Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:

Tolla Een Marokkaans sprookje over een meisje dat door een ghoel ontvoerd wordt

Er woonde eens in een afgelegen kashba een meisje dat Tolla heette. Van alle meisjes was zij het armste maar ook het mooiste. Iedere morgen verliet Tolla met de andere meisjes de kashba en trok diep de woestijn in op zoek naar struiken. Zij bonden de planten samen in bundels en droegen die op hun hoofd. De blaadjes voerden zij aan de dieren, de takken gebruikten zij om het vuur te stoken.

Op een ochtend vertrok Tolla later dan anders. Haar vriendinnen waren al lang weg en het lukte haar niet hen in te halen. Zij riep, speurde de horizon af, riep nog eens. Niemand antwoordde. Zij was bang om alleen door de woestijn te dwalen en ging maar liever weer naar huis. Op de terugweg vond zij een ijzeren staaf in het zand. Blij raapte zij hem op. Deze staaf zou haar zeker beschermen tegen de djinns en demonen.

Hoe dichter zij bij de kashba kwam hoe groter en zwaarder de staaf werd. Tolla werd bang. Toen eindelijk de kasbah in zicht was glipte hij uit haar handen en voor haar stond een enorme, afschrikwekkende ghoel.

"Je hoeft niet bang te zijn," zei hij, "je kunt naar huis gaan maar beloof mij dat je mij iedere dag op dezelfde tijd een brandend stuk hout zult brengen."

Tolla
Tolla beloofde het en de ghoel verdween. Het meisje haastte zich naar huis en vertelde haar ouders wat zij had meegemaakt. "Doe wat de ghoel je gevraagd heeft," raadden zij haar aan, "anders zal hij zich op ons wreken." En zo ging Tolla iedere dag naar de afgesproken plaats met een brandend stuk hout. De ghoel kwam te voorschijn, strekte zijn enorme arm uit naar Tolla, greep het stuk hout en verdween weer tot de volgende dag.

Op een dag was Tolla onvoorzichtig: zij kwam te dicht bij de schuilplaats van de ghoel. Hij greep haar en hij nam haar ondanks al haar geroep en geschreeuw mee. Tolla wist niet waar de reus haar heen bracht, de hele woestijn gingen zij door. Zij zag niets dan zand en wat struiken en ze huilde van angst. Eindelijk kwamen zij ergens waar het minder kaal was. Rond een bron met helder water groeiden dadel- en vijgenbomen van wel honderd jaar oud. Tussen de bomen stond het huis van de ghoel. Hij nam Tolla mee naar binnen.

"Je zult mijn vrouw zijn," zei hij, "en als ik genoeg van je heb eet ik je op." Dit was het begin van een droevige tijd voor Tolla. Overdag deed zij het huishouden van de ghoel, 's nachts deelde zij zijn bed. Ondertussen zochten haar wanhopige ouders de omgeving van de kasbah naar haar af. Zij vroegen iedereen naar Tolla, maar niemand had het meisje gezien. Zo besloten zij op een dag op reis te gaan om haar verder in de woestijn te zoeken. Zij namen wat proviand mee en trokken bij zonsopgang de woestijn in. Vele dagen liepen zij door het zand in de hete zon. En eindelijk, aan het eind van hun krachten, vonden zij op een avond het huis van de ghoel. De ghoel was op jacht en Tolla zat onder een boom het graan te malen dat nodig was voor het avondeten. De ouders konden hun geluk niet op toen zij hun dochter zagen. Maar snel maakte de vreugde plaats voor bezorgdheid: de ghoel kon ieder moment terugkomen van de jacht, er was geen tijd meer om te vluchten. Tolla nam snel een besluit: in de keuken was een ruimte waar de ghoel het graan bewaarde. Zij verborg haar ouders daar voor de nacht, en zei tegen haar moeder: "Geef mij de schaar die je altijd bij je draagt. Als de ghoel slaapt knip ik mijn haren af en vlucht." Zij verborg de schaar in haar kleren.

Tolla had lang zwart haar en de reus had de gewoonte op de helft daarvan te slapen en zich te bedekken met de andere helft. Zo was Tolla zijn gevangene als hij sliep. Terwijl Tolla die avond het eten klaarmaakte was zij opgewekter dan anders. Zij zette de pan op het vuur en kneedde het deeg voor een koek. De ghoel, terug van de jacht, was gaan zitten zonder een woord te zeggen en wachtte tot hij bediend zou worden. In de stilte begon de pan te zingen: "Htar htar rah l'arbi taht l'kasriya. - Htar htar de Arabier zit in het meelhok."

De reus richtte zich op, snoof, en met een achterdochtige blik naar Tolla zei hij: "Het ruikt hier naar mensenvlees." De schrik sloeg het meisje om het hart. Angstig vroeg zij zich af hoe de ghoel zich zou wreken als hij ontdekte dat zij haar ouders in het hok verborgen had. In de hoop het monster milder te stemmen greep zij naar het wapen van de vrouwen: zij begon te huilen. "Die pan is gek, hij weet niet wat hij zegt. Er is hier niemand geweest, jij weet best dat hier nooit iemand komt." Maar de pan ging door met zingen: "Htar... htar... de Arabier zit in het meelhok."

Radeloos van angst verloor Tolla haar zelfbeheersing. Om een eind te maken aan het geklets van de pan greep zij hem, gooide de inhoud in een knoucha (soort pot) die zijn mond hield en smeet de pan weg zo ver zij kon.

Opgelucht ging zij verder met de voorbereiding van het eten en even later zette zij de reus een maaltijd voor die hij gulzig opat. Zodra hij klaar was nam hij Tolla mee naar de slaapkamer en zoals altijd ging hij liggen op de helft van haar haar en gebruikte de andere helft als deken.

Tolla bewoog niet en zorgde ervoor dat zij niet in slaap viel. Geduldig wachtte zij tot de reus sliep. Zijn ogen werden rood als gloeiende kolen, uit zijn buik kwam het geluid van hinnikende paarden, mekkerende schapen, loeiende koeien, dieren die hij die dag verslonden had. Nu wist zij dat hij sliep en dat zij rustig haar gang kon gaan. Zij zorgde ervoor dat de ghoel niet wakker zou worden en voorzichtig knipte zij haar haar af. Toen zij zich bevrijd had, nam zij wat toverpoeder dat de reus in een kistje bewaarde en ging naar haar ouders. Met z'n drieën slopen zij het huis uit en vluchtten.

In zijn slaap merkte de reus dat Tolla niet meer naast hem lag en hij werd wakker. Hij zag de afgeknipte haren, stormde naar buiten en met grote passen zette hij de achtervolging in. Met een paar enorme sprongen was hij ze op het spoor. Brullend van woede wilde hij ze pakken maar op dat moment strooide Tolla het toverpoeder over hem heen. Onmiddellijk stak er een enorme storm op, de reus werd verblind door zand en bliksem en meegevoerd door de windvlagen. Hij kon een storm die hij niet zelf had opgeroepen niet stoppen en zo moest hij de achtervolging staken en weer naar huis gaan.

Terwijl de ghoel worstelde met de storm liepen Tolla en haar ouders verder. Na een paar dagen vonden zij de kasbah weer. Om de gelukkige afloop van hun avontuur te vieren en God daarvoor te danken organiseerden zij een groot feest. Zij nodigden alle talebs uit voor de couscous. Om beurten droegen de talebs hoofdstukken van de Koran voor.

De volgende dag werden familie en vrienden uitgenodigd.

Onder de gasten bevond zich een neef van Tolla die onder de indruk was van wat het meisje was overkomen. Bovendien viel het hem op hoe mooi zij was. Hij vroeg haar ten huwelijk om haar zoals hij zei te kunnen beschermen tegen de ghoel die zeker terug zou komen. Tolla zei 'ja' en nam haar gewone leven weer op met haar ouders en vriendinnen.

Toen zij op een morgen de was te drogen legde werd zij geroepen en ze herkende de schorre en smekende stem die zei: "Tolla attini machhab - geef mij een brandend stuk hout."

De ghoel was teruggekomen en vroeg net als vroeger om een stuk hout. Om zijn woede niet op te wekken stemde Tolla toe en beloofde hem te brengen wat hij vroeg.

En zo begon alles weer van voren af aan: iedere ochtend ging Tolla naar de afgesproken plaats met een stuk hout. En iedere dag strekte de ghoel zijn arm zo ver hij kon, greep het hout en verdween weer tot de volgende dag. Soms probeerde hij ook Tolla te grijpen maar het meisje was op haar hoede. Sinds de ghoel weer terug was, was iedereen bezorgd en zocht naar een manier Tolla voor altijd van hem te bevrijden. Op een dag besloot haar aanstaande echtgenoot een list te gebruiken. Op de plaats, vlakbij het huis, waar de ghoel iedere dag zijn stuk hout kwam halen groef hij een diepe kuil waarin hij een vuur aanstak. Het gat verborg hij zorgvuldig onder takken en bladeren. Iedereen wachtte op het volgende bezoek van de reus.

Hij kwam op de gebruikelijke tijd, maar meer dan "Tolla Attini..." kon hij niet zeggen: Hij lag in het vuur onder in de kuil. Hij schreeuwde het uit van pijn en woede. Even later smeekte hij Tolla nog wat hout op het vuur te gooien om het op te stoken "Zidini aouid - gooi er nog een takje bij," zei hij. Op die manier hoopte hij Tolla te grijpen om ook haar in het vuur te trekken. Maar Tolla was wijzer. Lachend zei zij steeds: "Dat is niet nodig, zo ben je al ongelukkig genoeg."

Het roepen van de ghoel werd steeds zwakker en op een morgen zagen Tolla en haar verloofde alleen nog wat as liggen op de bodem van de kuil. De reus was dood, Tolla was vrij. Iedereen in de kasbah was gelukkig en met een vrolijk feest werd het huwelijk van Tolla en haar neef gevierd.


*   *   *

Tolla Samenvatting
Een Marokkaans sprookje over een meisje dat door een ghoel ontvoerd wordt. Een meisje uit een kasbah in het zuiden van Marokko wordt ontvoerd door een ghoel (boze geest). Haar ouders komen haar bevrijden en na een wilde achtervolging door de woestijn komen ze weer thuis. Maar dan duikt de ghoel weer op en begint alles van voren af aan. Of toch niet? Lees het verhaal

Toelichting
Tijdens de lange winteravonden in de dorpen van Zuid-Marokko worden verhalen verteld waar iedereen geboeid naar luistert. Buiten is de woestijn, waar reuzen en geesten wonen. Dit verhaal bevat een duidelijke waarschuwing voor de meisjes om niet alleen op stap te gaan, maar om de luisteraars niet al te veel schrik aan te jagen wordt er soms aan toegevoegd: het was maar een verhaaltje! Vergelijk ook Roodkapje van de gebroeders Grimm.

Een 'kasbah' is een versterkt dorp. 'Talebs' zijn mensen die de Koran uit hun hoofd kennen.

Uit: M'barek Kaddouri en Irène Reboul, 'Les contes de chez moi. Sud Maroc' Parijs, 1986, p. 135-142, Tolla.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Tolla

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Marokko
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook