Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 16 min.
Herkomst:




Pegasus Een Griekse mythe over het gevleugelde paard

PegasusPegasus was een prachtig, sneeuwwit, schuw paard, met heel grote vleugels als van een vogel, en hij kon vliegen. In een tijd, lang geleden, toen de goden nog op aarde leefden, zwierf hij vrij rond in het land van de Grieken. Niemand had hem ooit bereden. Niemand was ooit dichtbij genoeg geweest om hem aan te raken, totdat een zekere jonge prins het geheim leerde kennen hoe dit prachtige, gevleugelde paard getemd kon worden.

Deze prins heette Bellerophon en natuurlijk was hij een knappe, levenslustige, stoutmoedige prins, die hield van reizen en avontuur. Maar zonder fouten was hij niet. Wie wel? Het probleem was, dat prins Bellerophon nogal een hoge dunk had van zichzelf en vond dat hij alles kon. Eigenlijk was hij een beetje een opschepper!

Op zijn reizen had de prins gehoord van koning Iobates, die regeerde over een land dat Lycië heette, ten noorden van Griekenland. Deze koning was rijk, bovendien had hij een beeldschone dochter en hij had gezworen dat zij zou trouwen met degene die in staat was een heel verschrikkelijk, woest, driekoppig monster te doden, dat vuurspuwend en alles vernietigend het land onveilig maakte.

Ik ga naar Lycië, dacht prins Bellerophon, en wel meteen. En hij ging.

Toen de prins aankwam werd hij welkom geheten door koning Iobates en uitgenodigd voor een feest waar over niets anders gepraat werd dan over het driekoppige monster. Nergens anders over.

Het monster werd de Chimaera genoemd, en het zag er dan ook raar uit. Vooraan zijn lijf had hij een leeuwenkop, uit het midden groeide een geitenkop en op de plek waar zijn staart hoorde te zitten zat een lange, kronkelende slang. Hij had poten en klauwen als een leeuw, maar het ruige lichaam van een geit. Het griezeligste was, dat het monster uit elk van zijn drie muilen vurige vlammen blies, en stinkende, giftige smook.

"Waar het monster maar komt veroorzaakt het brand en verwoesting," zei de koning. "Mijn dapperste helden hebben er op gejaagd maar geen is teruggekeerd. Het is onmogelijk om de Chimaera te doden!"

"Er moet toch een manier zijn..." mompelde Bellerophon, half in zichzelf. "Het moet mogelijk zijn."

Dat beviel de koning maar matig.

"Zo, mooie prins, dus jij zult er wel eens voor zorgen dat wij dat monster kwijtraken!" zei hij. "Goed! Kom maar weer terug als je het voor elkaar hebt!"

En Bellerophon, de trotse jongeman, keek de koning recht aan en zei: "Ik zal het proberen!"

Die nacht lag Bellerophon wakker en probeerde een manier te bedenken om de Chimaera te doden. Als ik er maar van bovenaf op kon schieten, met pijlen, dacht hij, en zelf net buiten bereik van die helse vlammen en die dodelijke adem blijven. Kon ik maar vliegen... En toen dacht hij aan Pegasus. Ik moet het gevleugelde paard zien te vinden. Hem vangen en temmen.

Nu geloofde Bellerophon net als iedereen, dat het gevleugelde paard aan de goden toebehoorde. Dus nam hij zijn boog en zijn pijlen, ging scheep en zeilde naar Griekenland. Toen hij aankwam ging hij naar de tempel van de godin Athene en bad haar om hulp.

De prins was moe, dus terwijl hij wachtte op een boodschap van de godin ging hij liggen en viel vlak voor het ochtendgloren in slaap. Toen droomde hij, dat een slanke, in het wit geklede vrouw naast hem stond. In haar handen hield zij een gouden paardentoom. "Neem deze toom," zei ze. "Hiermee kun je Pegasus temmen. Je zult hem vinden bij de betoverde drinkpoel die hij gemaakt heeft met één stamp van zijn hoef. De poel ligt hoog op de berg Helicon."

Toen de prins wakker werd, zag hij naast zich op de grond een gouden paardentoom liggen. Hij raapte hem op en bekeek hem zorgvuldig en toen ging hij op weg, met zijn boog over zijn schouder en de toom in zijn hand, om de betoverde poel te vinden.

Hij liep en hij liep. Hij kwam bij de berg en beklom de hellingen en ten slotte vond hij een plek waar koel, helder water uit de grond omhoog borrelde en zich verzamelde in een poel in de vorm van een groot hoefijzer.

Een eindje verderop ging prins Bellerophon zitten, leunend tegen de stam van een knoestige oude olijfboom. Hij wachtte, maar Pegasus kwam niet. Het werd donker en weer viel de prins in slaap.

De volgende ochtend werd hij gewekt door het zware geklap wiek van grote vleugels. Hij keek op, en het was alsof er een enorme, sneeuwwitte vogel naar de berg kwam vliegen, met glinsterende, zilvergepunte vleugels. Maar het was geen vogel. Het was Pegasus.

De vleugels sloegen langzamer en in een glijvlucht daalde het prachtige paard naar beneden en kwam neer naast de poel. Hij vouwde zijn vleugels op, neeg zijn mooie, sneeuwwitte hoofd en begon te drinken.

Langzaam kwam de prins overeind en met de toom in de hand liep hij op zijn tenen naar Pegasus. Het paard keek op, brieste luid, stampte met zijn hoeven en spreidde zijn vleugels uit, klaar om weg te vliegen. Maar toen viel zijn blik op de gouden toom. Onmiddellijk vouwde hij zijn vleugels dicht en wachtte, mak als een lam, tot de prins naast hem stond en het gouden bit in zijn bek liet glijden.

De prins streelde de lange witte manen van het paard en beroerde zacht de vleugels met hun zilveren uiteinden. "Pegasus, geweldigste van alle paarden," zei hij, "breng mij naar Lycië en help mij de verschrikkelijke Chimaera te doden!"

De prins legde beide handen tussen de gevouwen vleugels en sprong lichtjes op de rug van het paard. Toen hij zat, nam hij de gouden teugels in zijn hand. "Vlieg nu!" riep hij uit en Pegasus spreidde zijn vleugels, sloeg ze traag op en neer en sprong de lucht in.

Omhoog, omhoog scheerden ze samen en Pegasus vloog sneller en sneller. Wat genoot prins Bellerophon, hoog te paard in de lucht en kijkend naar de wereld beneden hem!

"Dit is de enige goede manier van reizen!" zei hij.

Verder vlogen ze en in een paar uur hadden ze Lycië bereikt. Eerst was het land beneden hen vol kleuren, en vol beweging van mensen en dieren. Er groeiden vruchtbomen en wijnstokken op de heuvelhellingen, er waren helgroene veldjes met groenten, wilde bloemen en korenvelden.

Maar het duurde niet lang of ze kwamen bij een plaats die totaal verwoest was door vuur. Het gras, de bomen, elke plant was zwart. De huizen waren lege, uitgebrande ruïnes. Er waren geen mannen, geen vrouwen, geen kinderen en geen dieren. Alles en iedereen was dood.

Nog vlogen ze verder, uitkijkend naar de Chimaera, tot Bellerophon rook zag opstijgen uit de opening van een grot. "Dat moet de slaapplaats van de Chimaera zijn," zei de prins. "Vlieg naar beneden, dan kunnen we een kijkje nemen."

Luid hinnikend schoot Pegasus omlaag. De Chimaera hoorde het, stiet een lang en luid gebrul uit als van een leeuw en kwam de grot uitdraven. Toen het monster Pegasus en de prins in het oog kreeg, sprong het omhoog en spoot lange, felle vlammen en giftige smook uit zijn drie muilen. De hitte was bijna niet te verdragen en de stank was meer dan afschuwelijk.

Pegasus
Maar prins Bellerophon liet de gouden teugels los, hield het paard met zijn knieën in bedwang, legde een pijl op zijn boog, mikte, schoot... en raakte de Chimaera in zijn leeuwennek. Het monster brulde en braakte nog meer vlammen en smook. De prins kon nog maar nauwelijks ademhalen, en dat zou zijn einde hebben betekend als het wonderbaarlijke paard niet snel opzij en omhoog was gezwenkt tot ze weer in de koele, frisse lucht waren.

Nadat ze allebei een beetje waren bekomen, stuurde de prins Pegasus nog een keer naar beneden, de rook en de vlammen in. Weer mikte de prins, en dit keer schoot hij een pijl in het hart van het monster. Het struikelde, en stuiptrekkend en om en om rollend stortte het monster ter aarde, luid brullend van pijn en razernij.

Toen vlogen paard en ruiter weer omhoog, zweefden in de koele, frisse lucht en wachtten af. Na een poosje werden de vlammen kleiner, de rook begon op te trekken en ze konden zien dat de Chimaera op de grond lag, onbeweeglijk en stil. Het monster was dood.

Liefdevol klopte de prins Pegasus op de nek. "Prachtig paard," zei hij, "onze taak is volbracht; breng me nu maar naar het paleis van koning Iobates." En hij trok de gouden teugels strak en daar gingen ze, hoog door de lucht.

Je kunt je wel voorstellen, dat toen de prins met Pegasus naar het paleis terugkeerde en aan de koning vertelde dat de Chimaera dood was, iedereen zich verheugde en hem gelukwenste en dat er een groot feest werd aangericht om het te vieren. Ze waren allemaal zo blij dat die verschrikkelijke Chimaera dood was en dat de rest van het land voor vernietiging bewaard was gebleven.

En verder? Niet lang daarna trouwde de knappe prins met de enige dochter van de koning en werd hij bovendien erfgenaam van het koninkrijk! En natuurlijk had hij nog steeds de gouden toom in zijn bezit en reed hij dikwijls op het wonderbaarlijke paard Pegasus. En prins Bellerophon was gelukkig.

En dat had het eind van het verhaal moeten zijn. Maar, weet je nog, de prins had altijd nogal een hoge dunk van zichzelf gehad en vond dat hij alles kon. Wel, naarmate de tijd verstreek werd hij een nog grotere opschepper! En dan zei hij: "Wie heeft de Chimaera gedood? Ik! Is er iemand ter wereld die een paard heeft zoals ik? Niemand! Ik ben... als de goden!"

Hij bleef zichzelf maar voorhouden hoe verbluffend knap en belangrijk hij was, tot hij op een dag besloot om de goden een bezoek te brengen in hun aardse verblijf op de berg Olympus. Dus deed hij het paard zijn gouden toom aan, steeg op en beval het naar de Olympus te vliegen.

PegasusPegasus vloog op en ging hoger en hoger. Toen zette hij koers naar de berg Olympus en vloog verder.

Maar voor de goden blijft niets verborgen. En Zeus, de koning van de goden, was boos. "Dus deze trotse jongeman denkt dat hij is als de goden," zei hij.

En hij stuurde een vliegend insect met een heel gemene angel en die stak Pegasus, en Pegasus schrok daar zo van dat hij steigerde en prins Bellerophon afwierp. De prins viel, diep, diep naar beneden tot hij de grond raakte en stierf.

Maar Pegasus zette zijn reis voort. Toen hij ten slotte de Olympus bereikte, heetten de goden hem welkom en Zeus eiste hem op voor zijn eigen speciale doeleinden.

"Pegasus," zei hij, "als ik in de hemel het onweer maak, dan moet jij de donder en de bliksemschichten voor me dragen."

En zo, tot op de huidige dag, doet Pegasus zijn werk voor Zeus. Dus als de donder rolt en de bliksem flitst, kijk dan eens naar de lucht en als je geluk hebt zul je misschien een glimp zien van Pegasus, het gevleugelde paard, dat langs de hemel snelt.


*   *   *

Pegasus Samenvatting
Een Griekse mythe over het gevleugelde paard. Bellerophon gaat naar Lycië om een driekoppig monster, de Chimaera, te verslaan zodat hij mag trouwen met de koningsdochter. Om het te verslaan, moet Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus vangen. Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Mythische dieren uit alle windstreken" naverteld door Margaret Mayo. Uitgeverij Christofoor, Zeist, 1997. ISBN: 90-6238-666-0

Herkomst: Griekenland
Verteltijd: ca. 16 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook