Waardeert u deze website? Overweeg eens een kleine donatie. NL 41 TRIO 0197784240

Leeftijd:
Verteltijd: ca. 19 min.
Herkomst:

Old Minneke


Old Minneke is een heks die jonge boerenzoons verleidt: als ze met haar slapen krijgen ze zoveel goud als ze maar willen. Alle mannen zijn in haar macht, alleen één jongen weet hoe hij uit de handen van Old Minneke moet blijven. Wanneer hij echter verliefd wordt op een rijke boerendochter, heeft hij veel goud nodig om met haar te kunnen trouwen. Hij besluit een gok te wagen...
Op de diepste plek in het Numendal (nabij Holterberg) heeft de heks Old Minneke haar heksenkuil gehad. Als je van die plek gaat gillen en schreeuwen, hoort niemand je.

Old Minneke was een vrouwtje dat bijzonder minziek was, maar ook bijzonder lelijk. Ze was met bovennatuurlijke macht begiftigd en had het vooral op jonge boerenzoons begrepen. Wanneer deze met haar het hol betraden, konden ze daaruit terugkeren met zoveel goud als ze maar konden dragen. Ze bleven echter in de macht van de heks; elke week moesten ze één nacht met haar in het hol doorbrengen.

Old Minneke
In de omgeving van de heksenkuil - een paar honderd meter er vandaan - had je De Vlishoek. En daar woonden wat keuterboertjes, arme boertjes. En één van die mensen die daar woonden, was Gait. Die woonde bij zijn vader en moeder. Zijn vader had Gait al geleerd wat hij moest doen als Old Minneke in de buurt kwam. Dan moest hij namelijk een cirkel om zich heen trekken en zeggen:
"Old Minneke, Old Minneke,
Met oe gao ik neet met,
ik heb mien zinnen en minnen
op een ander mèken ezet."
Dat was belangrijk, dat had hij van zijn vader geleerd. En zo kon Old Minneke nooit bij hem komen. Hij had dit van zijn vader geleerd, van vader op zoon, want die vader zei: "Je kunt beter arm en gelukkig zijn, dan rijk en ongelukkig. Dus dat goud van Old Minneke dat hebben wij niet nodig." En zo bleef het en Gait dacht: ik ben gelukkig en ik ken mijn cirkel en ik weet:
"Old Minneke, Old Minneke,
Met oe gao ik neet met,
ik heb mien zinnen en minnen
op een ander mèken ezet."
En op een goeie dag liep Gait door het bos naar het dorp om boodschappen te doen. Hij liep te fluiten, het was mooi weer, het was in het voorjaar. En op een gegeven moment komt hij een jongedame tegen. En die jongedame die heet Golida. En Golida is de dochter van de rijkste boer uit de omgeving. Hij had wel eens van haar gehoord maar ze kenden elkaar niet. En die twee raakten heel gezellig aan de praat en Gait had nooit gedacht dat hij zo leuk met een meisje kon praten als met Golida. Ze voelden zich enorm bij elkaar thuis. En ze deden hun boodschappen en ze rustten nog wat uit bij het beekje, dat klaterde in het voorjaar. En Gait die mocht Golida heel graag en hij dacht: ik breng haar meteen naar huis. En heel gezellig samen op die lentedag, bracht Gait Golida naar die rijke boerderij.

Maar hij kwam het erf nog niet op of twee grote zwarte honden kwamen aangedraafd en die lieten hun tanden zien. En daar kwam de vader van Golida aan, een grote donkere kerel met koolzwarte ogen en een grote bruine knuppel in zijn vuist. En het eerste wat hij tegen Gait zei: "Jij mannetje, arm keuterboertje, denk maar niet dat je mijn dochter kunt krijgen! Dan moet je eerst een kruiwagen vol met goud meenemen. Dan pas kun je mijn dochter krijgen! En nou opgehoepeld jij!"

En Gait keek nog om zich heen, maar Golida was al weggevlucht. En hij droop af en ging naar huis. Maar hij kwam in een rotbui thuis, dat kun je je wel voorstellen.

En het ging niet over. Zijn vader en moeder vroegen nog: "Wat is er met jou aan de hand?" - "Ja niks, ik heb een beetje buikpijn." Maar hij dacht natuurlijk dag en nacht aan het meisje waar hij verliefd op was geworden.

En toen begon hij te twijfelen. Toen dacht hij: "Hoe kan ik aan dat goud komen?" En het was net alsof Old Minneke dat rook, dat hij aan het twijfelen was. Dus zij kwam in de buurt en zei: "Hé Gait, ik heb hier een boel goud voor je. Want ik weet dat je graag wil trouwen. Kun je dat niet goed gebruiken?"

"Nee," zei Gait, "ik hou je op afstand, want dat goud van jou dat wil ik niet. Want dan wil je me helemaal!"

"Ach, dat zijn maar verhaaltjes," zei Old Minneke.

En ik zal je vertellen hoe ze eruit zag, Old Minneke. Ze had helemaal een kale kop, met een paar van die grote wratten met haren. En ze had ook helemaal geen wenkbrauwen. En de plaats van haar neus was een groot zwart gat. En het allerergste was haar mond, of haar muil zou je haast kunnen zeggen. Ze had een paar rotte tanden en hier opzij had ze twee gele giftanden. En als ze dan een jongeman achterna zat, dan kwamen er uit die giftanden druppeltjes gif. En over haar klauwen heb ik het al gehad, hè? Die enorme sterke klauwen met die zwarte nagels. Zo zag ze eruit en verder had ze een zwarte mantel aan.

Maar na een paar keer, toen het maar niet ophield, toen besloot Gait toch om voor die ene keer dan zich door Old Minneke te laten vangen. En hij liep door het bos en plotseling kwam Old Minneke er aan. Hij was te laat om zich te verdedigen. En hij was ook al in het gebied van Old Minneke, in het Numendal en daar werkte de cirkel en de spreuk niet meer. En toen hij de angst te moede was, toen schopte hij met zijn klomp een bult zand in het gezicht van Old Minneke en Old Minneke was eventjes helemaal van slag. En daar rende Gait en hij rende naar de IJssel. Hij had zijn klompen uitgegooid en hij wilde proberen de Wilgenman te bereiken. Want die Wilgenman was de enige man in de buurt die Old Minneke aankon. Die Wilgenman was het tegendeel van Old Minneke. Hij was een man en woonde in het vruchtbare gebied van de IJssel, hij was groot en hij was sterk en in zijn territorium kon hij Old Minneke de baas. Maar Old Minneke die kwam nooit op zijn gebied, daar was ze te bang voor. En van een afstandje daagde ze de Wilgenman uit. En de Wilgenman hoorde in de verte al eeuwenlang het gekerm van boerenzoons die door Old Minneke te pakken waren genomen, maar hij kon er niets aan doen.

Maar Gait liep dus in de richting van de Wilgenman, maar hij was nog niet halverwege of Old Minneke die kwam achter hem aan als een donderwolk met bliksemflitsen en gedonder. En daar struikelde Gait en Old Minneke die pakte hem in zijn vlees met die zwarte nagels. En ze hield hem boven haar hoofd en ze vloog naar huis en in een mum van tijd, lag Gait hier in haar heksenkuil.

Het was een soort aanranding eigenlijk, maar waar het Old Minneke om ging – en dat weet ik zelf heel goed hoe belangrijk dat is. Het ging Old Minneke om de ziel van die jongeman. Want in de ziel van de man, in de ziel van de mens, daar zit je levensenergie. En Old Minneke wilde die levensenergie van die jonge boerenzoons hebben. En als je hem kwijt bent dan ben je op den duur ten dode opgeschreven.

En de volgende dag kwam Gait bij positieven, die vond zichzelf gewond en wel onderin die heksenkuil, maar er lag wel een hele stapel goud. En hij dacht bij zichzelf: "Nou ja, ze hebben me te grazen gehad, maar dat goud neem ik mooi mee." Hij ging even langs huis, hij knapte zich op en toen bracht hij het goud in een kruiwagen - met een doek er over heen, natuurlijk - naar Golida toe. Golida was blij dat ze hem aan zag komen. En Golida was echt zo'n lief onschuldig aardig boerenmeisje. Er zat helemaal geen kwaad in, alleen maar levenslust en vrolijkheid.

En Gait ging mee naar de kamer van haar vader. En daar legde hij het goud op tafel. En toen zei de vader: "Heel goed! Dus jij bent ook bij Old Minneke geweest? Daar wil ik het verder met jou niet over hebben. Maar wat zijn de verplichtingen?"

"Nou," zegt Gait, "één keer in de week, op woensdag, moet ik naar haar toe, tussen de zondagen door."

Binnen een week was de bruiloft geregeld. Er kwamen edellieden en rijk mensen van heinde en ver. Het was een groot feest, alleen de mensen die schaterden en die lachten zo gek. Het was net of er een duivelse lach over alles heerste. Maar er werd gedanst en feestgevierd met lekker eten en drinken. En rijk hè? Die boer liet eens even aan de buurt zien hoe rijk hij wel niet was.

Daarna gingen Golida en Gait rustig wonen in een hoekje van de boerderij van de rijke vader. Maar Gait... die was niet meer de Gait van vroeger. Hij was niet meer vrolijk, hij was niet meer blij en opgeruimd. Hij was chagrijnig, droefgeestig en hij zat maar in zijn hoekje. En één keer in de week, ging hij naar de heksenkuil. En hij kwam daar altijd ellendig van terug. "Waar ga je toch naar toe?" vroeg Golida. "Ja, mijn vader is ziek. Ik ga, euh... hem even helpen." - "Zal ik met je meegaan?" - "Nee, ik ga alleen." Nou en toen moest hij zich elke keer door Old Minneke laten pakken, één keer in de week.

Golida kreeg dat in de gaten. Nu begreep ze en ze zei: "Gait, hoe heb je dat kunnen doen? Dat had je nooit mogen doen!" Maar Gait zei: "Ja, maar anders had ik jou nooit kunnen trouwen. Dan had ik nooit goud gehad. Dan had je vader me jou niet gegeven."

En Golida was helemaal terneergeslagen. En droevig liep ze rond en ten einde raad ging ze naar de Wilgenman om raad te vragen. En die wijze Wilgenman zei: "Golida, als jij nu kunt zorgen, dat die heks bij mij in het territorium komt, dan kan ik haar de baas. Dan gooi ik haar in de IJssel en einde verhaal." En Golida die hield zo veel van Gait, die had het er voor over. Ze verkleedde zich als man: zwarte hoed, zwarte mantel en ze liep over de hei en ze liep zo in het rond van: "Old Minneke die kan me toch niet krijgen. Ik kan toch veel harder lopen." Nou dat was natuurlijk een kolfje naar de hand van Old Minneke, want ze deed niets liever dan achter die jonge boerenzoons aan zitten in de heksenjacht. En ze was toch al op die Gait uitgekeken, dus daar ging ze... als een donderwolk! En Golida die rende en die rende. En ze rende harder dan Gait of welke jongen dan ook! En ze rende richting de Wilgenman en in de verte zag ze de beuk al staan, die precies op de grens stond van het terrein van Old Minneke en het territorium van de Wilgenman.

En een keer greep Old Minneke haar met de klauwen bij de mantel, maar ze wist net die mantel nog af te werpen en te ontsnappen. En daar in één keer, sprong ze over de sloot op het terrein van de Wilgenman. En Old Minneke - door het dolle heen, met bloeddoorlopen ogen, en het gif liep haar uit de muil - lette niet op en ze sprong ook over die sloot. En daar was de Wilgenman en die pakte haar met zijn reusachtige handen en hij hief haar boven zijn enorme lijf en hoofd. En hij stapte naar de IJssel en hij smeet haar middenin de rivier. En het water van de IJssel kolkte en schuimde en gele zwaveldampen stegen op. Maar ze kwam nooit mee boven en de IJssel heeft Old Minneke naar de zee gebracht en daar is ze door de haaien opgepeuzeld. En dat was het einde van Old Minneke.

Golida ging naar huis en zag daar Gait op het krukje voor de deur zitten en - zowaar - hij had een glimlach om zijn mond. De ziel die was weer terug gevlogen en ze waren allebei doodmoe, maar wel heel blij. En ze besloten om een nieuw huisje te bouwen, samen. Ook niet meer bij die vader. En dat nieuwe huisje werd hier vlakbij gebouwd, vlakbij het Numendal. En als er dan nog eens mensen bij hun kwamen die zeiden: "Is dat dat dan niet gevaarlijk? In die heksenkuil?" Dan zeiden ze: "Nee, kijk maar. Dit is een heel gelukkige plek. We hebben hier kinderen gekregen. We hebben een paar kippen en koeien en hier in de kuil is niemendal geen kwaad meer. Er is niks meer, niemendal meer aan de hand, geen heks meer." En daarom heet het hier nog altijd het Numendal.


*   *   *


Toelichting

Bron
Verteld door Paul Akkerman voor het project Nederlandse gemeenten en hun sagen, gedeeltelijk bewerkt door de redactie.

Lees ook