Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 43 min.
Herkomst:

Windstil Waarom de rozen bloeien in Juli

Als hij niet werkte, bracht Wind zijn tijd door in een oude, vervallen burcht.
Deze had door de eeuwen heen zoveel te lijden gehad, dat zelfs de metersdikke muren zwak en brokkelig waren geworden. Ze zaten vol barsten en scheuren, zodat je, als je binnen in de burcht was, het daglicht door de kieren kon zien.

De hoektorens waren verweerd en geteisterd door de stormen; alleen de hoge, stompe middentoren met zijn bemoste kantelen rees nog altijd ongedeerd, als de getuigenis van een ver en roemrijk verleden, boven zijn grondvesten op. Het dikke glas-in-lood was al lang uit de vensters verdwenen, zodat de klimrozen, die tegen de grauwe muren opbloeiden, vrij spel hadden en in de loop van de jaren naar binnen waren gegroeid. Hun ranken hadden zich aan de gerafelde, verkleurde wandkleden vastgehecht, zich om de verbleekte familieportretten en de verroeste wapens geslingerd en hingen als in een feestelijk versierde balzaal van de balkenzoldering neer.

Er waren zo goed als geen meubelen in de vertrekken. Alleen in de grote ontvangzaal beneden stonden een paar zware eikenhouten kisten, een ovale tafel met enkele stoelen er omheen, die vol wormgaten waren, en een hoge, half vermolmde kast met kunstig bewerkte panelen en ornamenten. Over de vloer, waarop zich het stof wel een vinger dik had opgestapeld en waarvan de naden met mos begroeid waren, lag een groot, vierkant tapijt.

Eens moest het vol kleuren zijn geweest en de voetstappen van zwaargelaarsde ridders hebben gedempt; nu was het kaal en versleten, met vochtige kringen en schimmelplekken. Bij de schoorsteen, waaruit stenen en kalk waren losgeraakt, maar waarin de as van lang gedoofde vuren nog op het rooster lag, stond een gebeeldhouwde stoel: een beetje opzij geschoven, alsof er zojuist iemand was opgestaan. Maar, er woonde niemand anders dan de wind, in die zeldzame ogenblikken dat hij niets te doen had.
Dan zette hij zich in de stoel bij de schoorsteen en las in de oude boeken, die hij uit de bibliotheek van het kasteel haalde; of sliep in het hemelbed, het enige bed dat op een van de bovenzalen stond. Het was een breed, met leliën en slingers uitgesneden ledikant, onder een hemel van blauwzijden gordijnen, die half verteerd waren en waarop zoveel spinnen hun glanzende dradensporen hadden achtergelaten, dat het leek of er een matzilveren sluier over was gelegd. Verder lag rondom de burcht het verwaarloosde park met bloemen en struiken, die in het wild door elkaar groeiden, en de resten van de vestingwallen en de verdroogde slotgracht, sloten het zo volkomen van de buitenwereld af, dat er geen verlatener en stillere plek op aarde denkbaar was.
Toch gebeurde het op een dag in de zomer, dat kleine, blote voeten door het hoog opgeschoten gras naar het slot liepen en een aarzelende hand de zware, met ijzer beslagen deur opende.
"Zag je dat," fluisterden de klimrozen aan de buitenkant van de burcht verrast,
"er is een mens naar binnen gegaan."
En de rozen tegen het doffe brocaat van de wandkleden leken uit hun droom te ontwaken en zeiden:
"Kijk, een meisje. Hoe heeft zij de weg hierheen gevonden en wat zou zij komen doen?" Zij namen haar vol belangstelling op, terwijl het vreemde meisje verwonderd in de grote zaal om zich heen keek. Zij liep op haar tenen, alsof zij bang was iemand te storen, en bleef nu en dan weifelend staan, alsof zij niet verder durfde. Haar nieuwsgierigheid was echter groter dan haar vrees en zij maakte een onderzoekingstocht door de burcht. Verbaasd en steeds sneller liep zij door tot zij bij de laatste trap kwam: de stenen wenteltrap, die door de toren heen liep.

Deze was hoog en steil en werd, toen het meisje hoger klom, hoe langer hoe smaller.
Er kwam slechts weinig licht door de schietgaten, die door uilen bewoond werden en een veilige schuilplaats boden voor nachtvlinders en vleermuizen, en er hing een vochtige geur van vergane bladeren en rottend hout tussen de muren, die groenwit waren uitgeslagen. Het meisje voelde onder haar naakte voeten de glibberige treden en de kilte die als een ijzige adem op haar neersloeg. Maar zij deed geen stap terug en steeg hoger en hoger, tot zij een kleine, koepelvormige torenkamer bereikte. Hier bloeiden de rozen overvloediger dan waar ook in het slot. Zij vormden een geurende, sneeuwwitte haag langs de gepleisterde muren en diepe nissen, en zich naar elkaar toebuigend murmelden zij:
"Waar komt deze burchtvrouw zo plotseling vandaan? Zij is wel armelijk gekleed, maar haar handen en voeten zijn smal en fijn, en met mooie kleren aan zou zij een prinses kunnen zijn."

Het meisje, dat niet vermoedde welk een opschudding haar komst in het kasteel veroorzaakte en natuurlijk niet verstond wat de rozen over haar zeiden, was intussen naar een der nissen gelopen. Met een opgetogen uitroep keek zij naar het golvende groen van de bossen in de diepte en de tere, grijsblauwe lijnen van de heuvels daarachter.
"Wat ben je hier dicht bij de zon en de wolken!" zei zij hardop tegen zichzelf.
"Dit moet de heerlijkste plek op de wereld zijn om te wonen."

"Dat is het ook," zei een stem achter haar.
Met een snelle beweging keerde het meisje zich om. Voor haar stond een man met een wijdgolvende, blauwe mantel over zijn schouders; in zijn blonde haren straalde het licht van de zon, zijn ogen waren zo helder en diep als de hemel en aan zijn voeten droeg hij gouden sandalen. Het was geen ridder uit de middeleeuwen, zoals zij een ogenblik gedacht had.
Op klaarlichte dag spookte het niet, zelfs niet in zo'n oud, afgelegen kasteel als dit.
Toch was er iets wonderlijks en geheimzinnigs aan hem, en zij bedacht dat zij hem niet de wenteltrap had horen opkomen...

"Wie ben je?" vroeg zij een beetje verlegen.
"Ik ben Windstil," antwoordde de man.
"Windstil."
Het meisje herhaalde de naam zacht voor zich heen.
Toen keek zij hem verschrikt aan, als drong de betekenis van die naam plotseling tot haar door.

De man scheen haar gedachten te raden.
"Zolang ik hier ben en je mij kunt zien, ben ik Windstil, maar zodra ik de burcht verlaat en niet meer te zien ben voor het menselijk oog, ben ik de Wind."
Het meisje keek angstig naar het trapgat. Misschien was dit toch wel een betoverd slot...
"Kijk maar niet alsof je mij ontvluchten wil. Het ligt heus niet in mijn bedoeling je bang te maken," zei de man, en zijn glimlach was zo openhartig en geruststellend, dat haar angst weer even vlug verdween.
"Hoe kun je nu Wind zijn," sprak zij.
"Wind is toch al vreselijk oud. en geen mens die kan lopen en praten."
"Omdat ik onsterfelijk ben, blijf ik altijd jong," antwoordde de man, en zijn stem klonk alsof hij het over iets heel gewoons had.
"Je zou mij nooit hebben aanschouwd, als je niet hier was gekomen, want zoals ik je al zei ben ik alleen maar zichtbaar in deze burcht."

"Het is waarschijnlijk heel dom van mij, maar ik begrijp het niet," sprak het meisje, de man aandachtig van het hoofd tot de voeten bekijkend.
"Als ik niet werk, dus geen Wind ben, trek ik mij op deze meest verlaten plek van de aarde terug, en zodra ik achter de vestingwallen de grond aanraak, krijg ik een menselijke gestalte en heet ik Windstil," legde de man uit.
"Weet je dat je heel mooi bent," liet hij er peinzend op volgen.
"Het klinkt je misschien vreemd in de oren, maar zoals je daar staat, is het net of ik je hier in deze zelfde torenkamer al vele malen heb ontmoet."
Het meisje trachtte hem haar verwarring niet te laten blijken en vroeg haastig:
"Komen er hier nooit mensen? Ben ik de eerste die Windstil heeft gezien?"
"De eerste en de laatste," zei hij zacht en leunde tegen de muur, zonder de rozen te pletten of te beschadigen. Het meisje voelde dat deze woorden een diepere betekenis moesten hebben, al begreep zij niet precies welke.

"Voel je je hier nooit eenzaam?" vroeg zij. Windstil schudde zijn hoofd.
"Ik heb mijn boeken en de rozen, die beter gezelschap zijn dan mensen. Neen, eenzaam voel ik mij nooit."
"Het is allemaal heel eigenaardig," sprak het meisje.
"Eigenlijk zou ik je wel honderd dingen tegelijk willen vragen. Slaap je bijvoorbeeld net als een gewoon mens, en eet je en drink je ook?" Windstil knikte.
"En waar woonde je heel, heel lang geleden, toen er in dit slot nog mensen leefden?"
"In allerlei afgelegen streken van de wereld," antwoordde Windstil, die geduldig bleef onder al haar vragen.
"Sinds dit kasteel onbewoonbaar is geworden, ben ik hier het liefste."
Het meisje knikte begrijpend.

"Het enige dat ik nu nog graag zou willen weten is, wie er voor je zorgt als je hier bent.
Of doe je alles zelf?"
"Dit is een zuiver huishoudelijke vraag, maar ik zal je er antwoord op geven," zei Windstil lachend en liet een lang, doordringend gefluit horen.
Onmiddellijk daarop klonk het geklapwiek van vogels en streken vier kraaien in de torenkamer neer.
"Dit zijn mijn kleine lakeien," sprak Windstil.
"Zij zorgen er voor, dat ik te eten en te drinken krijg. Hoe en waar zij het vandaan halen, vraag ik hun nooit.
Dat is het geheim van deze trouwe lijfwacht. Mijn bed maken zij gezamenlijk op, elk met een punt van de deken in hun snavel. Ik kan mij geen betere dienaren wensen."
Hij klapte in zijn handen, en hun glanzend zwarte wieken spreidend, fladderden zij door de nissen weer naar buiten. Het meisje keek hem met stralende ogen aan.

"Zoiets wonderbaarlijks heb ik nog nooit beleefd," sprak zij.
"Heel veel dank voor alles wat je mij verteld hebt en hebt laten zien."
,,Je gaat toch nog niet weg?" zei Windstil en maakte een beweging alsof hij haar wilde tegenhouden.
"Het is zo prettig naar je te kijken en met je te praten. Van alle mensen die ik beneden mij op de aarde zie, ben jij de enige die van ze verschilt. Vertel mij eens iets over jezelf; ik weet niet eens hoe je heet."

"Mijn verhaal is maar heel kort, en lang niet zo mooi als het jouwe," sprak het meisje.
"Ik weet niet wie mijn ouders zijn, want toen ik een paar dagen oud was, legde men mij langs de weg. Voorbijtrekkende zigeuners hebben mij gevonden, en daar zij dachten, dat het lot mij op hun pad had gebracht, hebben zij mij bij zich gehouden.
Een naam hebben zij mij nooit gegeven. Soms, als zij in een bijzonder vrolijke stemming waren of als ik voor hen gedanst had, noemden zij mij wel hun zigeunerprinses. Wij zijn de halve wereld rond gezworven en hebben altijd vrij en onbezorgd geleefd. Vanochtend ben ik bij het bramen zoeken van de troep afgedwaald. Nu moet ik mij haasten, want zij zouden tegen zonsondergang vertrekken."

"Wil je niet hier blijven en met mij trouwen?" vroeg Windstil zacht.
"Dezelfde goede geest, die jou door de zigeuners liet vinden, moet je naar mijn burcht hebben geleid."
Het meisje was zo verbaasd door die onverwachte vraag, dat zij een hele poos niets wist te zeggen.
Eindelijk sprak zij:
"Ik kan toch niet met Wind trouwen, ik ben immers niet onsterfelijk, zoals jij?"
"Neen, met Wind kun je niet trouwen," zei Windstil een beetje weemoedig,
"maar met Windstil wel. Andere meisjes zouden mij niet hebben geloofd en mij hebben uitgelachen, als ik hun verteld had wie ik ben. Maar jij gelooft meer in de droom dan in de werkelijkheid - en als je dat blijft doen, zal de droom je onsterfelijk maken.
Daarom ben jij de enige die mijn vrouw zou kunnen worden."

Het meisje keek naar hem op. Al die tijd dat hij tegen de rozen had gestaan en zij naar zijn stem had geluisterd, was zij zich hoe langer hoe sterker tot het onbekende en geheimzinnige, dat hem omhulde, aangetrokken gaan voelen. Nog even aarzelde zij. Het was allemaal zo vreemd en zo plotseling...

"Zou zij "ja" zeggen?" vroegen de rozen vol spanning aan elkaar.
"Zouden wij hier werkelijk na zoveel lange, lange jaren weer een bruiloft meemaken?"
Zij bogen hun hoofdjes naar elkaar toe en de een zei het de ander en in een paar seconden wisten zij allemaal dat Windstil de vreemde bezoekster ten huwelijk had gevraagd.
Een ogenblik hielden zij hun adem in, maar toen zij het meisje "Ja" hoorden zeggen, ging er een zacht geruis door de witte muren van de oude burcht, en van louter vreugd sprongen alle rozeknoppen open.

Zelden was Wind zo onstuimig geweest als die zomernacht. Hij joeg de trage wolken voort, deed de lome golven van de zeeën opspringen en de rivieren schuimen. Hij schudde de boomkruinen door elkaar, zodat de jonge vogels in de nesten verschrikt ontwaakten, rammelde aan de ramen van de huizen en streek zegevierend over de velden.
"Wat is er met jou aan de hand!" hijgden de wolken, terwijl zij zich onwillig door hem lieten voortstuwen.
"Wat mankeert je?" bruisten de golven van de zeeën.
"Ben je dol geworden!" piepten de oude vogels verontwaardigd, terwijl zij hun kinderen weer tot bedaren probeerden te brengen.
"Hé, hou op!" schreeuwden de koperen weerhanen van de kerktorens.
"Ik word doodziek van draaierigheid! Weet je geen ander spelletje?"
"Zo'n baldadige wind hebben wij in Juli nog nooit gehad," mopperden de mensen, die niet konden slapen van het lawaai. Maar Wind stoorde zich nergens aan.

"Het kan mij niet schelen wat jullie zeggen!" riep hij overmoedig.
"Straks, als ik weer Windstil ben, ben ik de bruidegom!"
"Wat sta je daar verwaand tussen de sterren te pronken!" gierde hij de maan plagend toe.
"Breng mijn groeten over aan de zon en vraag haar, of zij morgen Windstil wil trouwen!"

Toen hij er zeker van was dat de hele wereld het grote nieuws wist, minderde hij zijn vaart. Hij gleed af naar China en ritselde in de moerbeibomen de rupsen toe, dat zij voor zonsopgang een bruidskleed voor hem klaar moesten hebben van de fijnste en zuiverste zijde, die zij ooit gesponnen hadden. Daarna dook hij in de Stille Zuidzee, liet zich op de bodem zinken, waar de goudgeschubde tropische vissen roerloos sluimerden, en boog de loom wuivende varens uiteen.

Toen blies hij de oesterschelpen open, die langzaam en bijna onwillig van elkaar weken, en deed de parels uit de schalen rollen.
Dit spel herhaalde hij op verschillende plaatsen in de oceaan, tot hij vond dat hij er genoeg verzameld had, en hij droeg de golven op zijn buit aan land te spoelen. Vervolgens haastte hij zich naar het Oosten, waar de zon juist bezig was haar purperen bedgordijnen op te halen.

"Goedemorgen," begroette zij hem.
"Ik heb je boodschap al van de maan ontvangen. Natuurlijk wil ik je met plezier trouwen. Waar is je bruid? Ik brand van verlangen haar te zien."
"Zij slaapt nog," sprak de wind.
"Het is heel vriendelijk van je mij van dienst te willen zijn, maar één ding moet ik je nog vragen: zou je mij een van je stralen kunnen geven om de parels te doorboren, die ik aan het strand van de Stille Zuidzee heb achtergelaten?" De zon knikte met haar blozend roze hoofd.
"Ik zal hem jullie als huwelijksgeschenk geven."

Terwijl zij sprak, schoot zij haar eerste straal naar de aarde af en stak hem precies door de kleine kostbaarheden, die nog vochtig van het zeewater op het zand lagen te glanzen. Verheugd ijlde Wind de straal achterna, nam hem op en reeg er met zijn koele adem de parels aan.

"Veel dank en tot over een uur!" riep hij de zon toe.
"Ik moet mij haasten om de bruidsjapon te halen!" Het snoer als een rij kleine, witte wolken voor zich uit blazend, keerde hij naar China terug, waar het zijden kleed al voor hem klaar lag.
Terwijl hij het tezamen met de parels door de lucht met zich meevoerde, riepen de vogels:
"Daar gaat Wind met de geschenken voor zijn bruid, als hij straks Windstil zal zijn!"
En de herdersknapen, die met hun schapen en geiten de bergen introkken, en de boeren, die hun koeien gingen melken, zagen de vreemde, doorzichtige wolk over hun hoofden zweven en dachten:
"Dat is een wonderlijk teken aan de lucht; er gebeurt vandaag vast en zeker iets heel bijzonders."

Dat er iets bijzonders ging gebeuren, hadden zij juist geraden, maar als iemand hun verteld had wat het zou zijn, zouden zij het nooit hebben geloofd.
Toen het meisje onder de hemel van het hemelbed wakker werd en de vreemde kamer zag, herinnerde zij zich opeens weer wat haar de vorige dag allemaal was overkomen.
Zij was verdwaald en had een vervallen, eenzaam slot ontdekt, waarin zij een jongeman had ontmoet, die zei dat hij Windstil heette, en haar gevraagd had met hem te trouwen...

Of had zij het maar gedroomd? Zij keek om zich heen en daarbij viel haar blik op het stralend witte bruidskleed en het parelsnoer, die naast haar waren neergelegd. Het was dus toch waar! Haar ogen begonnen te schitteren en zij wist niet hoe vlug zij haar oude, gelapte kleren zou uittrekken. Beneden aan de trap, in de hoge, schemerige hal, stond Windstil zijn bruid op te wachten. Haar opgetogen stem kwam hem al van verre tegemoet: de plooien van haar japon voorzichtig ophoudend, snelde zij op hem toe.
Hij nam haar bij de hand en bracht haar naar buiten, waar het bedauwde gras als een met bloemen bestrooide loper voor hen lag uitgespreid.

Twee leeuweriken streken vlak voor hun voeten neer, en plotseling begon een koor van vogelstemmen te zingen. Windstil richtte zijn ogen op de zon en sprak:
"Dit is nu mijn bruid, die je zo graag wilde zien. Ik beloof haar mijn liefde en mijn trouw."
Hij wendde zich tot het meisje en vroeg:
"Weet je zeker dat je mijn vrouw wil worden?"
"Ja," sprak zij, en op hetzelfde ogenblik schoten de twee leeuweriken omhoog en verdwenen jubelend in het blauw van de hemel.
"Nu zijn wij getrouwd," zei Windstil, en het vogelkoor, dat even stil was geweest,
barstte in dubbele heftigheid los.

De hele verdere dag bleef Windstil op de aarde.
Toen het donker was geworden, werd er door de vier kraaien een feestmaal aangericht. In de bronzen kandelaars op de schoorsteen en op de tafel vlamden de resten van de waskaarsen, die eeuwen geleden voor het laatst hadden gebrand. Schalen van doorschijnend porselein, met room en vruchten gevuld, stonden tussen de kristallen karaffen en tinnen borden.
De druivenwijn blonk in de bokalen en het oude zilver glansde op het geel geworden damasten tafelkleed, dat de kraaien voor deze feestelijke gelegenheid uit de halfvermolmde kast te voorschijn hadden getoverd.

Terwijl Windstil en het meisje telkens hun glazen ophieven om elkaar toe te drinken, vertelde hij haar van zijn wereldreizen. Aandachtig luisterde zij naar zijn verhalen over de Poolgebieden, waar hij de sneeuw in wilde wervelstormen met zich voortjoeg en de ijsschotsen in de Poolzee huizenhoog op elkaar stapelde, alsof het grillige kristalpaleizen waren.

En van de eenzame, koude Poolgebieden nam hij haar mee naar de lente in Japan, waar hij de kersenbloesems in roze wolken door de lucht liet dwarrelen; naar China, waar hij met de bonte vlinders speelde, die zo groot waren als de handpalm van een mens; naar de tropische oerwouden, waar de passiebloemen des nachts hun blauwe harten voor hem openden, en naar de oevers van de Nijl, waarvandaan hij de geuren van de lotus op zijn onzichtbare vleugels met zich meevoerde. Hij toverde de kleuren van koraalriffen en diepzeevissen voor haar verrukte ogen en van de insecten en vogels, die allemaal in die wonderbare tuin leefden, die "aarde" heette.
Zijn bruid luisterde met gloeiende wangen en haar lach klonk helder tegen de wankele muren op. Het leek zelfs of de dames en heren van de familieportretten meeluisterden en er een flauw lachje om hun verstijfde lippen speelde...

De zomer vloog voorbij. Voor Wind brak nu de drukste tijd aan: de herfst. Hij raasde dag en nacht door, rukte bladeren af en knakte de bloemen; hij ontwortelde bomen en zweepte de zeeën op tot kokende watermassa's.
De klimrozen waren uitgebloeid, en zowel binnen als buiten de muren van de burcht lag de grond bezaaid met dorre, verkreukelde blaadjes. Het werd hoe langer hoe kouder. Sneeuw en regen woeien door de open vensters en door gaten en spleten naar binnen. Mist en laag hangende nevels omhulden het slot, dat grijs in winterslaap verzonken lag.

Het meisje, dat meestal alleen was, zat in de stoel bij de schouw, waarin een groot houtvuur was aangelegd, en bracht haar dagen door met in de oude boeken te lezen,
die ook eens het enig gezelschap van Windstil waren geweest. Juist toen zij begon te twijfelen of er wel ooit een eind aan de winter en aan haar eenzaamheid zou komen, werd het lente en brak er weer een goede tijd voor haar en Windstil aan.
Na een poosje begon Windstil echter te merken, dat het hem steeds moeilijker viel de aarde te verlaten.

Een onrust, die hij nooit eerder gekend had, maakte zich van hem meester en hij werd weemoedig en lusteloos, zodra hij opsteeg om als Wind zijn werk te doen. Hij had geen plezier meer in zijn omzwervingen over de aarde; ze duurden hem te lang en verveelden hem, en hij begon ze hoe langer hoe korter te maken om des te eerder bij het meisje in de burcht terug te zijn.

Op een dag nam hij dan ook het besluit, waarvan hij later zoveel spijt zou krijgen;
hij vertelde het meisje, dat hij nooit meer van haar weg zou gaan. Voortaan zou hij alleen nog maar Windstil zijn en niet meer als Wind uit het kasteel opstijgen. Niets zou hen meer kunnen scheiden.

Omdat hij slechts aan zichzelf en zijn eigen geluk dacht, was hij blind voor de gevolgen, die zijn onberaden daad zou kunnen hebben. Naar het meisje, dat het gevaar inzag en hem waarschuwde dat de aarde hem niet kon missen, wilde hij zelfs niet luisteren. Altijd weer opnieuw wist hij haar bezorgdheid weg te praten, tot ook zij er niet langer bij nadacht en er voor haar evenmin iets anders meer bestond dan hun eigen geluk.

Intussen ging het de wereld zonder Wind steeds slechter.
De zeilen van de schepen hingen slap en er werd geen vis meer gevangen,
de hanen van de kerktorens, die altijd de beste vrienden van Wind waren geweest, bleven als vastgenageld naar het Zuiden wijzen, de molens stonden met machteloos uitgestrekte wieken in de schrale weilanden en de boomkruinen tekenden zich dor en roerloos af tegen de trillend warme lucht.

De zon brandde en stak, het graan verschroeide op de velden en de oogst mislukte;
de hele aardbodem droogde uit, er wilde niets meer groeien en dorst en hongersnood begonnen mens en dier te kwellen. Windstil en het meisje merkten op hun afgelegen plek niets van de ramp. waarvan zij de oorzaak waren; of misschien wilden zij het ook niet merken.
Pas toen de rozen nog half in knop verschrompelden en er een beklemmende stilte in de natuur begon te heersen, alsof alles zijn adem inhield en op iets wachtte, zagen zij eindelijk in wat er gebeurde.

De wereld zou ten onder gaan zonder de wind, en Windstil begreep dat hij niet langer werkeloos mocht blijven toezien en zo gauw mogelijk de burcht moest verlaten om haar te redden. Nu pas wist hij wat hij door zijn zelfzucht had aangericht. Met een bezwaard hart nam hij afscheid van het meisje.

Een voorgevoel van onheil vergezelde hem toen hij haar verliet, en hij keek niet meer om toen hij achter de vestingwallen verdween.
Eenmaal opgestegen, zag hij in de verte reusachtige wolkenkoppen naderen: er was zwaar weer op til. Plotseling lag de aarde nachtzwart en in een ontzettende dreiging onder hem, en voor hij goed wist wat er gebeurde, spleten de wolken uiteen, sloeg er een witte vlam uit en deed een knetterende slag de wereld uit haar verdoving opschrikken.
Tegelijkertijd begon de regen neer te stromen, terwijl een aanhoudend, oogverblindend vuur de wolken van elkaar scheurde.

De wind, die helemaal overrompeld was en even geaarzeld had, stak nu met volle kracht op. Hij striemde naar rechts en links en probeerde het vreselijke noodweer tegen te houden.
"Trek je terug!" bulderde hij het toe.
"Ik denk er niet aan," gromde de donder.
"Wat verbeeld jij je wel."
"Je hebt mij te gehoorzamen, ik ben de wind!" was het antwoord.
"Dat had je eerder moeten bedenken," het onweer en rolde uitdagend, met dreunende slagen, langs hem heen.

"Nou, nou, die twee hebben het aardig met elkaar aan de stok," mompelde een weerhaan, die zijn dagelijks praatje met Wind erg gemist had. Hij had het trouwens wel verwacht: zoiets kon niet uitblijven. Wat deed die wind ook zo dwaas te zijn!
Eerst trouwde hij met een mens, wat je als Windstil natuurlijk niet kon doen, daarna vertikte hij het zich als Wind van zijn plicht te kwijten en liet alle weerhanen net zolang naar het Zuiden staren, tot ze sterretjes voor hun ogen zagen, terwijl hij hen nu weer als tollen in het rond draaide!

Het meisje, dat in de torenkamer zat, staarde angstig naar buiten. Zij hield haar handen tegen haar oren, om niet naar de slagen te hoeven luisteren. Hoe meer het noodweer naderde, hoe dichter zij zich tegen de muur drukte. Bleek en roerloos aanschouwde zij het gevecht tussen Wind en het onweer. Slag op slag weerklonk.
De bliksem was niet meer van de hemel en leek zijn blauw flitsende stralen naar alle kanten tegelijk uit te gooien.

In machteloze woede tornde Wind tegen zijn belager op.
"Ik waarschuw je voor de laatste maal!" schreeuwde hij.
"Waarom zou ik naar jou luisteren," spotte de donder.
"Jij, die de hele zomer je plicht hebt verzaakt.
Om niets en niemand heb je je bekommerd!" Hier kon Wind niets tegen in brengen. Hij streed verbitterd en roekeloos, maar moest steeds verder terugwijken.
"Dit keer win je het niet van mij!" ratelde de donder.
"Je straf zul je krijgen!"
"Je zult er spijt van hebben!" loeide de wind.
"Niet jou zal ik iets doen," ging de donder voort, zonder zich aan zijn dreigementen te storen.
"Jij bent nu eenmaal onkwetsbaar. Maar zij, die in de torenkamer van je burcht op je wacht, is maar een mens; haar zal ik treffen! Ha, ha!"

Met een vaart, die niet meer te stuiten was, bestormde het noodweer de vestingwallen, vloog door het park en viel het oude slot van Windstil aan. Zijn vonkend zwaard slingerde door de lucht, terwijl het de trillende muren in bezit nam.
Een ogenblik richtte het zich in zijn volle lengte op, om de laatste stoot toe te brengen. Wind wierp zich tussen het onweer en de toren, maar de bliksem schoot regelrecht omlaag en beslechtte de strijd.
Een oorverdovend gekraak, waarin de kreet van Wind verloren ging, weerklonk, en de burcht stortte ineen. Vier kraaien vlogen luid krassend uit een van de torenvensters, toen de zware stenen elkaar verbrijzelden en een wolk van gruis en stof opwierpen...

Na die slag was het onweer uitgewoed. Het wierp zijn bliksemspeer van zich af en verwijderde zich, grommend van voldoening, in de verte.
De regen hield op, de wolken dreven weg en de zon stond er weer, stralend en mild, alsof zij nooit weg was geweest.

Doodmoe streek Wind neer op het natte gras en verbijsterd keek Windstil naar de plek, waar enkele ogenblikken geleden nog de burcht had gestaan.
Er was niets meer van over dan een heuvel van stenen en kalk, waartussen geknakte en dode rozen verspreid lagen.

De zomer ging voorbij, de herfst kwam en de winter. Wind maakte weer zijn wereldreizen; zwierf van de Zuid- naar de Noordpool, door China en Japan, over zeeën, woestijnen en gebergten. Als hij niet werkte, was hij op de heuvel van grauwe steenresten te vinden:
op de ruïne van zijn mooie, oude burcht, waarin hij zo gelukkig was geweest.
Eenzamer dan ooit zat hij daar dan voor zich uit te staren en verdiepte zich
in herinneringen, die zijn enige troost waren.

En weer kwam de lente.
De aarde ontwaakte en begon opnieuw haar oude spel.
Tussen de brokstukken van de ruïne zocht een tere loot haar weg naar het licht.
Zij werd steeds groter en sterker, en toen de zon krachtig werd, kwamen er kleine,
groene blaadjes en knoppen aan.

In de ogenblikken dat Windstil op de heuvel zat, was hij zo in zijn eigen gedachten verdiept, dat hij het niet eens merkte. Maar na een warme dag, toen Wind tegen het vallen van de avond op de aarde terugkeerde, had het wonder zich voltrokken.
Uit het puin van de burcht verhief zich een bloeiende rozestruik: niet wit,
zoals de klimrozen eens waren geweest, maar diep donkerrood.

Windstil zette zich er bij neer, en sprakeloos van verwondering en ontroering nam hij de bloemen een voor een in zijn hand en streelde hen. Voor het eerst sinds de ramp van de burcht verdween de bedroefde blik uit zijn ogen en glimlachte hij, terwijl hij zich over de koele, geurende blaadjes boog.

"Het was onze schuld dat de droom verbroken werd," fluisterde een zachte, welbekende stem hem toe.
"Maar ik ben in hem blijven geloven. en hij heeft mij onsterfelijk gemaakt, zoals jij mij eens hebt voorspeld. Ik zal voortleven in deze rozestruik, en iedere zomer zal ik opnieuw bloeien."
Sindsdien was Windstil weer zo gelukkig als vroeger.
En iedere zomer en vooral in de maand juli bloeiden de rozen boven de steenresten van de verwoeste burcht, als een stille triomf van de droom over de werkelijkheid.


*   *   *

Windstil Samenvatting
Waarom de rozen bloeien in Juli. Een mooi lang verhaal over eeuwige liefde, de natuur (de wind) en de mens. Lees het verhaal

Toelichting
De hier gebruikte versie is vrij uitvoerig in haar beschrijvingen, het taalgebruik is al iets aangepast maar nog steeds ouderwets.

Eigen woordgebruik is dus wel mogelijk maar enig plechtigheid op de juiste momenten wordt aanbevolen.
Dit verhaal werd in oost europese landen verteld als inwijdingsverhaal aan aanstaande bruidsparen maar dan wel aan de toekomstige partners afzonderlijk.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
Omnibus voor de jeugd Amsterdam1949

Herkomst: Oost-Europa
Verteltijd: ca. 43 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook