Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:




De zoon van de houthakker Een Frans volkssprookje over drie dankbare dieren

In een klein huisje, midden in het bos, woonde een houthakker met zijn vrouw en zijn drie jongens. De goede man werkte van de vroege ochtend tot de late avond, maar nooit kon hij genoeg verdienen om zijn vrouw en kinderen voldoende te eten te kunnen geven. Door het zware werken echter namen zijn krachten meer en meer af. Hij begon vroeg oud te worden - en hoe ouder hij werd, des te langzamer ging hem het werk van de hand, en des te meer honger leed zijn gezin.

Toen de drie jongens al flink groot begonnen te worden, riep hun vader hen eens op een avond bij zich. "Luister eens, jongens," zei hij, "jullie zien zelf wel hoe weinig er te verdienen valt met houthakken. Ik zou niet graag willen dat mijn zonen later even arm zouden worden als ik ben, en nu hebben moeder en ik besloten, jullie een voorstel te doen. Wij wensen namelijk, dat jullie de wereld zullen ingaan om elk een meer winstgevend beroep te leren. Hebben jullie daar de moed toe?"

Ja, dat hadden ze zeker, de drie flinke jongens! De oudste riep dadelijk uit: "Dan word ik soldaat!" De tweede wilde liever zijn kost gaan verdienen als boerenknecht, maar de derde zei dat hij van plan was naar vreemde landen te trekken, en daar zijn geluk te beproeven.

Toen de volgende morgen het ogenblik van afscheid nemen gekomen was, werden er veel tranen gestort, maar, na hun ouders nog eens ernstig te hebben beloofd goed te zullen oppassen, gingen de drie zoons toch moedig op pad, ieder met een stevige hulstknuppel in de hand en een pakje met wat schoon ondergoed op de rug.

Van de twee oudsten valt niet veel bijzonders te vertellen, maar George, de jongste van de drie, beleefde zeldzame avonturen. Eerst liep hij vele dagen achtereen altijd maar rechtuit, rechtaan, telkens overnachtend bij de een of andere vriendelijke boer - want de mensen in die streken zijn gastvrij van aard en staan een arme reiziger graag een slaapplaatsje af in hun schuur of op de hooizolder. Aan de weg, die hij volgde, stonden lange rijen vruchtbomen. Hij voedde zich dus met de appelen en peren, die hij in het gras vond liggen en, als hij door een bos kwam, met wilde moerbeien en bramen.

Eens had hij een middagslaapje gedaan tussen de rotsen aan het zeestrand en toen hij wakker werd, zag hij een grote vis, die door de branding naar het strand was gespoeld, maar niet snel genoeg mee terug had kunnen zwemmen, op het zand naar adem liggen happen. "Ach, jij arm beest," zei George vol medelijden, "heb je het zo benauwd?" Tegelijk nam hij de vis op, en legde hem voorzichtig in de branding, die hem dadelijk terugvoerde naar de diepe zee.

Op een andere dag, toen zijn weg hem door een bos voerde, zag hij een mier over het pad kruipen. Ze droeg een ei, groter dan zijzelf, tussen haar voorpootjes en het arme diertje had blijkbaar de grootste moeite om met de zware last, die ze torste, haar mierenhoop te bereiken over al de aardkluitjes op het pad, die haar wel hoge bergen moesten schijnen. Nadat George haar geploeter een tijdlang had gadegeslagen, zich verwonderend hoe dapper het kleine ding zich weerde, besloot hij haar te helpen; vlug nam hij een strohalm, die hij aan de wegkant vond, in de hand en hield die de mier voor, in de hoop dat ze er tegen op zou kruipen. Jawel, daar had je haar al! Nu was ze met haar vrachtje op de strohalm aangekomen en zo droeg George haar heel langzaam en voorzichtig naar de mierenhoop.

Daarop zette hij zijn reis weer voort, zonder verder aan dit voorval te denken. Weldra kwam hij op een landweg en hoorde daar, achter een heg, zulk een angstig gekrijs, dat hij op zijn tenen ging staan om er overheen te kijken, ten einde te onderzoeken wat er toch te doen was. En zie, daar ontdekte hij een raaf, die zich tevergeefs trachtte los te worstelen uit de mazen van een net, waarin hij, door zijn gespartel, al meer en meer verward raakte. Dadelijk sprong George over de heg, haalde zijn mes te voorschijn en sneed voorzichtig het net stuk op die plaatsen, waar de klauwen van de arme raaf er zo hopeloos in verward zaten, dat hij geen andere mogelijkheid zag om het beest er uit te bevrijden. "Kra! Kra! Kra!" riep de raaf vanuit een hoge boom, toen hij weer vrij was; en het klonk zo blij, dat George zich dankbaar voelde, de arme vogel te hebben kunnen helpen.

Toen hij echter een poosje later de poort van een grote stad binnenstapte, had hij zijn ontmoetingen met de vis, de mier en de raaf al lang weer vergeten. Want wat was hier veel te zien voor een jongen, die tot nu toe altijd in het bos had geleefd! Wat een mensen, wat een gewoel, wat een verbijsterend lawaai! Het meest verbaasde hij zich over een paar in fluweel en zijde geklede trompetters, die telkens, nadat ze een paar heldere tonen hadden geblazen om de aandacht te trekken, met luide stem uitriepen: "Luistert, u allen die hier aanwezig zijn! Onze Heer en Koning laat bekend maken dat hij een zeer kostbare diamanten ring in de diepe zee heeft laten vallen. Tot elke prijs wenst onze Heer en Koning deze ring terug te krijgen. Hem, wie het gelukt die vanuit de diepten der zee terug te halen, wil onze Heer en Koning zijn enige dochter tot vrouw geven en het halve koninkrijk op de koop toe. Zegt het voort!"

Toen hij deze boodschap aanhoorde, dacht George bij zichzelf: "Wel, wel, wat moet dat een dapper en knap man zijn, die uit de diepten der zee deze ring terug zou kunnen halen!"

Ondertussen liep hij, zonder er bij te denken, met het opdringende volk mee naar het zeestrand, waar velen dadelijk in het zand begonnen te graven, hopende dat de vloed de ring misschien zou hebben aangespoeld.

George zag dit toneel glimlachend aan, totdat hij plotseling een gevoel kreeg alsof hij ergens onweerstaanbaar naar toe werd getrokken. Aan die drang gehoor gevend, verliet hij de wriemelende mensenhoop en zag nu op een eenzame plek aan het strand een vis aldoor met zijn staart op het water slaan, alsof hij zich daaruit wou opheffen.

Naderbij komende, merkte George op dat het beest iets in zijn bek scheen te hebben - en jawel, toen hij goed toekeek, zag hij dat het een ring was! In een ogenblik was hij nu bij de vis en, ziende dat deze hem blijkbaar de ring wou aanbieden, nam hij deze van hem aan. Op hetzelfde ogenblik begon, tot zijn grote verbazing, de vis met een menselijke stem te spreken.

"Jongeman," hoorde George hem zeggen, "je hebt mij het leven gered en thans ben ik in de gelegenheid, je daarvoor te belonen. Breng deze ring aan de koning, dan krijg je de prinses tot vrouw en het halve koninkrijk op de koop toe."

"Dank je wel, lieve vis!" riep George uit, en hij streelde hem liefkozend over zijn glibberige rug.

Wie beschrijft de blijdschap van de koning, toen zijn verloren ring hem zo spoedig werd teruggebracht! Maar toen hij nu de brenger eens bekeek, kon hij toch niet besluiten, zijn vorstelijke dochter te laten trouwen met zo'n haveloze jongen.

"Het schijnt je niet veel moeite te hebben gekost de ring te vinden, goede jongen," sprak hij. "Verbeeld je maar niet, dat je mijn dochter en mijn halve koninkrijk zo gemakkelijk kunt veroveren! Wil je dit doel bereiken, dan moet je eerst nog een andere opdracht volbrengen. Kom maar mee!"

Hij ging George nu voor naar de tuin en daar aangekomen, liet hij door zijn bedienden zes zakken vol zand uitstrooien op een groot grasperk. "Ziezo, jongmens," sprak hij. "Nu is het jou taak om, voordat morgenochtend de zon opgaat, al die zandkorrels op te rapen en er de zes zakken opnieuw mee te vullen."

"Maar, koning, dat is immers onmogelijk!" riep de arme George uit.

"Kom, kom, antwoordde de Koning, "probeer het maar eens, en anders... en anders... jaag ik je weg!"

De ongelukkige jongen liet zich wanhopig neervallen op een bank, die daar stond, terwijl de knechten, die nog bezig waren het zand uit te strooien over het grasperk, hem spottend aankeken. George probeerde niet eens, het zand op te rapen. In plaats daarvan viel hij, vermoeid als hij was van zijn lange tocht, in een diepe slaap, waaruit hij pas ontwaakte toen de dag al begon aan te breken. Hij deed zijn ogen open en zag... ja, wat zag hij? Hij zag al de zes zakken, tot boven toe gevuld met zand, netjes naast elkaar op het pad staan! "Zou ik dromen of is dit werkelijkheid?" dacht hij verbaasd. Maar het was werkelijkheid, want nu hoorde hij naast zich op de bank een heel fijn stemmetje zeggen: "Jongeman, je hebt me eens een heel grote dienst bewezen en thans bood zich een gelegenheid aan, om je daarvoor mijn dank te betuigen. Ik en mijn kameraden hebben al de zandkorreltjes voor je opgezocht en ze in de zakken gedaan."

En toen George goed toekeek, kroop daar een mier over de bank, zeker dezelfde, die hij indertijd geholpen had met die strohalm. "Dankjewel, lieve mier!" zei hij. Hij zou ook haar graag hebben willen strelen, evenals de vis, maar dat durfde hij niet, uit vrees dat hij haar met zijn grote hand zou dooddrukken.

Terwijl hij nog vol verbazing naar de gevulde zakken zat te kijken, zag hij de koning uit het paleis komen. Die dacht zeker al het zand nog op het grasperk te vinden - en ziedaar! Daar stonden de zes zakken, geheel met zand gevuld en op het gras was geen korreltje meer te zien!

"Zo, zo?" bromde hij, "dit heb je dus ook al volbracht? Maar luister eens ventje - als jij de prinses tot vrouw wilt hebben en mijn halve koninkrijk op de koop toe, moet je eerst nog een andere opdracht volbrengen. Zo gemakkelijk gaat dit maar niet! Ik zal je zeggen, wat je nu nog moet doen. Op de Berg des Doods staat een boom met twee gouden appels, die zorgvuldig worden bewaakt door een verschrikkelijke, vuurspuwende draak. Als je mij deze gouden appels brengt, krijg jij de prinses en mijn halve koninkrijk."

George antwoordde niet en sloop beschaamd de paleispoort uit. Hij begreep maar al te goed, dat de koning hem niet tot schoonzoon wilde hebben omdat hij maar een arme eenvoudige houthakkersjongen was. "Er is toch niets aan te doen," zuchtte hij, "dan ga ik maar liever naar huis terug en word houthakker, net als mijn vader."

Terwijl hij daar nu zo voortliep met zijn oude knuppel in de hand en zijn armoedig bundeltje op de rug, verdiept in treurige gedachten, merkte hij plotseling hoe een vogel, vlak boven zijn hoofd, telkens met de vleugels sloeg. Verbaasd keek hij op. En wat zag hij daar? Hij herkende in de vogel, die met zijn vleugels sloeg, dadelijk de raaf, die hij indertijd uit het net had verlost! En zie, in zijn snavel droeg hij een boomtak, waaraan twee blinkende gouden appels hingen.

Nadat George deze van hem had aangenomen, begon de vogel te spreken, evenals de vis en de mier hadden gedaan. Ook hij begon met dezelfde woorden. "Jongeman," zei hij, "je hebt me eens het leven gered en thans biedt zich mij een gelegenheid aan om je daarvoor te belonen. Breng deze appels aan de koning, en je zult zijn dochter tot vrouw krijgen en zijn halve koninkrijk op de koop toe."

"Dankjewel, lieve raaf!" riep George de vogel toe, die thans vanuit een boom op hem neerzag, "maar ik durf je raad niet op te volgen. De koning heeft me zo duidelijk laten merken dat hij mij niet tot schoonzoon wenst te hebben, dat ik weinig lust heb, hem de gouden appels ook nog te brengen en me voor de derde keer zo honds te laten behandelen."

Maar de Raaf schudde zijn kop: "Kra, kra," zei hij, "probeer het maar, jongeman, probeer het nog maar eens! Kra, kra! Deze appels zullen je geluk aanbrengen, Kra, kra!" Meteen vloog hij op en was weldra verdwenen, hoog in de lucht.

Maar zijn laatste woorden hadden George weer nieuwe moed gegeven. Voor de derde keer ging hij naar de koning en bood hem, zonder één woord te zeggen, de gouden appels aan. De koning kon zijn ogen niet geloven, toen hij daar die eenvoudige boerenjongen zag verschijnen met de gouden appels, waarvoor al zoveel dappere ridders hun leven hadden gewaagd, zonder ze te kunnen bemachtigen, in de hand!

"Wat is er toch met deze jongen," dacht hij bij zichzelf, "dat hij als het ware spelend de moeilijkste dingen kan volbrengen? Hij is zeker onder een gelukkig gesternte geboren. Zou het dan misschien toch niet het beste zijn, mijn dochter maar aan deze geluksvogel te geven?"

Hij keek George nog eens goed aan, en ja, nu ontdekte hij meteen wat een aardig en verstandig gezicht die vreemde jongen toch had. "Vreemd," dacht hij, "dat ik dit niet eerder heb opgemerkt! Hij begint me hoe langer hoe beter te bevallen, die boerenjongen!"

Ondertussen stond George nog altijd voor hem, niet begrijpend waarom de koning geen woord tot hem sprak. Hij dacht niet anders, dan dat hij opnieuw met schade en schande zou worden weggezonden en wist niet wat hij hoorde, toen hij de koning vriendelijk hoorde zeggen: "Wacht even, jongeman, ik zal dadelijk mijn eigen kleermaker laten roepen om je de maat te nemen voor een hofkostuum. Als je eerst maar eens volgens de eis gekleed en gekapt bent, komt al het andere vanzelf in orde."

De kleermaker kwam, nam George de maat en zette dadelijk al zijn helpers aan het werk om zo spoedig mogelijk het kostuum van blauw fluweel met goudborduursel, dat de koning voor de blonde jongeling besteld had, af te werken. Voordat hij deze kleren aan had en de hofkapper zijn blonde krullen net zolang had geborsteld, tot ze glansden als vloeibaar goud, mocht de prinses hem niet zien. Maar toen hij uitgedost als een prins naast de troon van de koning stond, liet deze zijn dochter roepen en sprak tot haar: "Prinses, ziehier uw bruidegom. Morgenochtend zal het huwelijk worden voltrokken."

De prinses keek de vreemde jongeling eerst een beetje angstig aan, maar toen ze een blik opving uit zijn vriendelijke blauwe ogen, reikte ze hem haar hand en sprak: "Welaan, vader, het zij zo."

En zo werd dan de volgende dag het jonge paar in het huwelijk verbonden en geen mens ter wereld is ooit gelukkiger geweest, dan deze twee jonge mensen waren. Voortaan regeerde George nu ook over zijn halve koninkrijk, dat onder zijn verstandig bestuur voortdurend in macht en welvaart toenam. Hij werd ten slotte een machtig vorst; maar nooit vergat hij de drie dankbare dieren, die hem geholpen hadden om dit grote geluk te veroveren.


*   *   *

De zoon van de houthakker Samenvatting
Een Frans volkssprookje over drie dankbare dieren. Wanneer de jongste zoon van een houthakker de wereld in trekt, helpt hij onderweg een vis, een mier en een raaf. Later bedanken de dieren de jongen door hem te helpen bij het terugvinden van een diamanten ring, het sorteren van zand en het bemachtigen van twee gouden appels. Lees het verhaal

Toelichting
Het motief van de dankbare dieren, die helpen bij onmogelijke opdrachten vinden we o.a. ook in De witte slang van de gebroeders Grimm.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 391-399.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook