Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 11 min.
Herkomst:

Het zuiderkruis en zilver op het water Een sprookje van de Guarayu-Indianen (Bolivia)

Sinds oeroude tijden stralen aan de horizon de sterren van het zuiderkruis, zodat de schepen 's nachts hun weg kunnen vinden. Maar wie weet dat, zolang het dag is, op een van de sterren van dit sterrenbeeld een wondermooie bloem bloeit waarvan de bloembladeren aan de randen als zilver glanzen. De Indianen noemen de bloem Irupe - zilver op het water, en ze vertellen elkaar ook, hoe hij is ontstaan.

Aan de oever van een brede rivier, juist daar, waar hij in het meer uitloopt, woonde een Indianenstam. De rivier was niet diep en toch schonk hij iedereen een rijke visvangst. Maar op een bepaalde plaats kwamen de Indianen niet, want daar woonde in een hol de boze toverkol Gentsera en wie in haar netten kwam, keerde nooit meer terug.

In het dorp aan de oever van de rivier woonde ook de mooie Moroti. Ze was de enige dochter van het opperhoofd en daarom vervulde hij al haar wensen.

Toen Moroti volwassen was, kwamen er veel minnaars uit de verre omtrek naar haar toe. Maar ze moesten al gauw inzien, dat het meisje de spot met hen dreef en hen uitlachte. Dan maakten ze toch liever een meisje het hof dat hen serieus nam. Maar één, Pita, verliet de dochter van het opperhoofd niet. Hij bleef en las iedere wens uit haar ogen.

Hij lette niet op het geplaag van de mensen uit het dorp, hij bracht Moroti iedere dag de mooiste bloemen en toen hij eens hoorde dat de vrouwen in het noorden armbanden van puur goud droegen, ging hij dadelijk op weg om voor de dochter van het opperhoofd ook zo'n armband te halen.

Een heel jaar was hij onderweg en hij beleefde veel avonturen, totdat hij eindelijk een prachtige gouden armband vond en daarmee naar haar huis, in het dorp aan de rivier terug kwam.

Maar wat deed Moroti? Ze keek naar de armband, draaide hem rond om haar pols, zodat de andere meisjes van jaloersheid verkleurden en zei toen tegen Pita: "Ik wil wel eens weten waarom je zo lang bent weg gebleven. Als je je moed en je liefde wilt bewijzen geef ik je wel een opdracht."

"Ik doe, wat je maar wilt," antwoordde Pita.

Het meisje lachte, riep haar vriendinnen en verklaarde: "Pita zegt dat hij iedere opdracht vervult... Ik heb een hele moeilijke opdracht bedacht en als hij die volbrengt, trouw ik met hem." Ze probeerden allemaal te raden wat Moroti bedacht had, maar het meisje bracht ze naar de rivier. En daar op de plaats waar het hol van de toverkol Gentsera was, bleef Moroti staan - daar deed ze de gouden armband van haar arm, gooide hem in het water en zei: "Breng hem terug Pita, zodat ik weet dat je niet laf bent!"

Voordat het iemand lukte de jongen tegen te houden, sprong hij in de rivier, waar het water zich over hem sloot.

"Laten we afwachten of hij Gentsera kan overwinnen," zei Moroti lachend, maar al gauw week de lach van haar lippen.

Pita bleef weg, de minuten regen zich aaneen en werden uren en het begon al donker te worden.

De meisjes gingen terug naar het dorp, alleen de dochter van het opperhoofd bleef aan de oever achter. Nu pas besefte ze hoeveel ze van Pita hield en ze huilde bittere tranen. Haar tranen vielen in het water en lichtten op als zilveren vonken.

Dan ging het water uit elkaar en het meisje kon diep beneden de grond zien. Daar zat Pita en strekte zijn handen naar haar uit. Hij was aan een rots vastgemaakt en als een donkere schaduw danste de toverkol om hem heen.

"Ik kom, mijn liefste, ik bevrijd je!" riep Moroti en sprong in de armen van de jongeman. Op het water bleven haar tranen achter.

Toen Moroti de volgende morgen nog steeds niet in het dorp terug was en het opperhoofd hoorde wat er was gebeurd, ging hij naar de rivier. Zijn dochter was nergens te zien maar op het water bloeiden bloemen, die hij nooit tevoren gezien had - bloemen waarvan de bloembladeren aan de randen glansden als zilver.

"Pita en uw dochter Moroti leven in het water. Door hun liefde is hier vannacht de bloem Irupe gaan bloeien, opperhoofd." Het was de oude sjamaan uit het dorp die had gesproken. Hij legde een hand op de schouder van het opperhoofd en vervolgde: "Gentsera houdt ze allebei in haar hol gevangen en ze zal ze vrijwillig nooit laten gaan."

"Dan zal ik voor ze vechten!" riep het opperhoofd en draaide zich om. Maar de sjamaan schudde zijn hoofd.

"Als u in het water zou springen, heeft Gentsera ook macht over u, daarom geef ik u een andere raad. Vele mijlen van hier ligt in de zee een klein eiland. Daar rust Gentsera vaak uit en daar kan u met haar vechten, omdat haar kracht op het vasteland niet groter is dan die van een Indiaan."

"Zeg me, waar dat eiland ligt!" riep het opperhoofd.

"Je boot zal je er heen brengen, maar vergeet niet, dat de toverkol het water nooit verlaat zonder haar lans uit walvisbot. Ik geef je er net zo een - verdedig je daarmee!"

Het opperhoofd bedankte de sjamaan. Daarna liep hij een stukje langs de rivier, klom in zijn boot en stootte hem van de oever. De golven speelden met de boot alsof het een eierschaal was, maar hij stuurde onbeschadigd verder.

Eindelijk, op een nacht, bereikten ze het eiland. Het opperhoofd sprong met de lans in de hand aan land en Gentsera - die de boot op het water al lang had ontdekt, riep met krijsende stem: "Daar ben je dan eindelijk Tacu, ik verheug me er nu al op, dat jij straks ook voor eeuwig in mijn hol zult zitten."

Dan lichtte het in het duister en het opperhoofd zag, hoe een lange, witte lans op hem af kwam. Hij hanteerde zijn wapen, maar de witte lans sloeg hem de zijne uit zijn handen. Beide lansen werden echter ogenblikkelijk als door een onzichtbare kracht opgetild en meegedragen, in de nachtelijke hemel omhoog. Tacu merkte het niet want Gentsera stortte zich met een schelle kreet op hem.

De hele nacht vochten de toverkol en het opperhoofd op leven en dood. Beiden verloren meer en meer hun krachten en toen de dag aanbrak, lieten Gentsera en de dappere Tacu hun leven.

Korte tijd later liep de oude sjamaan naar de rivier, naar de plaats waar hij wist dat Gentsera's hol moest zijn. Het water was rustig, maar toen de bloemen van de Irupe zich sloten, zodat ze er weer als tranen uitzagen, verhief zich een hoge, grote golf. Ze sloeg over en spoelde voor de voeten van de sjamaan. Uit de golf kwamen Moroti en Pita te voorschijn.

"Je hebt ons bevrijd!" riep Moroti, gelukkig en mooier dan ooit.

"Ik niet, maar je vader, de dappere Tacu deed het," zei de sjamaan en toen vertelde hij, dat hij het opperhoofd had aangeraden met zijn boot naar Gentsera te varen.

"Wat is er verder gebeurd?" wilde Pita weten.

"Ik weet het niet, maar kijk eens naar die gekruiste lansen aan de hemel. De langste is van Gentsera en de korte van Tacu. De lansen aan de hemel tonen dat er gevochten is en jullie zijn het bewijs dat het opperhoofd de toverkol heeft overwonnen!"

Aldus is het verhaal dat de Indianen vertellen over de mooie bloem Irupe en over het zuiderkruis, dat ze de naam gekruiste lansen gaven.


*   *   *

Het zuiderkruis en zilver op het water Samenvatting
Een sprookje van de Guarayu-Indianen (Bolivia). De dochter van het opperhoofd geeft haar minnaar - om zijn moed te laten bewijzen - de opdracht een gouden armband uit de handen van een heks te halen die in de rivier woont. Onder water wordt hij gevangen genomen door de toverkol. Dan bedenkt het meisje hoeveel ze van hem houdt en wat ze gedaan heeft en springt ze achter hem aan... Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika" door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5

Herkomst: Bolivia
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook