Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:

Urbanus vertelt: Het windemannetje Een grappig verhaal van Urbanus over iemand die winden laat

In een heel klein land, Appelflapland geheten, gebeurde er een heel zonderlinge geschiedenis. De bewoners leefden er alleen van appels: oostappels, westappels, renetten, enz... De notaris en de dokter hadden ook wel eens een abrikozenboompje in hun tuin maar de meesten waren werkmensen en aten 's morgens appelmoes, 's middags appeltaart en 's avonds dronken ze een appelwijntje met gestoofde appelen. In de winter heerste er hongersnood want in die tijd dachten de mensen nog niet aan een appeltje voor de dorst.

Zoals in alle sprookjes is dit weer al heel lang geleden toen God nog kon spreken. Niemand zou ooit van dit landje gehoord hebben, was er niet dat eigenaardige kereltje geweest waarover dit sprookje vertelt.

Het mannetje woonde in een eenvoudig klokhuisje. Op het eerste gezicht leek hij een heel normale mens te zijn maar hij kon zo van die speciale windjes laten, geen vieze winden zoals die van de boeren, maar hele lichte die op de koop toe nog naar appelbloesem roken. De mensen hadden hem dan ook al gauw de bijnaam 'het windemannetje' gegeven. Vooral de kinderen speelden graag in zijn buurt want als hij er eentje liet vliegen, voelden zij zich zo bedwelmend gelukkig en zagen overal regenboogkleuren. De winden van het windemannetje waren zo licht, dat zijn ganse klokhuisje aan het zweven ging als hij een tijdje binnen zat. Dan zette hij het raam op een kiertje en daalde het huisje weer zachtjes op de begane grond. In het begin konden de mensen hierom lachen maar toen hij het gemeentehuis, de zustersschool en de kruidenierswinkel de lucht had laten ingaan, werden ze het een beetje beu want ze dachten er niet altijd aan, dat ze aan het zweven waren en toen ze naar buiten wilden, trokken ze de deur wagenwijd open en stortte het ganse gebouw met donderend geraas tegen de vlakte.

Bij de keizer kwamen er alsmaar meer klachten binnen en hij stuurde een paar gendarmen naar het windemannetje met de opdracht hem te doen ophouden. Daar aangekomen klopten de wetsdienaren aan, verontschuldigden zich en draaiden een grote kurk in het mannetje zijn achterwerk.

Twee weken verstreken zonder één incident. Maar de zondag van de derde week, toen het mannetje inkopen ging doen op de markt, ontstond er zo'n grote druk in zijn buik, dat de stop er met een dubbele knal uitschoot. Iedereen keek verschrikt op maar enkele ogenblikken later lag het ganse marktplein bezaaid met marktkramers en boodschappendoeners die op de grond rolden van puur genot. Ze voelden zich allemaal zo gelukkig als God in Mesopotamië, want in die tijd woonde God nog niet in Frankrijk. Toen de keizer dit ter ore kwam, werd hij heel bezorgd en liet onmiddellijk al zijn ministers naar de vergaderzaal komen. "Mijne heren, dat veelbesproken mannetje moet uit de gemeenschap verwijderd worden," sprak de keizer. "Als al onze landgenoten regelmatig op de grond liggen te dromen, dan schuilt daar een groot gevaar in. Wat er op de markt gebeurd is was gelukkig op een zondag. Stelt U zich voor dat dit op een werkdag zou gebeuren, dan betekent dit een catastrofe voor onze economie."

Al de ministers deden alsof ze de keizer begrepen hadden en gaven hem groot gelijk. Nu was de vraag: hoe raken we van de rustverstoorder af? Hem in de gevangenis werpen was geen oplossing want die zou dezelfde dag nog aan diggelen vallen. Zijn hoofd afhakken mocht ook niet want hij was geen moordenaar.

Een jonge minister stak de hand op en stelde voor: "We kunnen hem even buiten de stad aan een boom binden, daar kan hij winden laten zoveel hij wil, niemand zal er door gehinderd worden." Dit vond de keizer een prachtig idee en de minister mocht als beloning op vervroegd pensioen gaan want de keizer had niet zo graag dat iemand anders slimmer was dan hij.

Nu werd een gans peloton soldaten en een deurwaarder naar het windemannetje gestuurd. De deurwaarder stapte zonder kloppen binnen en sprak met administratieve stem: "Wilt U hier Uw naam zetten?" Omdat de deurwaarder zo onbeleefd was, draaide het mannetje zijn naam opzettelijk achterstevoren en schreef "Torp."

De soldaten omsingelden hem en stapten in gestrekte draf het huis uit. Na een lange marsch kwamen ze aan in een klein bos dat als een eilandje tussen de groene weilanden lag. De soldaten zochten de grootste boom uit en de eer kwam toe aan een reusachtige beuk die met zijn enorme kruin het ganse bosje domineerde. De gevangene werd vastgebonden. Er waren twee marinesoldaten meegekomen om de knopen te leggen. Een ganse mand appels werd in zijn bereik gezet, want hij mocht niet van de honger omkomen.

De soldaten maakten rechtsomkeer en verdwenen een tijdje later achter de heuvels. Het mannetje vond dit alles een misplaatste grap en protesteerde met een dreunende wind. De beuk begreep niet goed wat hem overkwam maar hij werd plots onwel en verloor al zijn bladeren. Het was een ware stortvloed. Het arme windemannetje stak tot onder zijn neus onder de beukenbladeren. Toen de beuk besefte dat hij daar nu helemaal naakt stond werd hij zo rood als een beuk. Een oude knotwilg, die al zijn ganse leven in de schaduw van de reus stond, lachte nu heimelijk in zijn knot.

Toen de beuk dit zag werd hij woedend en begon al de andere bomen uit te schelden. Vanuit zijn kale kruin riep hij de herfst. Met slaperige ogen kwam de herfst aangesloft. "Wat gebeurt er?" vroeg ze "Is het al herfst?" - "Kijk wat je gedaan hebt!" bulderde de boom, "het is allemaal jouw schuld!" - "Maar dat heb ik niet gedaan," stamelde de herfst. "Wie doet er hier de bladeren vallen, de zomer zeker?!" snauwde de beuk. "Nee, zoiets doet de zomer niet," gaf de herfst toe, "maar ik ben het ook niet geweest." - "Verdwijn uit mijn ogen!" barstte de boom uit, "je bent oerdom en op de koop toe nog een leugenaar ook!" De herfst droop nee-schuddend af en dronk zich van pure miserie een stuk in haar jaargetij. "Ik ben onschuldig," snikte ze en viel als een blok in slaap. Nu sliep de herfst maanden en maanden. De zomer was al lang voorbij en de winter had reeds zijn vriezemannetjes uitgestuurd. Die keken nogal verwonderd op toen ze zagen dat alle blaadjes nog aan de boom hingen en overal bengelden nog sappige vruchten aan de takken. "Wat krijgen we nu?" vroegen de vriezemannetjes zich af. "De herfst heeft zich zeker overslapen." Maar het was toch te laat om haar te gaan wekken want het was nu volop winter geworden en zij moesten ook klaar zijn met hun werk tegen de tijd dat de lente kwam.

Op één nacht was het ganse landschap omgetoverd in één grote slagroomtaart en als de zon opkwam begon alles te schitteren als diamant. Toen de winter dit zag was hij zeer tevreden van zijn vriezemannetjes en ze mochten allemaal voor een week naar Zwitserland.

Nu was het zo, dat er voor elk land een andere lente, zomer, herfst en winter was. En daar hadden de herfsten wel degelijk hun taak vervuld. Er heerste overal hongersnood nu het winter was geworden.

Toen de keizers van de naburige landen te weten kwamen dat er in Appelflapland nog fruit genoeg was, stuurden zij kooplieden uit om daar appels te gaan kopen. De appelflaplanders plukten en verkochten duizenden kilo's appels. Zo hard hadden ze nog nooit gewerkt en zoveel belastingen hadden ze nog nooit betaald. De schatkist raakte zo vol, dat er een tweede moest bijgemaakt worden. De keizer was nu zo verschrikkelijk rijk geworden, dat hij eraan dacht om een groot feest te geven in het paleis en al zijn landgenoten uit te nodigen.

Maar hij vroeg zich toch af aan wie ze deze vruchtbare winter te danken hadden. Hij zond zijn ganse opsporingsbrigade het land in om de weldoener op te sporen want die mocht in geen geval op het feest ontbreken. Een herder die toevallig langs de beuk voorbijkwam, had het windemannetje zien staan en vroeg hem waarom hij daar vastgebonden was. Het windemannetje vertelde hem het ganse verhaal van de deurwaarder, van de ruzie tussen de beuk en de herfst en van de vriezemannetjes. "Maar dan ben jij het, naar wie iedereen zoekt!" riep de schaapherder. "Kom, ik maak je los en breng je dadelijk naar de keizer."

Met open armen werden ze ontvangen in het paleis en het grote feest kon beginnen. De vrouwen van de vooraanstaanden werkten met hun ellebogen om zo dicht mogelijk bij de beroemde held te zitten en de prinsesjes keken hem met verliefde blikken aan. De boeren dansten de polka met de vrouwen van de ministers en de ministers op hun beurt walsten met de boerinnen. De ganse nacht werd er gesmuld en gedronken; een ware braspartij was het en niemand merkte, dat het ganse paleis heel hoog tussen de wolken hing.


*   *   *

Urbanus vertelt: Het windemannetje Samenvatting
Een grappig verhaal van Urbanus over iemand die winden laat. In Appelflapland woont een mannetje dat constant hele bijzondere winden laat: ze ruiken heerlijk naar appelbloesem. De koning vindt het echter maar niks want alle onderdanen vallen steeds in katzwijm door zijn winden. Hij bindt het windemannetje aan een boom, maar daar raken zelfs de natuur en de seizoenen van slag. Lees het verhaal

Toelichting
Urbanus (voorheen Urbanus van Anus) is de artiestennaam van Urbain Servranckx (geboren 7 juni 1949), een Belgisch komiek en zanger.

Vanaf begin jaren 70 stond Urbanus in de Belgische theaters met een begeleidingsgroep, Anus genaamd. Al snel ging hij solo de theaters in als Urbanus van Anus. In 1974 kwam zijn eerste LP uit, Leevend. Naar aanleiding van zijn theatersuccessen werd hij door de BRT gevraagd een komische act te verzorgen. Urbanus' antwoord hierop was: "Nu gaan zelfs de blinden mij herkennen." Na België was Nederland aan de beurt, en Urbanus trad in Nederlandse theaters op vanaf 1975. Ook bleef hij platen maken, waarvan er diverse goud en platina werden.

Urbanus is ook de naam van de stripreeks, die vanaf 1984 startte. In deze strips worden de komische avonturen uit de fictieve jeugd van Urbanus van Anus uit de doeken gedaan. De stripverhalen worden door Urbanus tezamen met tekenaar Willy Linthout gemaakt.

In oktober van 1987 kwam Urbanus met zijn eerste film Hector uit, geregisseerd door Stijn Coninx. Deze regisseerde ook z'n tweede film Koko Flanel uit 1990. In 1993 regisseerde Jean-Paul Lilienfeld De zevende hemel.

Op de fansite van Urbanus wordt regelmatig een verhaal van Urbanus geplaatst. Zie: www.urbanus.be

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
Tekstboek bij de LP: 3 sprookjes van Urbanus, 1977. Zie ook: Zoete Hydromel en De goede dennenboom.

Herkomst: België
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook