeeslang, wegzwom.

's Avonds kwam de prins terug. Nadat hij weer in een mens veranderd was, vroeg hij dadelijk: "Heb je de ring al gevonden, schipper?"

"Nee, prins, nog niet," antwoordde Jusuf zacht. Hij bleef weer de hele nacht in zijn boot en sliep bijna niet. Toch was hij even ingedommeld, toen hij iets kouds op zijn hand voelde. Het was Notu! En in zijn bekje hield het dier een schitterende ring!

Jusuf gaf een schreeuw van vreugde. Hij nam de ring en snelde ermee naar het paleis. De prins en zijn vrouw sliepen nog, maar Jusuf maakte ze wel wakker door zijn geroep: "Hier is de ring! Hier is de ring!"

De prins schoof de ring aan zijn vinger en onmiddellijk werd de betovering opgeheven. Een prachtig schip kwam geruisloos aanvaren om hem en zijn vrouw naar hun land terug te brengen. Ze bedankten Jusuf wel honderd keer en gingen toen aan boord.

Jusuf stapte ook in zijn boot en hees het zeil. De wind stak op en blies de boot naar zijn eiland terug. Maar het toverschip van de prins voer, recht tegen de wind in, naar hun land. Het voer zelfs zo snel, dat het spoedig uit het gezicht verdwenen was. En toen Jusuf nog eens keek, zag hij, dat het eiland langzaam wegzakte...

Jusuf keek in zijn boot rond, om Notu te zoeken. Het dier was er niet. De schildpad was bij zijn meesteres gebleven. Dat speet Jusuf heel erg, want hij was veel van Notu gaan houden. Maar toch scheen de schildpad hem nog geluk te brengen. Want niemand op het hele eiland ving zoveel vis als hij!


*   *   *

Jusuf en de witte schildpad Samenvatting
Een sprookje uit de Filipijnen over een in een zeeslang betoverde prins. Op een dag vangt een vissersjongen een witte schildpad, die hem de weg wijst naar rijke visgebieden. Op een dag blijft hij alsmaar naar het oosten wijzen en komen ze een zeeslang tegen. Dit blijkt een betoverde prins te zijn, die een toverring in zee is verloren, waardoor hij overdag een slang is en 's nachts een mens. De schildpad vindt de ring weer terug, waardoor de betovering verbroken wordt. Lees het verhaal

Toelichting
Witte schildpadden bestaan niet als soort, maar soms worden er albino-schildpadden aangetroffen.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

Herkomst: Filipijnen
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook