Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:

De drie rozenstruiken en de drie honden Een Normandisch sprookje over een betoverde vissenkoning

Er was eens een arme visser, die had een vrouw en drie zoontjes. Maar hoe hard hij ook werkte, hij kon nooit genoeg verdienen om voldoende eten en kleren voor zijn gezin te kopen. Hij viste van de vroege morgen tot de late avond, maar nu waren er alweer verscheidene dagen voorbijgegaan, waarop hij niets anders had gevangen dan een paar kleine visjes, die bijna niets opbrachten.

In treurige gedachten verdiept, roeide de ongelukkige visser die morgen zijn bootje naar een inham tussen de rotsen, waar hij anders nooit kwam. Al pruttelend over de tegenspoed, die hem de laatste tijd vervolgde, wierp hij zijn net uit. "Er zal toch wel weer niets inzitten als ik het straks ophaal," zuchtte hij. Maar dat viel mee! Toen hij het ophaalde was het zo zwaar, dat het niet gemakkelijk was het aan land te trekken.

En toen hij zag wat er in zat, sloeg hij de handen ineen van verbazing. Want kijk, nadat hij het had uitgeschud, zag hij een grote, mooie vis op het strand naar adem liggen happen! Nog nooit had hij zo'n dier gezien, en toen dat vreemde schepsel ook nog begon te praten, wist hij niet wat hij hoorde.

"O visser," sprak de vis, "ik ben de koning van alle vissen, en ik was het, die je in de laatste tijd zo weinig deed vangen, doordat ik aldoor mijn onderdanen wegdreef van de plek, waar je aan het vissen was. Ook deze keer was het mijn eigen wil, dat je me zou vangen. Neem mij gerust mee naar huis en eet me op met je vrouw en kinderen. Dat zal jou geluk brengen en mij verlossen uit een betovering, waardoor ik jarenlang in de gedaante van een vis in de zee heb moeten leven. Neem mij mee naar huis, o visser! Laat je vrouw mijn lichaam reinigen en braden, en eet met je kinderen van mijn vlees; maar mijn graten moet je zorgvuldig bijeenzoeken en ze begraven in je tuin. Op de plek, waar je mijn graf graaft, zal je een schat vinden. Uit mijn kop zullen drie trouwe honden voortkomen - één voor elk van je zonen, en daarna zullen er op mijn graf drie rozenstruiken groeien, eveneens bestemd voor je drie zonen. Deze rozenstruiken zullen niet alleen 's zomers bloeien, maar ook in de winter de heerlijkste rozen geven; maar indien het ooit mocht gebeuren dat een van je zonen een groot gevaar dreigde, dan zal zijn rozenstruik al haar bladeren laten hangen en het zal je toeschijnen dat ze zal doodgaan. Onthoud goed, wat ik je gezegd heb en handel volgens mijn woorden."

Na deze woorden te hebben gesproken, stierf de koning van de vissen en de visser liep hard naar huis om aan zijn vrouw en kinderen te gaan vertellen, wat een geluk hij had gehad. Dadelijk beval hij zijn vrouw, de grote vis onmiddellijk schoon te maken en te braden. Dat was een heerlijk maal! Nu konden ze allemaal eens echt genoeg eten. En wat smaakte die vis lekker!

De visser had gedacht, dat ze wel voor twee dagen genoeg zouden hebben aan die reuzenvis, maar mis hoor! Ze konden niet ophouden met smullen, eer er van het grote beest niets meer over was dan de kop, de graten en de vinnen. Die zouden ze dan nu maar gaan begraven, volgens het voorschrift van de vis. Ze zochten met elkaar een rustig plekje uit, en de vader begon daar dadelijk te spitten.

En jawel! De vis had de waarheid gesproken! Hij had nog maar even gegraven, of hij stootte op iets hards. Het was een kistje, en toen ze dit samen uit de grond hadden gehaald en het open maakten, was het vol blinkende goudstukken. De koning van de vissen had zijn eerste belofte vervuld! Nu nog de honden en de rozenstruiken! En jawel, toen de visser met zijn zoontjes de volgende morgen in de vroegte naar het graf van de vissenkoning ging, sprongen hun drie prachtige honden tegemoet en elk van de jongens kreeg er één van, die hem vanaf dat ogenblik overal volgde, waar hij ging. De dag daarna vonden ze ook de drie rozenstruiken; die stonden al in volle bloei! De ene droeg rode, de tweede witte, en de derde gele rozen - het was een pracht!

Tien jaar daarna waren de jongens van de vroegere visser al opgegroeid tot flinke jonge mannen. De oudste was zelfs al getrouwd met een rijke erfgename. De voorheen zo arme vissersfamilie woonde thans in een prachtig kasteel, en alle drie de rozenstruiken waren uitgegroeid tot hoge bomen, wier bloemen jaar in jaar uit de tuin met haar heerlijke geur vervulden.

Kort na zijn huwelijk ging de oudste zoon eens op de jacht en ontdekte in een wild gedeelte van het bos, waar hij anders nooit kwam, een prachtig kasteel. Toen hij thuiskwam, sprak hij er met zijn vrienden over; maar geen mens had er ooit iets van vernomen, dat in dat gedeelte van het bos een kasteel stond. 's Avonds vertelde hij het ook aan zijn vrouw, en kijk, die riep opeens uit: "O, dat zal dan zeker dat kasteel zijn, waarvoor vader mijn broers altijd waarschuwde! Daar moet een boze heks wonen en niemand, die haar woning binnenging, is ooit teruggekomen."

"Zo, zeggen ze dat? Maar ik ben van plan, er eens naar toe te gaan, hoor! Voor die heks ben ik niet bang, maar wel ben ik nieuwsgierig om te weten, welke schatten ze daarbinnen heeft verborgen!"

"Ach, lieve man, doe het toch niet, doe het toch niet!" smeekte zijn jonge vrouw.

Maar hij was niet van zijn plan af te brengen! De volgende morgen ging hij er al heel vroeg op uit met zijn hond en het duurde niet lang, of hij stond al voor het geheimzinnige kasteel. Het scheen wel uitgestorven te zijn. Op zijn kloppen verscheen niemand, maar de poort was open. Toen liep hij het voorplein over en het kasteel binnen. Nergens vernam hij een menselijke stem, maar overal, waar hij kwam, zag hij de gestalten van allerlei schone ridders en jonkvrouwen, die echter allen van steen bleken te zijn.

Eindelijk kwam hij in een klein kamertje, waar een oud wijfje zat te spinnen.

"Wat kom je hier doen, jongeman?" vroeg het oudje.

"Ik wou dit kasteel graag eens zien, en omdat ik de poort open vond, ben ik maar zo vrij geweest, naar binnen te gaan."

"Dat is kras! Maar pas op, laat je hond niet bij me komen! Hier, bind hem vast aan de draad van mijn haspel, terwijl je met mij praat."

Op het moment echter dat de jongeman zijn hond aan de haspel had vastgebonden, veranderde hij in een stenen beeld, evenals al de andere jonge mensen, die hij in de verschillende zalen van het kasteel had gezien.

Op hetzelfde ogenblik zag zijn oude vader, die juist in zijn tuin wandelde, de rode rozenstruik plotseling verwelken. Dadelijk riep hij nu zijn andere zonen er bij, die, evenals hij, hevig schrokken toen ze de rozenboom zo droevig zijn blaadjes zagen laten hangen, net of hij dood zou gaan. "Vader," riep de tweede zoon uit, "ik zal mijn broer gaan zoeken! Hier Filax, we gaan er op uit!" En hij hing zijn geweer over zijn schouder, stak een dolk in zijn gordel en ging met zijn trouwe hond de weg op naar het geheimzinnige kasteel, waarheen hij wist, dat zijn broer die ochtend was vertrokken. Ook hij vond de ingangspoort en alle deuren van het kasteel open, en liep door tot hij in het vertrekje kwam, waar het oudje zat te spinnen.

"Oud vrouwtje, oud vrouwtje, heb je mijn broer ook gezien, die deze morgen dit kasteel is komen bekijken?"

"Ja zeker, ja zeker! In de grote zaal zal je hem vinden, jongeman. Maar je hond moet je hier laten; bind hem maar even vast aan de draad van mijn haspel, dan zal ik je de weg wijzen."

Ach, toen ging het hem evenzo als zijn broer! Op hetzelfde ogenblik, dat hij de hond vastbond, veranderde hij in een stenen beeld.

Opnieuw zag zijn oude vader, die de wacht was blijven houden bij de stervende rozenboom van zijn oudste zoon, ook de boom met de witte rozen plotseling al zijn bladeren en bloemen laten hangen, alsof ook hij zo maar dood zou gaan. Geheel ontsteld riep hij dadelijk zijn jongste zoon erbij, en toen deze nu zag dat allebei zijn broers blijkbaar in groot gevaar verkeerden, wapende hij zich vlug, floot zijn hond, en liep, zo hard hij kon, eveneens naar het geheimzinnige kasteel, waarbinnen zijn beide broers verdwenen waren.

Ook hij ging, toen hij op zijn kloppen geen gehoor kreeg, zo maar het kasteel binnen en doorliep alle zalen, waar de schone ridders en jonkvrouwen stonden als stenen beelden. "Hier steekt iets achter!" dacht hij bij zichzelf en toen hij bij het oude vrouwtje kwam en ze ook hem verzocht, zijn hond aan de draad van haar haspel vast te binden, deed hij dit niet, maar riep uit: "Pak ze, Azor, pak het oude wijf!"

De hond, niet lui, sprong haar naar de keel en beet haar dood! En zie, nu de heks niet meer leefde, was ook haar toverkracht meteen uitgewerkt. En alle ridders en jonkvrouwen, die reeds zo lange tijd als stenen beelden in haar zalen hadden gestaan, veranderden ogenblikkelijk weer in levende mensen.

Wat was de jongeman dankbaar, toen hij ook zijn beide broers gezond en springlevend naar zich toe zag komen! En hun oude vader en moeder huilden tranen van blijdschap, toen ze plotseling de rozenbomen hun blaadjes en bloemen weer zagen opheffen, alsof er niets was gebeurd!

Alle ridders en jonkvrouwen verlieten het betoverde kasteel, nadat ze hun redder hartelijk hadden bedankt, maar de twee mooiste jonkvrouwen gingen met hem en zijn ongetrouwde broer naar het kasteel van zijn vader, en de volgende dag werd daar een dubbele bruiloft gevierd, die vele dagen duurde.


*   *   *

De drie rozenstruiken en de drie honden Samenvatting
Een Normandisch sprookje over een betoverde vissenkoning. Wanneer een arme visser op een dag een grote vis op het strand vindt, blijkt dat de koning van alle vissen te zijn. Hij zegt dat hij betoverd is en dat de visser hem moet opeten en zijn graten moet begraven. Op die plek verschijnen drie rozenstruiken, die aangeven of het goed of slecht gaat met de drie zonen van de visser. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 400-405.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook