TOELICHTING:Het sprookje werd ook als het in het Hoogduits verteld werd, toch met de Platduitse titel genoemd.
Er zijn van dit overbekende sprookje vele varianten. In een daarvan wordt Sneeuwwitje gevonden in het bos door de koning, die haar heel mooi vindt. Maar de jaloerse koningin laat uit de slee haar handschoen vallen en het kind moet hem oprapen, terwijl de slee gauw doorrijdt. In sommige versies zijn er drie zusters. Sneeuwwitje is dan de jongste en de mooiste.
Het begint als een wintersprookje. Men vindt achtereenvolgens de stemming van Advent (er wordt een kind verwacht), geboorte, beproeving, dood en opwekking uit de dood. De glazen kist is in sommige versies een zilveren kistje. Het spiegeltje aan de wand, dat weet te vertellen wie de schoonste is in het land, is een afstammeling van de toverspiegels, die reeds in de oudheid gebruikt werden, om daarmee voorspellingen te doen. In de Middeleeuwen waren deze praktijken in allerlei vorm in zwang, totdat de kerk daartegen optrad. Nog steeds behoort het tot de kunst van de waarzegsters uit een glazen bol de toekomst te voorspellen. Het spiegeltje is in sommige versies van het verhaal een hond die Spiegel heet en waar de boze koningin aan vraagt wie de mooiste is. Het getal 7 (de zeven dwergen) verwijst naar de 7 planeten.
Het verhaal, zoals dat hier verteld wordt, schijnt de verbinding van twee afzonderlijke stukken te zijn: het sprookje van de Schöne Richilde dat Musäus in zijn 'Volksmärchen der Deutschen' (1782-1787) literair behandeld heeft en waarvoor hij de stof wel uit de Italiaanse novellenverzameling van Basile (1634) gehaald zal hebben, en uit een oude Maria-legende (vgl. Wesselski, Deutsche Märchen vor Grimm, blz. 334-347). In deze 'originele' versie is het geen kus, maar het struikelen over een boomstronk dat er voor zorgt dat de giftige appel uit haar keel schiet en Sneeuwwitje weer tot leven komt. De kus is afkomstig van de Disney-tekenfilm-versie, die overigens veel deugelijker en liever is. De Efteling-versie is ook gekuist. Deze versies zijn helaas wel de bekendste.
Onderstaande tekst uit het Ölenbergse handschrift komt van de familie Hassenpflug, waarschijnlijk van Marie Hassenpflug. Al in april 1808 had Jacob Grimm een bijna identieke versie naar Savigny gestuurd. In een randnotitie bij het slot zegt Jacob Grimm: "Dit slot is niet goed, en gebrekkig." In de eerste druk werd deze versie gecontamineerd met een andere, afkomstig van Ferdinand Sieberts uit Treysa, waardoor het slot er heel anders uit ziet. Vanaf de tweede druk wordt de manier waarop Sneeuwwitje uit haar doodsslaap opgewekt wordt verteld volgens nog een andere versie, afkomstig van Heinrich Leopold Stein uit Frankfurt am Main.
Sneeuwwitje - Sneeuwwitteke - Ongelukskind
Het was eens winter en sneeuw dwarrelde uit de hemel naar beneden, toen een koningin aan een raam uit ebbenhout zat en naaide. Ze zou toch zo graag een kind gehad hebben. En terwijl ze daarover aan het denken was, stak ze per ongeluk met de naald in haar vinger, zodat drie druppels bloed in de sneeuw vielen. Toen deed ze een wens en zei: "Ach, had ik toch een kind zo wit als deze sneeuw, met rode wangen als dit rode bloed en met zwarte ogen als dit raam."
Niet lang daarna kreeg ze een wondermooi dochtertje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als ebbenhout en het dochtertje werd Sneeuwwitje genoemd. De koningin was de allermooiste vrouw in het land, maar Sneeuwwitje was nog honderdduizendmaal mooier en toen Mevrouw de koningin haar spiegel vroeg:
"Spiegeltje spiegeltje aan de wand
wie is de mooiste vrouw in heel Engeland?"
antwoordde het spiegeltje: "De koningin is de mooiste, maar Sneeuwwitje is nog honderdduizendmaal mooier." Om die reden kon de koningin Sneeuwwitje niet meer uitstaan, want zij wou de mooiste in het rijk zijn. Toen nu de koning op een keer naar de oorlog getrokken was, liet ze haar rijtuig inspannen en gaf opdracht naar een ver, donker bos te rijden, en ze nam Sneeuwwitje mee. Maar in dat bos stonden vele erg mooie rozen. Toen ze nu met haar dochtertje daar aangekomen was, zei ze: "Och, Sneeuwwitje, stap toch uit en pluk van die mooie rozen voor mij!" En zodra het meisje, om aan dit bevel te gehoorzamen, uit het rijtuig gestapt was, reden de wielen in volle vaart er vandoor. Maar het was de koningin die alles zo bevolen had, want ze hoopte dat de wilde dieren het meisje gauw zouden opeten.
Toen nu Sneeuwwitje moederziel alleen in het grote bos was, huilde ze erg. En ze ging altijd maar verder, en altijd maar verder en ze werd erg moe, tot ze eindelijk voor een klein huisje kwam. In het huisje woonden zeven dwergen, maar die waren net niet thuis, ze waren naar de mijn gegaan. Toen Sneeuwwitje in het huis binnenging, stond daar een tafel, en op die tafel zeven borden, en daarbij zeven lepels, zeven vorken, zeven messen en zeven glazen en verder stonden er in de kamer zeven bedjes. En Sneeuwwitje at van elk bord een beetje groente en brood, en dronk ook nog uit elk glaasje een druppel, en ten slotte wilde ze gaan slapen omdat ze zo moe was. Maar ze probeerde alle bedjes en vond er geen naar haar zin, behalve het laatste, en daar bleef ze in liggen.
Toen nu de zeven dwergen van hun dagtaak naar huis keerden, zeiden ze allemaal:
"Wie heeft er uit mijn bordje gegeten?
Wie heeft er van mijn broodje genomen?
Wie heeft er met mijn vorkje gegeten?
Wie heeft er met mijn mesje gesneden?
Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?"
en daarop zei het eerste dwergje: "Wie is er toch in mijn bedje gestapt?" en het tweede sprak: "O, in het mijne heeft ook iemand gelegen." En het derde ook en het vierde eveneens en zo verder, tot ze uiteindelijk in het zevende bed Sneeuwwitje zagen liggen. Maar ze beviel hen zo dat ze haar uit medelijden lieten liggen, en het zevende dwergje moest zich met het zesde behelpen, zo goed als het ging.
Toen nu Sneeuwwitje de volgende morgen uitgeslapen was, vroegen ze hoe ze hier gekomen was en ze vertelde hen alles, dat haar moeder de koningin haar in het bos alleen gelaten had en weggereden was. De dwergen hadden medelijden met haar, vroegen haar om bij hen te blijven, en voor hen het eten te koken, wanneer ze naar de mijn gingen. Maar ze moest toch vooral oppassen voor de koningin en beslist niemand in het huis binnenlaten.
Toen nu de koningin hoorde dat Sneeuwwitje bij de zeven dwergen was en niet in het bos was omgekomen, trok ze de kleren van een oude marskraamster aan, en ging tot voor het huis en vroeg om binnengelaten te worden met haar waren. Maar Sneeuwwitje herkende haar helemaal niet en zei aan het raam: "Ik mag niemand binnenlaten." Toen zei de marskraamster: "Ach, lief kind, kijk eens wat voor mooie rijgveters ik hier heb en ik vraag er echt niet veel voor." Maar Sneeuwwitje dacht: "Veters heb ik juist erg nodig, het zal geen kwaad kunnen, als ik de vrouw binnenlaat. Ik kan hier een goede koop doen," en ze deed de deur voor haar open en kocht veters. En toen ze die gekocht had, begon de marskraamster te zeggen: "Kijk eens aan, wat zijn jouw veters slordig geregen! Hoe zie je eruit! Kom, ik zal je eens beter inrijgen." Daarop nam de oude vrouw, die in werkelijkheid de koningin, was, de veter en reeg Sneeuwwitje zo hard vast, dat ze voor dood neerviel, en ging weg.
Toen de dwergjes thuiskwamen en Sneeuwwitje daar vonden liggen, ging hen al gauw een licht op, wie daar kon geweest zijn, en ze regen Sneeuwwitje gauw los, zodat ze weer bijkwam. Maar ze vermaanden haar, voortaan beter op te passen.
Toen de koningin vernam dat haar dochtertje weer levend geworden was, kon ze toch niet rusten en ze kwam weer verkleed voor het huisje en wou aan Sneeuwwitje een prachtige kam verkopen. Omdat die kam Sneeuwwitje maar al te goed beviel liet ze zich verleiden en opende de deur. En de oude vrouw kwam binnen en begon in haar gele haren te kammen en liet de kam steken, tot Sneeuwwitje voor dood neerzonk. Toen de zeven dwergen thuiskwamen, vonden ze de deur open en ze zagen Sneeuwwitje op de grond liggen en wisten ook meteen wie het onheil gesticht had. Intussen trokken ze zo vlug mogelijk de kam uit haar haren en Sneeuwwitje kwam weer tot leven. Maar ze zeiden haar dat, wanneer ze zich nog een keer liet misleiden, ze haar niet meer zouden kunnen helpen.
De koningin echter was erg boos, toen ze vernam dat Sneeuwwitje weer levend geworden was en ze verkleedde zich voor de derde keer, als boerin, en nam een appel mee die half vergiftigd was en wel aan de rode helft. Sneeuwwitje paste er wel voor op, de vrouw niet binnen te laten, maar die reikte Sneeuwwitje de appel door het raam aan, en ze kon zich zo goed voordoen, dat men helemaal niets merkte. Sneeuwwitje beet in de mooie appel, daar waar hij rood was, en zonk dood op de grond.
Maar toen de zeven dwergen naar huis kwamen, konden ze niet meer helpen. Ze waren erg droevig en treurden ook erg over haar. Maar ze legden Sneeuwwitje in een glazen doodskist, waarin ze haar vorige vorm helemaal behield, schreven daarop haar naam en afstamming en bewaakten haar zorgvuldig dag en nacht.
Op een dag keerde de koning, Sneeuwwitjes vader, naar zijn rijk terug en hij moest door hetzelfde bos gaan waar de zeven dwergen woonden. Toen hij nu de doodskist en het opschrift ervan zag, werd hij erg bedroefd over de dood van zijn geliefde dochter. Maar hij had in zijn gevolg zeer ervaren dokters, die vroegen de dwergen om het lijk, namen het op en maakten een touw vast aan de vier hoeken van de kamer en Sneeuwwitje werd weer levend. Daarop trokken ze allen naar huis. Sneeuwwitje werd aan een mooie Prins uitgehuwelijkt en op de bruiloft werden een paar pantoffels in het vuur gloeiend gemaakt, die moest de koningin aantrekken en daarin dansen tot ze dood was.
Volgens anderen kloppen de dwergen met kleine tover-hamertjes 32 keer en maken zo Sneeuwwitje weer levend.
Ander beginEr waren eens een graaf en een gravin, die waren samen aan het rijden, en ze reden voorbij drie hopen witte sneeuw. Toen zei de graaf: "Ik wou dat ik een meisje had, zo wit als deze sneeuw". Ze reden verder en kwamen aan drie kuilen vol rood bloed, toen deed de graaf een wens en zei: "Ik wou dat ik een meisje had met wangen, zo rood als dit bloed," leven later vlogen drie koolzwarte raven voorbij en de graaf wenste weer een meisje met haar zo zwart als die raven. Maar het allerlaatst ontmoetten ze een meisje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, en zo zwart als raven, en dat was Sneeuwwitje. De graaf liet haar onmiddellijk in het rijtuig zitten, maar de gravin had het niet graag. En de gravin wist zich geen raad en liet ten slotte haar handschoen door het portier naar buiten vallen en beval Sneeuwwitje die voor haar op te rapen. Toen ze nu uitgestapt was, ging het rijtuig er in volle vaart vandoor enz.
Dit is ook een Efteling sprookje: een sprookje of verhaal dat wordt uitgebeeld in het Attractiepark De Efteling in Kaatsheuvel.
Sommige sprookjes zijn uitgebeeld in het sprookjesbos, andere hebben elders in het park een plek in een wat bescheidener vorm. De tekst van de sprookjes/verhalen op de Wereld Volksverhalen Almanak zijn de oorspronkelijke teksten. In de Efteling en in diverse tekst- en audioweergaves van de Efteling wordt vaak gebruik gemaakt van beknoptere versies van het desbetreffende verhaal.