Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 11 min.
Herkomst:




Lucilla Een Venetiaans sprookje over een prinses die niet kan lachen

Er was eens een koningsdochter die last had van zwaarmoedigheid. Haar vader hield heel veel van haar en liet niets onbeproefd om haar op te vrolijken. De poppenspelers, de goochelaars, de dansende honden, de ezel die een glas wijn leegdronk, ze hadden echter stuk voor stuk geen succes. De prinses was mistroostiger dan ooit.

In zijn wanhoop kreeg de koning een merkwaardig idee. Hij gaf opdracht voor het paleis een fontein te bouwen, waaruit niet het gebruikelijke water stroomde, maar vloeibare olie.

Daar zouden dan allerlei nieuwsgierigen op afkomen, zo dacht de koning. Ze zouden op de glibberige grond uitglijden en vallen en de treurige prinses zou eindelijk eens kunnen lachen.

De fontein werd gebouwd en somber nam prinses Lucilla met haar gevolg plaats op het balkon.

Als eerste kwam een oude vrouw voorbij. Ze bukte zich en begon de opspuitende olie met een spons op te nemen. Die kneep ze dan weer uit in een vaatje dat ze op haar rug droeg. Een van de soldaten van de wacht dacht een geintje met haar uit te kunnen halen. Hij richtte zijn boog en vuurde zo'n welgemikt schot af, dat de pijl het vaatje in duizend stukken sloeg. Een regen van scheldwoorden daalde op de grapjas neer, maar die was ook niet op z'n mondje gevallen. Ze maakten elkaar wederzijds uit voor rotte vis, raakten zelfs handgemeen en glibberden ten slotte al tierend en vechtend midden door de olieplas. De rok van de oude vrouw vloog daarbij omhoog, zodat haar blote achterwerk tevoorschijn kwam. Bij deze aanblik brak de prinses uit in een onbedaarlijk geschater en daarmee was de ban doorbroken. Het krasse wijfje schudde haar tegenstander echter van zich af en riep de prinses met boze stem toe: "Als straf voor je spot zul je je echtgenoot op het kerkhof moeten zoeken!"

Direct werd ze door de soldaten ingerekend en het paleis binnengesleept, waar een verklaring van haar werd geëist.

"Vergeef me, majesteit," begon ze. "Toen ik daarstraks werd uitgelachen, heb ik een voorspelling gedaan die volstrekt onmogelijk is. U moet namelijk weten dat ergens op een dodenakker de edele prins Taddeo ligt begraven. Een boze fee heeft hem de dood in gestuurd. Op zijn grafsteen staat geschreven dat alleen een vrouw die erin slaagt binnen drie dagen een hele emmer met haar tranen te vullen, hem van deze verschrikkelijke vloek kan verlossen. Dan zal hij uit de dood opstaan en haar tot zijn koningin maken. Wie kan er echter zo veel tranen vergieten?"

Lucilla nam zich stilletjes voor het onmogelijke te proberen. Uit de schatkamer stal ze een buidel met goud en nog voor het aanbreken van de dag verliet ze het paleis.

Ze liep en liep en ontmoette ten slotte een vriendelijke fee, die haar graag bij zich had gehouden. Toen Lucilla zich echter niet van haar voornemen liet afbrengen, wees ze haar de juiste richting en gaf haar drie geschenken mee: een noot, een kastanje en een spintol. Ze zei er de volgende woorden bij: "Deze drie dingen zullen je helpen als je in moeilijkheden komt. Gebruik ze echter nooit lichtvaardig."

Zeven jaar lang trok de prinses de wereld door, tot ze uiteindelijk het graf van prins Taddeo vond.

Daarnaast hing de emmer al klaar aan een boom. Lucilla pakte het ding en huilde en huilde, tot ze na twee dagen al zo veel tranen had vergoten, dat er nog slechts een klein randje ontbrak. Uitgeput als ze was, viel ze in een diepe slaap.

Nu hield zich op dit kerkhof een boze heks verborgen. Deze sloop naderbij en liet snel nog eens vier dikke tranen in de emmer vallen. Daarmee was hij vol en was de betovering verbroken. Het graf opende zich en daar verscheen prins Taddeo in al zijn glorie. Hij voerde zijn vermeende redster in triomf naar zijn kasteel, waar nog dezelfde dag de bruiloft werd gevierd.

Toen Lucilla wakker werd en zag wat er was gebeurd, brak haar hart van verdriet. Ze kreeg echter een idee en trok naar de stad, waar ze haar intrek nam in een herberg die in het zicht lag van het paleis. Vanaf dat moment vertoonde ze zich dagelijks op het balkon, zodat de jonge koning Taddeo haar wel moest opmerken. Dat gebeurde ook en hij werd tot over zijn oren verliefd op haar.

Het kon niet uitblijven, of de kersverse koningin merkte al snel wat er aan de hand was. Ze verwachtte inmiddels een kind en zei dreigend tegen haar echtgenoot: "Als ik je nog één keer naar die meid zie loeren, dan sla ik zo hard met mijn vuisten op mijn buik, dat ons kind het niet overleeft."

Taddeo was geschokt en waagde het niet meer nog een blik op de herberg te slaan.

Aanvankelijk was Lucilla er heel bedroefd over dat ze haar aanbidder niet meer te zien kreeg. Toen schoten haar echter de geschenken van de goede fee te binnen en ze brak om te beginnen de noot open. Er fladderde een kleurrijke papegaai uit, die naar het raam vloog en de prachtigste melodieën begon te fluiten. In een mum van tijd sprak de hele stad over het wonderbaarlijke dier. De koningin liet haar man roepen en zei: "Die vogel wil ik hebben. Als ik hem niet krijg, dan timmer ik op mijn buik."

Taddeo stuurde spoorslags een bediende om de papegaai te kopen van de vreemdelinge. Die zei echter slechts: "Zeg maar tegen de koning dat ik de vogel niet wil verkopen, maar dat ik hem het dier graag ten geschenke wil geven."

Zo gezegd, zo gedaan. Vier dagen later brak Lucilla de kastanje open. Daarin bevonden zich een hen en twaalf kuikentjes, stuk voor stuk van zuiver goud. Het meisje zette het hele stel goed zichtbaar voor haar raam, waar ze al snel het gewenste effect hadden. De dreigementen van de hebberige koningin logen er niet om en ook de boodschapper van koning Taddeo liet niet lang op zich wachten. Met dezelfde edelmoedigheid werd het gevraagde hem geschonken.

Er verliepen enkele dagen en toen brak Lucilla haar spintol open. Daaruit kwam een snoezige pop tevoorschijn, gekleed in kostbare gewaden, die een gouden draad spon. Het was zo'n prachtige pop, dat iedereen in de stad haar wilde zien. Natuurlijk had de boze koningin nu geen rust meer. Ze achtervolgde haar man ermee en uit angst om het leven van zijn kind, stuurde hij opnieuw een dienaar naar Lucilla. Voordat deze echter van de pop scheidde, gaf ze haar een geheime opdracht mee.

Nauwelijks bevond de pop zich in het paleis, of de koningin werd overvallen door een onbedwingbaar verlangen om verhalen en steeds meer verhalen te horen. Taddeo moest uit zijn hele rijk vrouwen die mooie verhalen kenden naar het paleis ontbieden. Op lange rijen houten banken zaten ze met z'n allen te kwebbelen op de binnenplaats van het kasteel. Het was zo'n gesnater en geklets, dat horen en zien je verging. Tenslotte hield de koning het kabaal niet langer uit. De vrouwen kregen wat proviand mee voor onderweg en werden weer naar huis gestuurd. Slechts drie van hen mochten aan het hof blijven, waaronder de mooie Lucilla. Zij werden naar de tuin gebracht om de koningin met hun verhalen te vermaken.

Lucilla was het eerst aan de beurt en het laat zich raden welke geschiedenis zij te vertellen had.


*   *   *

Lucilla Samenvatting
Een Venetiaans sprookje over een prinses die niet kan lachen. Dit verhaal is een bewerking van de raamvertelling uit de Pentamerone. Een sombere prinses kan niet lachen en haar vader besluit voor het paleis een fontein te bouwen waaruit olie spuit. Al snel levert dat een lachwekkend tafereeltje op en barst de prinses in lachen uit. De oude vrouw die uitgelachen wordt, voorspelt echter dat de prinses haar echtgenoot op het kerkhof moet zoeken... Lees het verhaal

Toelichting
Zie ook de Pentamerone.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Venetiaanse sprookjes" verzameld door Herbert Boltz. Uitgeverij Elmar, Rijswijk. ISBN: 90-389-0855-5

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook