Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 25 min.
Herkomst:

Momotaro, de zoon van een perzik Een Japans sprookje over de jonge held Perzikjongen

Lang geleden leefden er op de heuvels een oude man en een oude vrouw, die heel hard moesten werken om aan de kost te komen. De man sneed bij de boeren in de omgeving het gras af, terwijl de vrouw het huis schoon hield en op hun rijstveldje werkte.

Op een dag was de man er weer op uit getrokken om zijn dagelijks werk te doen, terwijl zijn vrouw kleren in de rivier waste. Het was een mooie lentedag en de vrouw keek met plezier naar het groene, frisse gras en het heldere water van de stroom met haar kabbelende golfjes. Zij nam de kleren een voor een uit haar mand, waste ze in de rivier en sloeg ze daarna droog op de keien die langs de over lagen.

Terwijl zij zo bezig was, kwam er een grote perzik naar haar toe drijven. Zij had nog nooit in haar leven zo'n grote perzik gezien. Het leek wel een kleine meloen! Zij probeerde de perzik te grijpen, maar zij kon er niet bij komen. Toen herinnerde zij zich een oud toverrijmpje dat zij meteen begon te zingen:
"Het verre water is bitter,
het water dichtbij is zoet;
laat het verre water maar voorbijgaan
en laat het zoete dichterbij komen!"
Toen zij dit gezongen had, kwam de perzik binnen haar bereik. "Die zal best smaken," dacht zij. Ik zal hem mee naar huis nemen en aan mijn man geven." Zij was zo opgewonden over haar vondst dat zij met wassen ophield, de kleren in de mand stopte en de vrucht er bovenop legde.

Tegen de avond kwam haar man thuis, een grote bundel gras op zijn rug torsend. Hij scheen erg vermoeid en liep langzaam voort, op zijn wandelstok steunend. "O Jii San (oude man)!" zei zij verheugd, "wat ben ik blij dat je er bent. Ik heb de hele dag op je gewacht!" - "Waarom zo ongeduldig?" vroeg de man verwonderd. "Is er soms iets gebeurd?" - "Nee, nee," antwoordde zij, "maar ik heb een prachtig cadeau voor je." - "Nou dat is best," zei de grijsaard. Hij waste zijn voeten in een kom met water en ging op de veranda zitten.

De vrouw haalde de perzik, die nog groter en zwaarder scheen. "Kijk eens wat ik voor je heb. Heb je ooit zo'n grote perzik gezien?" - "Nee," zei de man, "zo'n grote perzik heb ik nog nooit gezien." - "Ik heb hem niet gekocht, ik heb hem gevonden toen ik bij de rivier aan het wassen was. Hij kwam daar zo maar aandrijven." - "Nu," zei de man, "dat is werkelijk een buitenkansje. Laten wij hem meteen maar opeten, want ik heb honger als een paard."

Hij haalde een mes uit de keuken, plaatste de perzik op een eetplank en wilde hem juist opensnijden, toen de perzik vanzelf in twee helften spleet, terwijl een helder stemmetje zei: "Hé, hé, wacht even, oude man," en uit de vrucht stapte een heel klein, mooi kind. De twee oudjes vielen bijna van verbazing op de grond.

"Wees maar niet bang," zei het kind. "Ik ben geen geest en ook geen duivel, maar ik ben naar jullie toegezonden om jullie zoon te zijn. De hemel heeft jullie dagelijkse gebeden om een kind te mogen krijgen, gehoord en medelijden met jullie gehad." Toen zij dit hoorden rolden van vreugde de tranen over hun wangen. Eerst nam de oude man het kind in zijn armen, en daarna zijn vrouw. Zij noemden het kind Momotaro, hetgeen betekent: zoon van een perzik.

Het echtpaar voerde hem met pap, gaf hem vis te eten en voedde hem op. Als Momotaro een portie at, werd hij eens zo groot; at hij een dubbele portie, groeide hij dubbel zoveel. Leerden ze hem een ding, dan begreep hij tien dingen. En de jaren vlogen voorbij en Momotaro groeide sneller en was ook veel sterker dan de knapen van zijn eigen leeftijd. Het oude echtpaar zag hem met welgevallen opgroeien, want in hun ogen leek hij een held. Toen Momotaro vijftien jaar was geworden, ging hij naar zijn vader en moeder in het huis, ging volgens de voorschriften zitten, legde zijn handen tegen elkaar en zei tegen zijn stiefvader: "Door de voorbeschikking des hemels ben ik uw zoon geworden, en uw goedheid voor mij is even groot als de heuvels die ons omringen; mijn dankbaarheid jegens U is even diep als de rivier die hier langs stroomt."



"Maar," zei zijn stiefvader, "dat is heel gewoon. Elke vader behoort voor zijn zoon te zorgen. Wanneer jij wat ouder bent en ik niet meer in staat om te werken, zul jij voor ons kunnen zorgen." - "Voor het zo ver is, zou ik U voor een tijd willen verlaten," zei de jongen. "En waarom dan?" - "Ver weg van hier, in het noordoosten van Japan ligt een eiland dat door duivels wordt bewoond. Vanuit dit eiland dringen zij dikwijls ons land binnen, doden de mensen en nemen alles mee wat zij vinden. Deze kwaadaardige monsters zijn een plaag voor de bevolking. Ik voel mij geroepen hen te verslaan en een einde te maken aan het moorden en plunderen. Daarom vraag ik U, laat mij een tijd van U weggaan."

De oude man was uiterst verwonderd toen hij een vijftienjarige knaap zo hoorde spreken, maar hij wist dat Momotaro een buitengewone jongen was, sterk en onbevreesd en dat de duivels hem zeker geen kwaad zouden kunnen doen. Daarom gaf hij hem zijn zegen en wenste hem veel succes. Zijn vrouw bakte voor haar stiefzoon een paar rijstkoeken om op reis mee te nemen. Ze gaven hem een nieuwe band om zijn voorhoofd, lieten hem een nieuwe hakama aanmeten, gaven hem een zwaard en een vaan, waarop geschreven stond: "De uitzonderlijkste Momotaro van Japan" en deden de rijstkoeken in zijn heupzak. Toen zij afscheid namen, stonden de ogen van de beide oudjes vol tranen. Zijn stiefvader zei met trillende stem: "Vaarwel, Momotaro, pas goed op jezelf! Wij hopen dat je zult slagen en weer spoedig bij ons zult zijn." Zij wuifden hem na, tot hij uit het gezicht verdween.

Momotaro zette er de pas in, want hij wist dat hij nog een lange weg had af te leggen. Tegen de middag kreeg hij honger en opende zijn tas om er een van de rijstkoeken uit te nemen. Hij ging langs de weg in de schaduw van een boom zitten en begon te eten. Terwijl hij daar zo zat, dook er opeens een hond, zo groot als een kalf, uit het hoge gras op. Hij kwam recht op de jongeman af, liet zijn tanden zien en zei: "Jij bent ook een lompe kerel om zo maar ongevraagd over mijn veld te lopen. Wanneer je de rest van die koeken aan mij geeft, zal ik je ongemoeid laten; zo niet dan zul je eraan moeten geloven." - "Wat zeg je me nu? Weet je wel wie ik ben? Ik ben Momotaro en ik ben op weg om de duivels te onderwerpen die het noordoosten van Japan onveilig maken. Wanneer je mij tracht tegen te houden, zal jouw kop niet lang meer aan je lichaam zitten."

Nu sloeg de hond een andere toon aan. Hij boog zijn kop zo diep dat deze bijna de grond raakte en zei onderdanig: "Wat hoor ik? Ben je inderdaad Momotaro die bekend is om zijn kracht en zijn heldenmoed? Wil je mij mijn onbeleefdheid dan vergeven? Wanneer je van plan bent het Duivelseiland binnen te dringen, hoop ik dat ik je zal mogen vergezellen. Misschien kan ik je nog van dienst zijn."

"Wanneer je wilt, mag je met mij meegaan," zei Momotaro. De hond kwispelde met zijn staart en zei: "Hartelijk dank; maar ik verga van de honger. Wil je mij niet een van je koeken geven?" - "Een stuk kun je krijgen, maar geen hele, want ik moet er nog lang mee doen." Momotaro wierp hem een stuk koek toe en de hond hapte het gretig op.

Toen stond de jongen op en de hond liep achter hem aan. Zij liepen over winderige heuvels en door schaduwrijke dalen. Zij liepen over uitgestrekte vlakten en langs kabbelende riviertjes. Zij liepen van zonsopgang tot zonsondergang en het leek of er nooit een einde aan deze reis zou komen. Alleen "s nachts zochten zij een rustplaats op om te slapen.

Op een avond toen zij onder een boom uitrustten, hoorden zij boven in de takken roepen: "Goede avond Momotaro! Wees welkom in deze streek. Heb je er bezwaar tegen dat ik met je meega?" Zij keken naar boven en zagen daar een aap. "Momotaro heeft al een hond om hem te begeleiden," zei de hond. "Wij zijn op weg om tegen de duivels te vechten. Wat hebben wij dan aan een aap. Maak dat je wegkomt!"

De hond en de aap slingerden elkaar allerlei verwensingen naar het hoofd; want het is bekend dat deze dieren elkaar haten. "Houdt op met dat gekibbel," kwam Momotaro tussenbeiden en hij vroeg de aap wie hij was. "Ik ben de meester van deze heuvels," antwoordde het dier. "Ik heb gehoord van je reis naar het Duivelseiland, en ik heb veel zin om met je mee te gaan." - "Ik bewonder je moed," zei Momotaro. "Hier heb je een lekker stuk rijstkoek. Neem het en volg ons."

Zij gingen met hun drieën verder, maar de hond en de aap zaten elkaar steeds in de haren. Omdat dat Momotaro begon te vervelen liet hij de hond met een vlag voorop lopen en de aap met een zwaard achteraan. Zelf droeg hij een oorlogsvaantje, gemaakt van koper. Zij kwamen bij een uitgestrekte vlakte. Zij zagen een grote vogel naar beneden vliegen en vlak voor hen op de grond neerstrijken. De hond rende er meteen op af en trachtte de vogel te pakken, maar deze haalde met zijn sporen uit en er ontstond een verwoed gevecht. Momotaro had nog nooit zo'n mooie vogel gezien. Hij leek het meest op een fazant en hij droeg een vijfkleurig verenkleed en een vuurrode kap op zijn kop. Het zou zonde zijn, wanneer zo"n dier gedood zou worden. Daarom hield hij de hond vast en zei tegen de vogel: "Geef je meteen over, of je krijgt met mij te doen."

De fazant gaf zich meteen gewonnen en zei onderdanig: "Vergeef mij dat ik met de hond vocht. Ik wist niet dat het uw dienaar was. Sta mij toe U te mogen volgen. Misschien kan ik U nog van dienst zijn." De hond en de aap hadden hier totaal geen oren naar en maakten allerlei bezwaren, maar Momotaro zei streng: "Luisteren jullie goed naar mij. In een leger is een goede harmonie het meest noodzakelijk. Eendracht is altijd beter dan voordeel voor ieder afzonderlijk. Wanneer er geen vrede onder ons is, hoe kunnen wij dan een vijand overwinnen? Van nu af aan moeten de hond, de aap en de fazant vrienden zijn. De eerste die begint te twisten, zal meteen worden weggezonden." Toen beloofde het drietal geen ruzie meer te maken en werd de fazant opgenomen in het gevolg van Momotaro.


Na dagen en dagen onderweg te zijn geweest, bereikten zij eindelijk de zee. Er was niets te zien aan de horizon, geen enkel spoor van een eiland. De dieren die Momotaro vergezelden, hadden nog nooit de zee aanschouwd. Zij keken er dan ook vol bewondering naar, maar tegelijkertijd met een zekere angst. Momotaro merkte wel dat het zien van de oneindige zee hen bang maakte en hij zei: "Zijn jullie bang voor een beetje water? Wat een lafaards. Ik geloof dat ik beter alleen verder kan gaan en jullie hier achterlaten."

Maar daar wilden zij niets van horen. Zij smeekten hem bij hem te mogen blijven en hen niet weg te sturen. "De tocht zal lang duren," waarschuwde Momotaro hen, "en misschien steekt er onderweg nog een storm op, maar wanneer jullie vastbesloten zijn tegen de duivels te vechten, zullen wij gaan."

Het strand was eenzaam en verlaten en men hoorde niets anders dan het bruisen van de golven. Zij liepen een tijdlang langs de kust, en vonden een zeilboot waar zij met hun vieren instapten. De wind was gunstig, zodat het schip als een pijl over het water vloog. De fazant zat op de top van de mast om uit te zien of er geen eiland in zicht kwam. Zij hadden al dagen lang gevaren, toen de fazant op een morgen riep: "Land in zicht!"

Momotaro begreep direct dat dit het Duivelseiland moest zijn. Toen zij dichterbij kwamen, zag hij bovenop een uitstekende rotspunt een grote burcht staan. Hij vroeg zich af op welke manier zij die burcht zouden kunnen innemen, maar hij had gauw een plan gereed.

"Vlieg direct naar die vesting," beval hij de fazant, "en daag de duivels tot de strijd uit. Wij zullen je volgen."

De vogel gehoorzaamde onmiddellijk en vloog weg. Hij cirkelde een paar maal om de burcht heen en ging toen op het dak zitten. Met luide stem verkondigde hij: "Duivelsgebroed, luistert naar mij. De grote Japanse generaal Momotaro nadert met een grote krijgsmacht om met jullie af te rekenen. Het heeft geen zin om tegenstand te bieden. Wanneer jullie je leven wilt sparen, geef je dan meteen over."

De duivels keken naar boven, en toen zij alleen een fazant op het dak zagen zitten, barstten zij in een daverend gelach uit: "Een fazant die zulke praatjes heeft, het mocht wat. Wij zullen snel een eind aan je gesnoef maken."

Zij trokken tijgerhuiden aan, om er nog afschrikwekkender uit te zien, en met hun rode haren in de wind wapperend, kwamen zij met hun lange, ijzeren speren naar boven stormen om de fazant te doden. Maar deze vloog van de ene duivel naar de andere en verkocht elke duivel zo'n ferme slag met een vleugel dat zij op het laatst niet meer wisten of zij tegen één vogel vochten of tegen een heel leger.

Intussen had Momotaro de boot aan land getrokken en liep hij tegen de heuvel op, gevolgd door de hond en de aap. Zij liepen over een smal voetpad dat naar boven voerde. Even later zagen zij twee meisjes die kleren in een beekje wasten. Momotaro zag dat de kleren vol bloedvlekken zaten en dat de meisjes snikkend hun werk deden. Daarom bleef hij staan en vroeg hen: "Wie zijn jullie en waarom zijn jullie zo bedroefd?" Een van de meisjes antwoordde: "Wij zijn de gevangenen van de koning der duivels. Hij heeft ons naar dit eiland laten brengen. Wij zijn de dochters van een daimyo, maar ondanks dat moeten wij nu slavenarbeid verrichten. Maar dat is nog niet het ergste, want wij zijn er zeker van dat wij later zullen worden gedood en door de duivels verslonden." Toen begonnen zij zo afgrijselijk te huilen en te kermen, dat Momotaro diep medelijden met hen kreeg en zei: "Wees gerust en vertrouw op mij. Ik zal jullie bevrijden, wanneer jullie mij nu de kortste weg naar de vesting toont."

De meisjes wezen naar een kleine deur in het onderste gedeelte van de kasteelmuur. Hij moest bukken om er binnen te gaan. Via een wenteltrap bereikten zij de binnenplaats van de burcht. Nu stonden zij oog in oog met de duivels die onmiddellijk de strijd aanbonden.


Het werd een bloedig gevecht. Momotaro maaide met zijn samoeraizwaard de koppen van de duivels links en rechts op de grond. De hond beet hen als een razende in armen en benen, zodat zij gewond neervielen. De aap besprong hen van achteren en duwde hen van de kantelen naar beneden, zodat zij op de rotsen te pletter vielen. Ook de fazant - en het was zeker geen gewone fazant - liet zich niet onbetuigd. Hij pakte af en toe een duivel in zijn kraag, vloog met hem op en liet hem dan in de diepte vallen. Het was ongelooflijk wat een snelle opruiming er onder die duivels werd gehouden.

Op het laatst bleef alleen de koning over. Hij gaf zich over, omdat hij wel gemerkt had dat zijn tegenstanders machtiger waren dan gewone mensen. Als teken van onderwerping boog hij zijn kop voor Momotaro, legde zijn ijzeren speer aan diens voeten neer en rukte de hoorns van zijn kop, waardoor hij zijn kracht verloor.

Momotaro boeide hem en gaf hem aan de aap over om hem verder te bewaken. Samen met de hond liep hij door alle zalen van het kasteel om de gevangenen te bevrijden. Die werden met de dochters van de daimyo naar het schip gebracht en toen Momotaro met zijn helpers en zijn gevangenen aan boord waren, werd de thuisreis aanvaard.

Weer aan land, werd Momotaro overal als een held ontvangen. De koning van de duivels werd aan de magistraat overgeleverd en nog dezelfde dag gehangen. Toen de daimyo zijn twee dochters weer terugzag, was hij zeer verheugd en hij gaf Momotaro een vorstelijk geschenk.

Maar de vreugde in het huis van zijn stiefouders was niet minder groot, toen zij hun geliefde pleegzoon weer veilig en wel zagen terugkeren. En vanaf die dag is de Zoon van een Perzik tot het einde van hun leven bij hen gebleven.


*   *   *

Momotaro, de zoon van een perzik Samenvatting
Een Japans sprookje over de jonge held Perzikjongen. Een oud en kinderloos Japans echtpaar vindt op een dag een grote perzik. Wanneer ze die open willen snijden komt er een jongen uit. Ze noemen hem dan ook Perzikjongen en voeden hem op. Op 15-jarige leeftijd wil hij de wereld intrekken om de demonen op Duivelseiland te verslaan. Onderweg komt hij een hond, aap en fazant tegen die hem op zijn reis vergezelllen. Lees het verhaal

Toelichting
Momotaro is een zeer bekend figuur uit de Japanse folklore. Het verhaal is in geheel Japen en grote delen van Oost-Azië bekend en we vinden het dan ook in bijna elke bundel met Japanse volksverhalen en sprookjes. Momotaro is een echt heldenverhaal voor kinderen en in het land van de samurai zijn die niet zeldzaam.

Letterlijk betekent Momotaro 'Perzik Taro' ('momo' betekent 'perzik' en 'taro' is een Japanse jongensnaam, meestal bestemd voor de oudste zoon van het gezin) en wordt vaak vertaald als 'Perzikjongen'. De perzik is een goddelijke vrucht volgens de Japanse mythologie. De god Izanagi (zie het verhaal De schepping van Japan) kon uit de onderwereld ontsnappen door zijn achtervolgers te bekogelen met perziken en toen zei hij: "Omdat jullie mij gered hebben, noem ik jullie goddelijke vruchten en de boom die jullie voortbrengt een goddelijke boom!" Het is dus ook niet verwonderlijk dat Momotaro door de goden naar de mensen is gestuurd in een perzik.

Het eiland heet 'Onigashima' - 'oni' betekent 'duivels' of 'demonen'. Het verhaal vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in Okayama. Het duivelseiland in het verhaal wordt soms geïdentificeerd met Megi-jima (een eiland in de Binnenzee vlakbij Takamatsu) vanwege de grote kunstmatige grotten die op dat eiland zijn gevonden.

Trefwoorden


Thema
  • Japanse sprookjes (Sprookjes en verhalen uit het land van de rijzende zon)
  • Kinderwens (Sprookjes over echtparen die dolgraag een kindje willen)

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • 桃太郎

Engelse titel
  • Peach Boy

Bron
"Japanse sagen en verhalen" door M. A. Prick van Wely. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979, p. 118-128.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 25 min.
Leeftijd: vanaf 6 jaar

Lees ook