Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 12 min.
Herkomst:

De kabouter bij de kruidenier Een sprookje van Andersen over de liefde voor de poëzie

De kabouter bij de kruidenierEr was eens een echte student, hij woonde op zolder en hij bezat niets. Er was ook een echte kruidenier, hij woonde op de bel-etage en hij bezat het hele huis, en bij hem woonde de kabouter, want hij kreeg op kerstavond altijd een schaal pap met een hele klont boter erin! Dat kon de kruidenier best missen; en de kabouter bleef in de winkel en dat was heel leerzaam.

Op een avond kwam de student door de achterdeur binnen om kaarsen en kaas te kopen. Hij had niemand om dat voor hem te doen en dus ging hij zelf. Hij kreeg wat hij nodig had, hij betaalde ervoor en de kruidenier en zijn vrouw knikten hem toe: "Goedenavond." En die vrouw kon meer dan knikken, die kon haar mondje roeren - en de student knikte terug en bleef toen staan, midden onder het lezen van het papier dat om de kaas zat. Het was een bladzijde die uit een oud boek was gescheurd, een boek dat niet verscheurd hoorde te worden, een boek met gedichten. "Er liggen er nog meer!" zei de kruidenier. "Ik heb er een oud vrouwtje wat koffiebonen voor gegeven. Voor acht stuivers krijgt u de rest."

"Graag," zei de student. "Ik neem het wel in plaats van de kaas, ik kan wel droog brood eten. Het zou zonde zijn als dat boek helemaal in stukken werd gescheurd. U bent een fantastische man, een praktische man, maar van poëzie hebt u evenveel verstand als die ton daar." Dat was onaardig gezegd, vooral tegenover de ton, maar de kruidenier lachte en de student lachte. Het was ook meer als grapje bedoeld.

Maar de kabouter irriteerde het dat je zoiets kon zeggen tegen een kruidenier die huiseigenaar was en de beste boter verkocht.

De kabouter keek door het sleutelgat en zag dat de student in het voddige boek uit de winkel zat te lezen.

Toen het nacht was, de winkel was gesloten en iedereen in bed lag, op de student na, ging de kabouter de tongriem van de vrouw halen. Die had ze niet nodig als ze sliep. En ieder ding in de kamer waar hij hem op zette, kon zijn mondje roeren en kon zijn gedachten en gevoelens net zo goed uitdrukken als mevrouw. Maar dat ging maar met eentje tegelijk en dat was een geluk, want anders hadden ze allemaal door elkaar gepraat.

De kabouter zette de tongriem op de ton waar de oude kranten in lagen: "Is het echt waar," vroeg hij, "dat u niet weet wat poëzie is?"

"Dat weet ik best," zei de ton. "Dat is wat onderaan in de krant staat en wat je uit kunt knippen. Ik dacht eigenlijk dat ik daar meer van in me heb dan de student en ik ben maar een eenvoudige ton, bij de kruidenier vergeleken." De kabouter zette de tongriem op de koffiemolen, en die ging toch tekeer! En hij zette hem op de boterton en op de geldla. Allemaal waren ze het met de ton eens en de algemene opinie moet je respecteren. "Nou zal ik die student toch eens!" De kabouter sloop stilletjes de keukentrap op, naar de zolder, waar de student woonde. Er brandde licht en de kabouter keek door het sleutelgat en zag dat de student in het voddige boek uit de winkel zat te lezen. Maar het was zo licht op zolder. Er scheen een heldere straal uit dat boek en die veranderde in een stam, in een reusachtige boom, die heel hoog oprees en zijn takken boven de student uitspreidde. Ieder blaadje was mooi groen en iedere bloem werd een lief meisjesgezicht, sommige met donkere, stralende ogen, andere met fantastisch felblauwe. Iedere vrucht aan de boom was een schitterende ster en alles zong en klonk wonderbaarlijk mooi.

Zo'n heerlijkheid had de kabouter zich nooit kunnen indenken, laat staan dat hij ooit zoiets had gezien of had kunnen vermoeden dat het bestond. Hij bleef op zijn tenen staan kijken en kijken totdat het licht uitging. De student blies zeker zijn lamp uit omdat hij naar bed ging. Maar het kaboutertje bleef staan, want er klonk nog steeds heel zacht, prachtig gezang, een lieflijk wiegelied voor de student die zich ter ruste begaf.

"Wat ongelooflijk!" zei de kabouter. "Dat had ik niet verwacht. Ik geloof dat ik maar bij de student blijf wonen." En hij dacht en hij dacht nog eens na, en toen zuchtte hij: "De student heeft geen pap!" En toen ging hij weg - tja, toen ging hij weer naar de kruidenier - en het was maar goed ook dat hij kwam, want de ton had de tongriem van mevrouw bijna versleten door alles wat hij in zich had van één kant te vertellen en nu stond hij juist op het punt om hem om te draaien om hetzelfde weer van een andere kant te zeggen, toen de kabouter kwam en de tongriem naar mevrouw terugbracht. Maar de hele winkel, van de geldla tot de aanmaakhoutjes, deelde van die dag af de mening van de ton en ze hadden zo'n respect voor hem dat ze voortaan, als de kruidenier de "kunst- en toneelrecensies" uit het Dagblad voorlas, dachten dat het van de ton kwam.

Maar het kaboutertje kon niet meer zo rustig naar al die wijsheid en al die verstandige praat in de winkel zitten luisteren, want zodra er licht van zolder kwam, leek het wel of de stralen sterke ankerkettingen waren die hem omhoogtrokken. En dan moest hij erheen om door het sleutelgat te gaan kijken en daar werd hij overspoeld door een groots gevoel, zoals wij dat hebben bij de aanrollende golven, als God een storm over de zee laat gaan. En hij barstte in tranen uit, hij wist zelf niet waarom hij huilde, maar het was eigenlijk heel prettig om zo te huilen. Wat moest het toch ongelooflijk heerlijk zijn om met de student onder die boom te zitten - maar dat ging niet, hij was al blij met het sleutelgat. Hij stond nog op die koude gang toen de najaarswind door het luik blies en het heel koud werd, echt koud. Maar dat voelde de kleine kabouter pas als het licht op de zolderkamer uitging en de klanken wegstierven in de wind. Brrr, dan had hij het koud en dan kroop hij weer in zijn warme hoekje. Daar was het lekker warm! En toen de kerstpap kwam met een grote klont boter - toen was de kruidenier weer de baas.

Maar midden in de nacht werd de kabouter wakker door een vreselijk gebeuk op de luiken. De mensen bonkten er buiten op. De nachtwaker blies op zijn fluit. Er was een grote brand uitgebroken. De hele straat stond in lichterlaaie. Was het bij hen of bij de buren? Waar? Wat een schrik! De vrouw van de kruidenier was zó van haar stuk dat ze haar gouden oorbellen uit haar oren haalde en ze in haar zak stak, want dan had ze tenminste iets gered. De kruidenier rende weg om zijn effecten te halen en het dienstmeisje om haar zijden kapmanteltje te halen, want zoiets duurs had ze. Iedereen wilde het beste redden wat hij bezat en dat wilde het kaboutertje ook. In een paar sprongen was hij de trap op en stond hij in de kamer van de student, die heel rustig aan zijn open raam naar het vuur in het huis van de buren stond te kijken. Het kaboutertje greep het schitterende boek van de tafel, stopte het in zijn rode muts en hield het met beide handen vast. De grootste schat van het huis was gered en hij vloog weg, het dak op, de schoorsteen op, en daar zat hij in het schijnsel van het brandende huis aan de overkant en hij hield met beide handen zijn rode muts vast waar de schat in zat. Nu wist hij waar zijn hart lag, bij wie hij eigenlijk hoorde. Maar toen de brand weer geblust was en hij weer tot rust was gekomen - tja, toen zei hij: "Ik zal me tussen die twee verdelen! Ik kan de kruidenier niet helemaal laten vallen, vanwege de pap!"

En dat is heel menselijk! Wij gaan toch ook naar de kruidenier - voor de pap.


*   *   *

De kabouter bij de kruidenier Samenvatting
Een sprookje van Andersen over de liefde voor de poëzie.

Trefwoorden


Feest / viering

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel

Engelse titel

Bron
"Hans Christian Andersen - Sprookjes en verhalen" opnieuw uit het Deens vertaald door Dr. Annelies van Hees. Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1992. ISBN: 90-6069-840-1

Herkomst: Denemarken
Verteltijd: ca. 12 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook