Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 26 min.
Herkomst:

Het gewaad van spinrag

Ergens in Indo-China lag eens een rijk, dat geregeerd werd door een wijze koning. Hij had een minister in zijn dienst, die ook een goed en verstandig man was. Samen bestuurden ze het land en zorgden ervoor, dat er vrede en welvaart heersten. De koning en zijn minister waren vrienden.

Nu had de koning één zoon, en de minister één dochter. De prins heette Fan-Kwai, de dochter van de minister Su-Si. Su-Si was een heel mooi meisje. Iedereen dacht, dat ze later wel met de prins zou trouwen. Dat dacht ze zelf ook. Ze rekende er vast op, dat ze eens koningin zou worden, en dat vond ze heerlijk. Vaak maakte ze allerlei plannen voor de toekomst. Ze zei dan: "Ik zal de mooiste kleren en de duurste sieraden kopen, die er in het hele land te vinden zijn."

Haar vader schudde z'n hoofd, als hij haar zo hoorde praten. Hij zei: "Jij denkt alleen maar aan de plezierige dingen, maar een koningin heeft ook haar plichten. Zij moet haar man helpen, het land te besturen, en dat is een heel zware taak. Maar over haar plichten wilde Su-Si nooit denken.

Toen ze ouder werd, begon ze ook hoogmoedig te worden. Tegen de bedienden deed ze net of ze al koningin was. Eens wilde haar vader haar daarover beknorren. En wat antwoordde het trotse meisje? "U bent maar minister en ik word koningin!" Bedroefd keek de oude man het meisje aan. Hij had nooit gedacht, dat ze zo iets tegen hem zou durven zeggen.

Nu bewoonde de minister een mooi huis, en bij dat huis was een tuin met een vijver. In die vijver groeiden allerlei mooie waterplanten, maar er leefde ook een aantal kikvorsen in. Die kwaakten vaak een hele nacht. Su-Si had last van dat gekwaak en daarom zei ze tegen haar vader: "Vader, laat die kikkers vangen. Ze maken zo'n lawaai, dat ik er niet van slapen kan."

"Moet ik al die kikkers laten vangen?" vroeg de minister. "Dat gaat niet, meisje. Bovendien zou de vijver na een tijdje toch weer vol kikkers zijn."

Su-Si keek haar vader met boze blikken aan. Dus u wilt me niet helpen?" vroeg ze. "Nu, dan zal ik er zelf voor zorgen, dat ik 's nachts slapen kan." Ze draaide haar vader de rug toe en sprak de hele dag niet meer met hem. De minister dacht: "Haar hoogmoed zal haar nog eens in het ongeluk storten." En die gedachte maakte hem erg verdrietig.

Su-Si ging naar de tuinman en zei tegen hem: "Ik kan niet slapen, omdat de kikkers in de vijver zo'n lawaai maken. Nu moet jij vannacht bij de vijver gaan zitten en met een lange stok telkens in het water slaan. Dan zullen die vervelende beesten wel stil zijn. En dat doe je voortaan iedere nacht. Heb je me begrepen?"

De tuinman knikte. Hij was erg bang voor zijn jonge meesteres. De laatste tijd speelde ze helemaal de baas in huis, want haar vader had het te druk, om zich met de huishouding te bemoeien. De tuinman wist dat ze hem streng zou straffen, als hij niet precies deed, wat ze hem beval.

's Avonds ging hij naar de vijver. Telkens als de kikkers kwaakten, sloeg hij met een stok in het water. Dan werd het even stil, maar even later begon het gekwaak toch weer. En dan moest hij opnieuw in het water slaan.

Het middel hielp wel. Su-Si kon de hele nacht rustig slapen. Toen het licht werd, ging de tuinman naar huis. Hij was wel erg slaperig en moe, maar toch mocht hij niet rusten. Als hij zijn werk in de tuin niet goed deed, zou Su-Si zeker ook boos zijn.

Een week lang hield hij dit zware leven vol: overdag werkte hij in de tuin, 's nachts waakte hij bij de vijver. Soms viel hij wel eens even in slaap. Maar telkens, als de kikkers begonnen te kwaken, was hij juist op tijd wakker geworden.

Maar de achtste nacht sliep hij in en werd niet wakker, hoe hard de kikkers ook kwaakten. De arme man was ook zo vreselijk moe! Pas toen het licht werd, ontwaakte hij met schrik. Angstig dacht hij: "Ik hoop, dat Su-Si het gekwaak niet gehoord heeft." Maar zijn jonge meesteres was wel wakker geworden. Daar kwam ze al woedend op hem af. "Ik heb de hele nacht geen oog dicht gedaan!" riep ze hem toe. "Maar je zult je straf niet ontgaan." En zonder te letten op de jammerklachten van de tuinman liet ze hem in een onderaardse kerker werpen.

In die tijd was de koning juist ernstig ziek. De minister moest dus al het werk doen. Zo kwam het dat hij niet wist, wat zijn dochter gedaan had. Hij had te veel werk om op haar te kunnen letten.

De oude koning werd al zieker en zieker en stierf korte tijd daarna. Fan-Kwai volgde zijn vader op. Su-Si dacht: "Nu zal hij wel gauw met mij trouwen." Maar daarin vergiste ze zich toch. Fan-Kwai had al vaak gehoord, dat Su-Si ijdel en hoogmoedig was. Hij wist ook, hoe bang de bedienden voor haar waren. "Ze zou toch geen goede koningin zijn," dacht hij. En toen deed hij iets dat iedereen verbaasde.

Hij zei: "Ik wil trouwen met het meisje dat het mooiste spinnen en weven kan. Over een maand zal ik een feest geven. Het meisje dat het fijnste gewaad draagt, wordt mijn vrouw." Door het hele land liet hij deze boodschap bekend maken.

Natuurlijk wilden alle meisjes wel meedoen aan deze wedstrijd. Maar Su-Si was woedend. Ze begreep wel, dat ze nu heel weinig kans had om koningin te worden, want van spinnen of weven had ze geen verstand. Wat was ze teleurgesteld!

Daar zag ze Lo-An, de dochter van de tuinman lopen. Ze kende het meisje wel. Lo-An stond overal bekend, dat ze zo mooi kon spinnen en weven. Ineens kreeg Su-Si een slimme gedachte. Ze liet Lo-An bij zich komen en zei: "Zou je graag willen dat ik je vader vrijliet?"
Het arme meisje wist niet wat ze hoorde. Met bevende stem antwoordde ze: "O, ja, laat u hem alstublieft vrij."

"Luister dan," ging Su-Si door, "Je moet een heel fijn kleed voor me weven. Dat zal ik dragen op het feest, dat onze jonge koning geeft, de volgende maand. Als hij dan mijn gewaad het mooiste vindt, zal ik je vader vrijlaten. Ga nu maar naar huis en doe je uiterste best." En met deze woorden stuurde ze het meisje weg.

Lo-An was eerst blij. Maar spoedig werd ze weer treurig. Er waren in het land zo veel meisjes, die goed konden spinnen en weven. Ze zou dus maar een kleine kans hebben, om de wedstrijd te winnen. Toch mocht ze die kans niet voorbij laten gaan. Ze begon dus te spinnen en deed haar uiterste best. Het draadje moest natuurlijk erg dun zijn. Maar daardoor brak het telkens af. Zo kwam het, dat het werk bijna niet opschoot. Als ze de draad dikker maakte, zou ze veel vlugger kunnen werken. Maar dan zou het weefsel natuurlijk ook veel grover worden.

Zo ging de tijd voorbij en over enkele dagen zou het feest gehouden worden. En nog steeds had Lo-An niet genoeg garen, om te kunnen weven. Ach, zo zou het gewaad zeker niet op tijd klaar komen. En dus zou haar vader ook niet zijn akelige gevangenis mogen verlaten...

Op een avond was ze zo verdrietig, dat ze niet in slaap kon komen. Ze had de hele dag gesponnen en maar steeds gedacht: "Zou ik mijn lieve vader wel ooit weerzien?"

Ze liep naar buiten en liep een eindje het bos in. De maan scheen en het was erg licht buiten. Terwijl ze in gedachten voortliep, zag ze tussen twee struiken een groot spinnenweb. De draden ervan glinsterden in het maanlicht. Ze keek er een ogenblik naar, toen liep ze er om heen. Ze zou nooit opzettelijk mens of dier verdriet doen. Ze dacht: "Ik wilde, dat ik zulke fijne draadjes kon maken als de spinnen."

"Waarom heb je zo'n verdriet, meisje?" klonk daar opeens een stem. Lo-An schrok. Een oude vrouw stond voor haar. Waar was die zo plotseling vandaan gekomen? De oude vrouw keek haar vriendelijk aan en vroeg: "Wil je me niet zeggen waarom je huilt?"

Snikkend vertelde Lo-An nu, wat er de laatste weken gebeurd was. Toen de oude vrouw alles wist, zei ze: "Veeg die tranen maar van je gezicht, meisje. Ik zal je wel helpen, een gewaad voor de dochter van de minister te maken."

"Wilt u me helpen?" vroeg Lo-An verbaasd. "Maar u kunt me niet helpen. Het gewaad moet over een paar dagen al klaar zijn, en ik heb nog niet eens genoeg garen." En meteen begon ze weer te huilen.

Maar de oude vrouw antwoordde: Ik heb je garen niet nodig, meisje."

Ze ging naar het spinnenweb, maakte voorzichtig een draadje los, en gaf het aan Lo-An. Die keek haar verbaasd aan.

"Ja, ja, je moet die draad opwinden," zei de oude vrouw.

Aarzelend begon Lo-An te winden. De draad brak niet eens af, zoals ze gedacht had. Het web werd ook niet kleiner. Daarvoor zorgden een groot aantal spinnen, die alle snel over het web liepen en voortdurend sponnen. Terwijl Lo-An zo de draad opwond, kreeg ze weer een beetje moed. Ze voelde wel, dat de oude vrouw haar werkelijk wilde helpen.

Eindelijk waren haar armen zo moe geworden, dat zij ze bijna niet meer kon bewegen. Ze had dan ook langer dan een uur gewonden. En toch hield ze nog maar een kleine kluwen in haar hand. Ze keek eens naar de vrouw. "Nu heb je wel genoeg draad," zei die. "We kunnen dus gaan weven. Hier is mijn weefstoel."

Nog nooit had Lo-An zo'n kleine en vreemde weefstoel gezien. De oude vrouw maakte de draad vast aan de spoel en wachtte. De nachtwind stak op en deed de spoel op en neer gaan, al sneller en sneller. Het doek, dat geweven werd, glansde als zijde, maar was veel lichter. Het zweefde in de lucht. Zwijgend keek Lo-An naar dit vreemde schouwspel.

Eindelijk was het garen op. De spoel bewoog niet meer en... de oude vrouw hield een prachtig gewaad in haar hand! Ze zei: "Geef dit aan de dochter van de minister. Ik weet zeker, dat zij het fijnste gewaad zal hebben van alle meisjes, die op het feest komen." Nauwelijks had ze die woorden gezegd, of ze was verdwenen.

Verbaasd keek Lo-An enige tijd in het rond. Toen ze de oude vrouw nergens meer zag, ging ze naar huis. O, wat was ze blij. "Nu zal mijn vader stellig gauw weer bij mij zijn," dacht ze.

De volgende dag ging ze naar het huis van de ministet. "Zo, kom je eindelijk?" vroeg Su-Si onvriendelijk. "Je bent nog net op tijd. Had je je niet een beetje meer kunnen haasten?"

Ze was erg verrast, toen ze het gewaad nauwkeurig bekeek. Ze had natuurlijk ook nog nooit zo'n fijn weefsel gezien. Ze dacht: "Nu word ik zeker koningin!" Maar ze liet niet merken, hoe blij ze was. Ja, ze bedankte Lo-An niet eens en zei kortaf: "Wacht maar, tot het feest voorbij is. Dan zal je wel zien, wat ik doe."

Met een angstig hart ging Lo-An naar haar huisje terug. Wat betekenden die woorden: "Dan zal je wel zien, wat ik doe?"

Ze konden natuurlijk betekenen: "Dan zal ik je vader vrijlaten." Maar waarom was Su-Si dan niet een beetje vriendelijker geweest, toen ze zo'n prachtig kleed kreeg? Hoe meer Lo-An over Su-Si's woorden nadacht, hoe angstiger ze werd.

Eindelijk brak de feestdag aan. Uit alle streken van het land waren meisjes gekomen en ze droegen allemaal de prachtigste kleren. De jonge koning dacht dadelijk: "Hoe moet ik daar nu het mooiste gewaad uit zoeken? Er is immers bijna geen verschil! Want de meisjes hadden zo fijn gesponnen en zo keurig geweven, dat men geen onderscheid kon zien tussen het ene weefsel en het andere.

Maar daar kwam Su-Si de feestzaal binnenstappen. Ze had opzettelijk gewacht, tot de anderen allemaal in de zaal waren. De meisjes keken naar haar... en zwegen. Want met één blik hadden ze gezien, dat ze verloren hadden. Met opgeheven hoofd liep Su-Si naar de jonge koning. Die keek haar verbaasd aan, toen hij haar gewaad zag. "Ik wist niet, dat jij zo mooi kon spinnen en weven," zei hij. "Mijn keus is nu niet moeilijk meer. Jij bent de beste weefster en zult dus mijn vrouw worden." Zijn gezicht stond niet erg vrolijk, toen hij die woorden sprak. Hij vond het helemaal niet prettig, dat hij met haar moest trouwen, want hij wist dat ze lui en hoogmoedig was. Maar ja, hij wilde zijn woord niet breken.

De andere meisjes keken jaloers naar Su-Si. Ze moesten toegeven: haar gewaad was verreweg het mooiste.

"Waar is je kleed toch van gemaakt?" vroeg een der meisjes nieuwsgierig. "De draden zijn net zo fijn als van een spinnenweb."

Wat schrok Su-Si, toen ze die woorden hoorde! Ze begreep, dat haar bedrog gemakkelijk ontdekt kon worden. En wat zou Fan-Kwai zeggen, als hij hoorde, dat Lo-An dit prachtige gewaad had gemaakt? "Misschien trouwt hij dan wel met haar," dacht ze woedend. "Maar dat zal niet gebeuren. Ik ml koningin worden."
Ze deed net, of ze de vraag van het meisje niet gehoord had. Ze wendde zich tot de koning en zei: "Ik wil even naar huis gaan om mijn vader dit blijde nieuws te vertellen." En zonder antwoord af te wachten verliet ze het paleis.

Toen ze thuis gekomen was, riep ze dadelijk een van haar dienaren. Ze beval hem, Lo-An in de kerker bij haar vader te sluiten. En ze dreigde hem met strenge straffen, als hij haar bevel niet onmiddellijk uitvoerde. De dienaar was een slecht mens. Hij aarzelde dan ook geen ogenblik, maar spoedde zich naar het huisje van de tuinman. Op norse toon zei hij tegen de verschrikte Lo-An, dat ze hem moest volgen. Hij bracht haar naar het huis van de minister en sloot haar bij haar vader in de onderaardse kerker op. Vervolgens ging hij naar Su-Si en deelde haar mede, dat haar bevel uitgevoerd was. Su-Si gaf de slecht-aard een beloning en keerde naar het paleis terug. Ze meende, dat ze nu onbezorgd kon gaan feestvieren.

Opgewekt stapte ze de grote zaal binnen. Dadelijk kwamen de andere meisjes rond haar staan, om haar gewaad nog eens van dichtbij te bewonderen. Wat voelde Su-Si zich trots en gelukkig."

Maar opeens zei een van de meisjes: "Kijk, daar loopt een spin vlak bij je hals!" En werkelijk, Su-Si voelde een eigenaardig gekriebel. Vlug pakte ze de spin en wierp het diertje nijdig op de grond.

Maar dat hielp weinig, want van alle kanten kwamen spinnen aanlopen. Kleine en grote, meer dan honderd! De diertjes begonnen aan de draden van Su-Si's japon te trekken. Al gauw kwamen daar gaatjes in, die steeds groter werden. Het was duidelijk: iedere spin nam de draad terug, die hij geleverd had!

Beschaamd vluchtte Su-Si naar huis om zich te verkleden. Het gewaad, dat ze nu aantrok, was gemaakt van fijne zijde. Maar hoe grof en zwaar was het, vergeleken bij het kleed, waarvan de spinnen nu de laatste draden weghaalden! Natuurlijk durfde Su-Si niet naar het paleis terug te keren. Maar het duurde niet lang, of een boodschapper kwam haar zeggen, dat de koning haar wenste te spreken. Nu moest ze wel naar het paleis gaan.

Wat schaamde ze zich, toen ze de zaal weer binnenstapte! Alle meisjes keken haar wantrouwend aan. De koning nam haar mee naar zijn kamer en ondervroeg haar streng. Al spoedig wist hij de hele waarheid. Wat was hij boos, toen hij hoorde, dat Lo-An en haar vader in de gevangenis zaten!

"Schaam je je niet onschuldige mensen zo zwaar te straffen?" riep hij uit. "Ze moeten dadelijk bij me komen."

De tuinman en zijn dochter zaten treurig bij elkaar in de gevangenis. Ze dachten, dat ze tot hun dood toe in het akelige hol moesten blijven. Daar ging de deur open. Een dienaar verscheen en zei vriendelijk: "Ga met me mee, onze jonge koning wil jullie spreken. Wees maar niet bang. Ik geloof stellig, dat jullie vrijgelaten zullen worden."

Dat bleek ook zo te zijn. De jonge koning liet Lo-An vertellen, wat er gebeurd was. Daarna zei hij: "Je hebt Su-Si geholpen om mij te bedriegen. Dat was verkeerd van je. Maar je deed het uit liefde voor je vader, die onschuldig in de gevangenis zat. Ik zal je dus graag vergeven. En omdat jij het mooiste gewaad geweven hebt, vraag ik jou, of je mijn vrouw wilt worden."

En terwijl hij dit zei, keken zijn ogen heel vriendelijk naar Lo-An. Hij kende haar wel. En nu hij wist, wat ze voor haar vader gedaan had, was hij dadelijk van haar gaan houden.

Lo-An wist niet, wat ze op die vraag moest antwoorden. Ze dacht, dat de jonge koning haar voor de gek hield. Dat begreep Fan-Kwai wel en daarom liet hij haar eerst rustig met haar vader naar huis gaan. Maar na een paar dagen bezocht hij haar en vroeg haar weer ten huwelijk. En nadat Lo-An lang geaarzeld had, stemde ze eindelijk toe.

Toen ze trouwden, gaf Fan-Kwai een prachtig feest. En alle mensen van het rijk waren blij, dat de jonge koning met de eenvoudige tuinmansdochter trouwde, en niet met de trotse Su-Si. Die begreep wel dat ze erg gehaat werd. Daarom vluchtte ze naar een ander land en ging daar wonen. Niemand heeft ooit meer iets van haar vernomen.


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

Herkomst: Cambodja
Verteltijd: ca. 26 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook