Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 26 min.
Herkomst:




De mestkever, de muis en de krekel Een grappig verhaal uit Italië over drie behulpzame diertjes

Er woonde eens op de heuvel bij Vomero een hele rijke boer, genaamd Miccone, die een zoon had met de naam Nardiello, de grootste sukkel die zich ooit bevond op het hospitaalschip van de halve garen. En het was zo erg met hem gesteld, dat de ongelukkige vader er bitter verdriet om had, daar hij niet wist, hoe hij hem moest leiden om hem iets te laten doen, dat hij eens goed terecht zou brengen. Als hij naar de herberg ging om met zijn makkers klaplopers vuile streken uit te halen, werd hij in 't ootje genomen; als hij in speelhuizen kwam, zetten zij hem af, namen hem er tussen en lieten hem in zijn hemd staan, zodat hij er met dat fijne optreden reeds het halve vermogen van zijn vader doorgejaagd had.

Miccone raasde voortdurend en scheldend en dreigend zei hij tegen hem: "Wat denk jij te doen, verkwister? Zie je niet, dat mijn duiten opraken? Laat die vervloekte kroegen los, die een slechte naam hebben; laat ze toch, want het zijn migraine en hydropsie van de keel en diarree voor de beurs. Trek je af van het goddeloze spel, dat ons leven in de waagschaal stelt en ons bezit afknabbelt, dat ons de contentie ontneemt en onze contanten opteert, waar de drie dobbelstenen je tot nul brengen en de woorden, die er gebruikt worden, je al slapper maken. Verwijder je van die gelegenheden, want dan zul jij je van de ondeugd losmaken. Als je de oorzaak wegneemt, neem je immers het effect ook weg, zeggen ze wel. Hier heb je dan honderd goudstukken. Ga naar de jaarmarkt van Salerno en koop er jonge vaarzen van, die dan over drie à vier jaar evenzoveel ossen zijn. En als de ossen groot geworden zijn, zullen wij ze laten ploegen en dan gaan we ons graan verkopen en als we erge schaarste krijgen, zullen wij schepels vol goudstukken hebben, gelijk anderen, en dan koop jij je een aandeel in de grond van een vriend en dan zul jij ook een titel dragen, net zoals vele anderen. Let daarom goed op, want alles heeft een begin en wie niet begint komt niet verder!"

"Laat dat maar aan mij over!" antwoordde Nardiello, "want nu ga ik eens uitrekenen en alles zal precies volgens de regel gaan!"

"Dat mag ik zien!" zei de vader en hij betaalde hem het geld uit.

Nardiello begaf zich op weg naar de jaarmarkt; maar hij was nog niet bij het water bij Sarno gekomen, toen hij in een aardig olmenbosje aan de voet van een rots, die door het voortdurend langs vloeien van fris water met klimopgroen begroeid was, een fee zag, die zich zat te amuseren met een mestkever, en dit diertje speelde zo prachtig gitaar, dat als een Spanjaard het gehoord had deze het 'soberbiosa y grandiosa' genoemd zou hebben.

Nardiello bleef vol verrukking staan luisteren en zei, dat hij ik weet niet wat voor moois zou willen geven, om zo'n knap diertje te bezitten; en de fee antwoordde hem, dat als hij honderd goudstukken wilde betalen, zij het hem geven zou. "Dat had je me op geen geschikter ogenblik kunnen vragen!" gaf Nardiello ten antwoord, "want ik heb ze hier net bij de hand," en hij wierp haar de honderd goudstukken in de schoot en kreeg de mestkever in een doosje.

Dit hield hij onder zijn arm geklemd en zo haastte hij zich uitgelaten van vreugde naar zijn vader en schreeuwde: "Nu zul je eens zien, meneertje, of ik ook een vernuftig mens ben; want zonder me moe te maken om naar de jaarmarkt te gaan heb ik halverwege mijn fortuin al gevonden: voor honderd goudstukken kreeg ik dit juweel!"

Toen de vader deze taal hoorde en het doosje zag, hield hij het voor zeker, dat zijn zoon een diamanten kettinkje gekregen had; doch nadat hij het doosje geopend had en de mestkever zag, schaamde hij zich dood om de schande en had het land om zijn verloren goudstukken, twee feiten, die hem gelijk twee blaasbalgen deden opzwellen als een pad.

Nardiello wilde de voortreffelijke eigenschappen van de mestkever noemen, maar het was hem niet mogelijk, een woord uit te brengen, want hij werd door zijn vader onderbroken, die sprak: "Zwijg, hou je mond; geen woord, jij ezelsveulen, paardenkop, uilskuiken, dat je bent. Breng onmiddellijk die kever terug aan wie ze je verkocht heeft. Hier heb je honderd goudstukken; koop er vaarzen van en kom dadelijk weer thuis; en pas op, dat de duivel je niet verblindt, want dan zul je er van lusten, reken maar!"

Nardiello nam het geld en richtte zijn schreden naar de burcht van Sarno, en op dezelfde plaats van eerst gekomen, vond hij weer een fee, die zich vermaakte met een muis, en dit diertje maakte het mooiste dansje, dat men ooit ter wereld zien kon. Hij bleef een tijdje met open mond staan kijken naar de pasjes, de sierlijke houdinkjes, de capriolen, het kunstig dansen op de teentjes en de dolle loopjes van dit diertje en stond er versteld van; en eindelijk vroeg hij aan de fee, of deze het aan hem verkopen wilde, want hij zou er haar honderd goudstukken voor geven. De fee nam het voorstel aan; zij streek de geldstukken op en stelde hem vervolgens de muis in een doosje ter hand.

En Nardiello keerde naar huis terug en liet zijn mooie koopje aan de ongelukkige Miccone zien, die toen helse dingen deed, zich verzette als een gewonde poliep en snoof als een nukkig paard; en als niet toevallig een vriend deze ontmoeting meegemaakt had, zou hij hem een flink pak slaag gegeven hebben. Tenslotte gaf de vader, die echt kwaad was, nog eens honderd goudstukken en sprak tegen hem: "Pas goed op, dat je er niet weer mee doet waar jij zin aan hebt, want de derde keer kom je er zo gemakkelijk niet af! Ga dus naar Salerno, om vaarzen te kopen, want bij de ziel van mijn overleden familie, als je het verkeerd doet, reken maar, dat dan de moeder, die jou ter wereld gebracht heeft, ongelukkig zal zijn!"

Nardiello boog het hoofd en begaf zich naar Salerno, en op de gewone plek aangekomen vond hij een derde fee, die zich met een krekel vermeide, welke zo teder zong, dat ze de mensen in slaap wiegde. Toen hij dit nieuw soort nachtegaal stond te beluisteren, kreeg hij grote zin, de koop te sluiten en na het voor honderd goudstukken eens geworden te zijn, zette hij het diertje in een kooitje, gemaakt van een uitgeholde pompoen en bedekt met takjes, en zo keerde hij naar zijn vader terug. Toen deze dit derde slechte werk zag, raakte hij geheel uit zijn voegen; hij greep een knuppel en takelde hem afgrijselijk toe.

Zo gauw Nardiello aan zijn klauwen kon ontglippen, nam hij de drie diertjes en ontvluchtte de streek. Hij holde in de richting van Lombardije. Daar leefde een groot koning, genaamd Cenzone, die een enige dochter had, Milla genaamd, welke door een ziekte tot zo'n zware melancholie vervallen was, dat men haar gedurende het tijdperk van zeven jaren achtereen niet meer had zien lachen.

De vader was wanhopig en liet, na duizend middeltjes geprobeerd en massa's geld uitgegeven te hebben, bekend maken, dat hij haar tot vrouw zou geven aan wie haar aan het lachen kon krijgen. En Nardiello, die van deze afkondiging hoorde, had de dwaze inval, zijn geluk eens te beproeven. Hij verscheen dus voor Cenzone en bood zich aan, haar aan het lachen te maken. Deze heer zei tegen hem: "Let er wel op, kameraad, wat je begint; want als het zaakje je niet lukt, word jij een kopje kleiner gemaakt!"

"Mij een zorg!" antwoordde Nardiello, "ik wil het nu eenmaal proberen, er mag gebeuren wat wil!" De koning liet zijn dochter roepen, en nadat zij beiden onder een baldakijn plaats genomen hadden, haalde Nardiello de drie diertjes te voorschijn, die speelden, dansten en zongen met zoveel gratie en lieftallige gebaartjes, dat de prinses het uitproestte van het lachen.

Doch de koning weende van binnen, want krachtens de bekendmaking zag hij zich gedwongen het juweel van de vrouwen te geven aan hem, die het uitvaagsel van de mannen was. Toch kon hij zich niet aan zijn belofte onttrekken en daarom zei hij tegen Nardiello: "Ik geef je mijn dochter en de staat als bruidschat, maar onder voorwaarde, dat, als jij niet binnen drie dagen van je recht op haar gebruik maakt, ik je zal laten verscheuren door de leeuwen!"

"Daar ben ik niet bang voor," zei Nardiello, "want binnen drie dagen heb ik bezit genomen van je dochter en heel je hebben en houden! Wees maar kalm, want het zal best lukken: de komkommers kent men aan de schil, is het niet zo?"

Toen de bruiloft gevierd was en de avond kwam - wanneer de zon als een boef met de kap over het hoofd naar de gevangenis van het westen vervoerd wordt - begaven de echtgenoten zich ter ruste. Doch de koning liet arglistig aan Nardiello opium toedienen, zodat deze de hele nacht snurkte. Zo gebeurde het, dat hij in de leeuwenkuil geworpen werd.

Toen hij zich daar aan het eindpunt van zijn leven zag, maakte hij zijn doos met diertjes open en sprak: "Nu mijn lot mij met een ellendige kar naar deze plaats van smarten gesleept heeft, maak ik jullie, lieve dieren, vrij, om te gaan waarheen jullie goed dunkt en behaagt!"

Nauwelijks bevrijd, begonnen de diertjes zoveel grapjes en kunstjes te maken, dat de leeuwen als standbeelden stokstijf bleven staan.

En tegen Nardiello, die al bijna de geest gaf, sprak de muis als volgt: "Wees blij, baas, want al heb je ons dan ook de vrijheid gegeven, wij willen je nu meer dan ooit dienen, omdat je ons zo liefdevol verzorgd hebt en met zoveel hartelijkheid over ons gewaakt; en tenslotte heb jij ons een bewijs gegeven van je grote vriendschap, door ons vrij te laten. Maak je geen zorgen: wie goed doet, goed ontmoet; doe wel en gedenk dat. Weet echter, dat wij toverkracht bezitten; en om je te tonen wat wij waard zijn en wat wij vermogen, loop achter ons aan, want dan kom je uit dit gevaar!"

En terwijl Nardiello er achter aanliep, maakte de muis dadelijk een gat zo groot, dat er een mens door kon en daardoor brachten zij hem langs een helling met treden naar boven in veiligheid. Vandaar geleidden zij hem naar een hooischuur en zij drukten hem op het hart, te bevelen wat hij verlangde, want ze zouden niets achterwege laten om hem een genoegen te doen. "Ik zou graag willen," antwoordde Nardiello, "dat als de koning een andere man aan Milla geeft, jullie mij het plezier doen, hem niet van het huwelijk te laten profiteren, omdat dit profiteren van mijn ongeluk zou zijn!"

"Dat is een peulenschilletje voor ons," gaven de dieren ten antwoord, "houd goede moed en blijf in deze hooischuur op ons wachten, want wij gaan nu dat zaakje opknappen!"

Zij begaven zich dus naar het hof en daar bemerkten zij, dat de koning zijn dochter uitgehuwelijkt had aan een aanzienlijk Duits heer en dat juist op die avond de bruiloft gevierd werd. De dieren drongen handig in de kamer van de jonggehuwden en wachtten tot na het feestmaal - toen de maan naar buiten kwam om het Zevengesternte met dauw te voeren - deze binnen zouden komen om zich ter ruste te begeven. Daar de bruidegom diep in het glaasje gekeken had, sliep hij, zo gauw hij onder dek schoot, in en leek wel dood.

Toen de mestkever het snurken van de man hoorde, klom het diertje zachtjes langs de slip van de bedhemel tegen het ledikant op en kroop vlug in een zeker lichaamsdeel van de man en diende daar als zetpil.

De bruid wekte haar man en toen deze bemerkte, wat hem overkomen was, bleef hij bijna dood van schaamte en barstte haast van woede. En hij stond uit bed op, verschoonde zich geheel en liet de dokters roepen, die de oorzaak van dergelijk ongeluk toeschreven aan zijn overmatig schransen tijdens het feestmaal.

De volgende avond overlegde hij met zijn dienaren, die allen de mening toegedaan waren, dat hij zich flink moest inpakken, om een nieuw ongemak tegen te gaan; en dit deed hij en hij ging in bed en sliep onmiddellijk in.

De mestkever, die weer aan het werk wilde gaan, om hem een tweede poets te bakken, vond deze keer de pas afgesneden. Daarom keerde het diertje uit zijn humeur bij zijn makkers terug en meldde hun, dat de man een schutting van doeken, een dijk van lappen en een loopgraaf van lorren gemaakt had. Na dit gehoord te hebben zei de muis tegen hem: "Kom met me mee en je zult eens zien, of ik geen goede pionier ben om je weg te effenen!"

En ter plaatse gekomen begon ze aan de doeken te knagen en het ene gaatje na het andere te maken, waardoor de mestkever kon binnen kruipen om de man opnieuw een geneeskundige behandeling toe te dienen. De bruid werd er weer wakker van en toen zij zag, wat er met haar mooie Hollandse lakens gebeurd was, vluchtte zij naar de kamer van haar hofdames. En de ongelukkige echtgenoot riep zijn dienaren en reciteerde een lange klacht om zijn pech. En zij troostten hem en gaven hem de raad, de derde nacht goed op te passen. "Wees daar zeker van," zei de man, "want al moest ik doodgaan, vannacht wil ik wakker blijven en me niet door de slaap laten overmannen. En bovendien zullen wij eens goed nadenken, welk middeltje wij kunnen toepassen, om mijn hoofdleiding te stoppen, opdat niet van mij gezegd kan worden: Driemaal viel hij en bij de derde keer bleef hij liggen!"

Dit werd zo afgesproken en toen de derde nacht kwam, en na van kamer en bed veranderd te zijn, ontbood hij de dienaren en vroeg hun om raad, hoe hij verhinderen zou, dat hem voor de derde maal de poets gebakken werd. Wat wakker blijven betreft zouden hem alle slaapbollen, die er op de wereld zijn, nog niet hebben doen inslapen. Er bevond zich nu onder die dienaren een jongeman, die voor zijn genoegen het beroep van artillerist uitoefende, en daar immers ieder gaarne over zijn eigen vak spreekt, ried hij de man, zich een houten stop te zetten, zoals men gebruikt bij vreugdeschoten.

Het voorwerp werd gemaakt en zo solide mogelijk aangebracht; en de man ging ter ruste en deed geen oog dicht, om gereed te zijn bij ieder spoken van zijn maag. De mestkever zei tegen zijn makkers, toen hij zag, dat de man maar niet insliep: "Ai, deze keer staan we lelijk beschaamd; ons kunstje zal ons niets helpen: de man slaapt niet en geeft mij niet de kans, op de bekende wijze voort te gaan!"

"Wacht!" zei de krekel, "want nu zal ik jou helpen." En hij begon zacht te sjirpen en deed de man inslapen.

Toen repte zich de mestkever, om het gebruikelijke spuitje te geven; doch het diertje vond de deur gesloten en de weg gebarricadeerd, zodat het wanhopig en geheel ontdaan bij zijn makkers terugkeerde, om te vertellen wat hem overkomen was. De muis, die geen ander doel had dan Nardiello van dienst te zijn, liep onmiddellijk naar de provisiekast, en daar van potje naar potje snuffelend vond ze een vaasje peper. Zij wreef er haar staart door, holde terug en smeerde er de neusgaten van de rampzalige Duitser mee in. Dadelijk begon deze te niezen en dit gebeurde zo hard, dat de stop met geweld weg vloog, en daar de man met zijn rug naar zijn vrouw toe lag, trof hij haar zo hard midden op haar borst, dat zij er bijna dood van bleef.

Op het gillen van zijn dochter kwam de koning toelopen en vroeg, wat er gebeurd was en zij antwoordde, dat een voetzoeker op haar borst ontploft was. De koning verbaasde zich over deze malligheid, dat zij van een voetzoeker kon spreken. Doch na het dek opgetild te hebben vond hij de stop van het mortiertje, dat de vrouw zo had laten doodschrikken.

Toen de koning vernam, dat dit de derde keer was, dat de man zich zo vergaloppeerd had, joeg hij hem zijn rijk uit en in de gedachte, dat dit alles hem overkomen was door de wreedheid tegenover Nardiello, gaf hij er zich stompen op het hoofd om.

Doch terwijl hij vol berouw om het bedreven kwaad tranen met tuiten huilde, verscheen de mestkever voor hem en sprak: "Wanhoop niet, Sire, want Nardiello leeft nog en om zijn voortreffelijke eigenschappen verdient hij, de schoonzoon van uw heerlijkheid te worden. Als u graag hebt, dat hij komt, zullen wij hem laten roepen!"

"Wees welkom om dit goede nieuws, dat jij mij brengt, lief diertje! Jij geeft me mijn leven terug, jij haalt me op uit een zee van moeilijkheden, want ik heb berouw in mijn hart over het onrecht, die arme kerel aangedaan. Laat hem bij me komen, want ik wil hem omhelzen als mijn zoon en hem mijn dochter tot vrouw geven!"

Na dit gehoord te hebben sprong de krekel - wip-wip - naar de hooischuur, waar Nardiello zich ophield, vertelde hem alles wat gebeurd was en geleidde hem naar het koninklijk paleis, waar de koning hem tegemoet trad en hem kuste, en Milla zijn gemalin werd. Terzelfder tijd werd hij dankzij de toverkracht, die de dieren hem gaven, een schone jongeman. En na zijn vader uit Vomero gehaald te hebben bleven zij tezamen gelukkig en tevreden, waardoor zij bewezen, dat na duizend zorgen en duizend moeilijkheden in één enkel uur meer kan gebeuren dan in honderd jaren.


*   *   *

De mestkever, de muis en de krekel Samenvatting
Een grappig verhaal uit Italië over drie behulpzame diertjes. Een sukkel wordt door zijn vader naar de markt gestuurd om ossen te kopen, maar tot drie keer toe komt hij onderweg een fee tegen van wie hij een gitaarspelende mestkever, een dansend muisje en een zingende krekel koopt. Met deze diertjes maakt hij een prinses aan het lachen waardoor hij met haar mag trouwen. De koning ziet dat echter niet zitten en gooit hem voor de leeuwen. De dieren helpen hem uit de nood en nemen op een grappige manier wraak op de nieuwe echtgenoot van de prinses. Lees het verhaal

Toelichting
Uit de Pentamerone (Lo cunto de li cunti overo lo trattenemiento de peccerille - Het sprookje der sprookjes, of Vermaak voor de kleinen) van Giambattista Basile (Derde dag, vijfde sprookje).

Trefwoorden

Thema
  • Pentamerone (Klassieke Italiaanse sprookjes van Giambattista Basile)

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Lo scarafone, lo sorece e lo grillo

Bron
"Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff, illustraties van Frans Lammers. Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 26 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook