Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:

De reis van Cormac Mac Airt naar het toverrijk Een Keltisch sprookje over drie tovervoorwerpen

Cormac, de zoon van Art en kleinzoon van Conn van de Honderd Oorlogen, was de opperkoning van Erin en hield hof in Tara. Op een dag zag hij een jongeling op de weide voor het paleis met een glinsterende tovertak, waaraan negen rode appels hingen. Telkens wanneer de tak heen en weer werd bewogen, werden mannen die gewond waren of vrouwen, door ziekte verzwakt, door lieflijke tovermuziek die uit de appels scheen te komen, in slaap gesust. Wanneer deze tak voor iemand werd geschud, kende hij geen klachten, wensen of zorgen meer.

"Is die tak soms van jou?" vroeg Cormac aan de jongen.

"Jazeker, majesteit, hij is van mij."

"Wil je hem niet verkopen? En wat moet je ervoor hebben?"

"Zoudt U mij geven wat ik ervoor verlang?" vroeg de jongen.

De koning beloofde dat geen prijs te hoog zou zijn en de jongen vroeg toen om de vrouw, de dochter en de zoon van de koning, in ruil voor de tak.

Toen de koning dit hoorde, werd zijn hart van droefheid vervuld, maar zijn vrouw en kinderen waren nog meer bedroefd toen zij hoorden dat zij Tara zouden moeten verlaten.

Cormac echter schudde zijn tovertak voor hen en toen zij de lieflijke en zachte muziek hoorden, vergaten zij alle zorgen en verdriet en gingen gewillig met de jongeling mee. Toen dit bekend werd, weerklonken er luide kreten van smart en rouw door geheel Erin, maar Cormac bewoog zijn tovertak net zolang tot de laatste sporen van verdriet waren verdwenen.

Toen er een jaar was verlopen, dacht Cormac bij zichzelf: "Vandaag is het een jaar geleden dat mijn vrouw en kinderen van mij zijn weggenomen. Ik zal hen nu volgen langs dezelfde weg die zij gegaan zijn." Hij begaf zich op weg en hij was nog niet ver gekomen of een donkere, magische mist omhulde hem. Toen deze optrok, bevond hij zich op een prachtig mooie vlakte. Hij zag hier vele ruiters die bezig waren het dak van een huis met veren van uitheemse vogels te bedekken. Toen de ene kant van het dak met veren was bedekt, gingen zij weg om meer veren te halen, maar toen zij terugkeerden, was er geen enkel veertje meer op het dak te bekennen. Cormac sloeg hen een tijdje gade en liep toen weer verder.

Na een poosje zag hij een jongeman die bomen bij elkaar sleepte om er een groot vuur mee aan te houden. Maar vóór hij een volgende boom gevonden had, was de eerste alweer verbrand en het leek Cormac of er aan dit werk nooit een eind zou komen.

Cormac trok verder en verder, totdat hij aan het einde van de vlakte drie enorm grote bronnen zag. Bij elke bron lag een groot hoofd. In de geopende mond van de eerste vloeiden twee stromen, terwijl er maar één uit stroomde. Bij het tweede hoofd vloeide er één stroom in en een andere eruit, terwijl er drie stromen in de mond van het derde hoofd kwamen en geen enkele eruit. Cormac was hier natuurlijk zeer verbaasd over en dacht bij zichzelf: "Ik zal hier maar een tijdje blijven om te kijken wat deze bronnen te betekenen hebben, want ik zal wel niemand vinden die mij dat zal kunnen vertellen."

Maar omdat de nacht inviel, wilde hij toch een of andere slaapplaats bereiken en daarom liep hij verder tot hij bij een huis kwam dat midden op het veld stond. Hij trad binnen en begroette de bewoners. Daar zaten een grote man en een grote vrouw in veelkleurige gewaden, die de koning vriendelijk begroetten en hem uitnodigden bij hen te overnachten. De koning nam het aanbod dankbaar aan en toen vroeg de vrouw aan haar man om wat eten te halen. Hij stond op en kwam even later terug met een groot everzwijn op zijn rug en een houten blok in zijn ene hand. Hij gooide het zwijn en het blok op de grond en zei: "Hier is vlees; maak het zelf maar klaar."

"Hoe zou ik dat moeten doen?" vroeg Cormac verbaasd.

"Ik zal het je leren," zei de man. "Splijt dit grote blok in vieren en verdeel het zwijn in vier parten en leg onder elk deel ervan een blok, vertel een waar verhaal en het vlees zal gaar zijn."

Cormac spleet het blok, verdeelde het zwijn en zei: "Vertel jij eerst maar een verhaal."

De man vertelde toen: "Ik heb zeven zwijnen van hetzelfde soort als ik zojuist gehaald heb. Ik zou er de hele wereld mee kunnen voeden, want wanneer zo'n zwijn is geslacht, hoef ik alleen maar de beenderen in de stal te leggen en de volgende morgen is het weer springlevend."

Het verhaal was waar, en een vierde van het zwijn was gaar. Toen vroeg de koning aan de vrouw om ook een verhaal te vertellen.

"Ik heb zeven koeien," zei zij, "die elke dag zeven emmers melk geven en ik zweer dat zij evenveel melk kunnen geven als alle mensen ter wereld kunnen opdrinken, want elke lege emmer kunnen zij meteen weer volmaken."

Het verhaal was waar, want het tweede gedeelte van het zwijn was gaar. Zij vroegen Cormac nu ook een verhaal te vertellen en hij vertelde hoe hij op zoek was naar zijn vrouw, zijn zoon en zijn dochter, die een jaar geleden van hem waren weggenomen door een jongeling met een tovertak.

"Als het waar is, wat je zegt," zei de man, "dan kun je niemand anders zijn dan Cormac, de zoon van Art en kleinzoon van Conn van de Honderd Oorlogen."

"Waarachtig, die ben ik," antwoordde Cormac.

En ook zijn verhaal was waar, want het volgende deel van het zwijn was nu ook gaar.

"Eet nu je vlees maar op," zei de bewoner van het huis.

"Ik heb nog nooit gegeten in gezelschap van slechts twee mensen."

"Zou je dan met nog drie anderen willen eten?"

"Als zij mij dierbaar zijn, zou ik dat wel willen," opperde Cormac.

Ineens ging er een deur open en zijn vrouw en kinderen traden de kamer binnen. Groot was zijn verbazing en zijn vreugde! Hij omhelsde eerst zijn vrouw en daarna zijn zoon en zijn dochter.

Op dat ogenblik nam Manannán Mac Lir, koning van de feeënstoet, zijn eigen ware gedaante aan en sprak tot hem: "Ik was het, Cormac, die deze drie hier van je heb weggenomen. Ik was het ook die je de tovertak heb gegeven. Eet nu en drink."

"Ik zou wel willen," zei Cormac, "als ik de "betekenis maar zou kunnen begrijpen van de wonderen die ik vandaag heb gezien."

"Ik zal ze je verklaren," sprak Manannán. "De ruiters die het dak met veren trachtten te bedekken, zijn net als mensen die de wereld intrekken om geluk, fortuin en rijkdom te zoeken. Wanneer zij hun huis weer betreden, vinden zij het leeg en trekken daarom voorgoed weg. De jongeman die boomstammen aansleepte om het vuur ermee aan te houden, is het evenbeeld van mensen die voor anderen werken; zij geven zich veel moeite, maar kunnen zich nooit bij het vuur warmen. De drie hoofden bij de bronnen stellen drie verschillende soorten mensen voor: De eerste geeft royaal, wanneer hij zelf ook royaal ontvangt; de tweede geeft royaal, al ontvang hij zelf maar weinig of niets, en de derde - en dat is de slechtste van de drie - geeft niets, terwijl hij zelf in weelde en rijkdom baadt."

Nadat Cormac, zijn vrouw en zijn kinderen aan tafel waren gaan zitten, werd er een tafelkleed voor hen uitgespreid en daarop verschenen plotseling de heerlijkste spijzen en dranken.

"Dat is iets heel kostbaars voor je," zei Manannán, "er zijn geen spijzen en dranken, hoe verfijnd en uitgelezen ook te bedenken, of zij zullen op het tafelkleed verschijnen, als je er om vraagt."

"Uitstekend, uitstekend!" vond Cormac. Daarna stak Manannán een hand in zijn gordel en haalde er een gouden beker uit die hij op zijn handpalm plaatste. "Dit is de Beker der Waarheid," sprak hij, "wanneer er ooit een leugen voor hem wordt uitgesproken, zal hij in vier stukken breken en alleen door het vertellen van een waar verhaal kan hij weer worden gemaakt."

"Dat zijn zéér kostbare dingen die je daar hebt, Manannán," merkte de koning vol bewondering op.

"Zij zijn alle drie voor jou, Cormac; de beker, het tafelkleed en de tovertak."

Toen begonnen zij aan de maaltijd die allervoortreffelijkst was, want men hoefde slechts aan een bepaalde vleessoort te denken of deze stond reeds op tafel, of aan een bijzondere wijnsoort en de beker was al meteen tot de rand toe gevuld.

Na de maaltijd bedankten zij de koning van het Toverrijk op hartelijke wijze. Manannán liet voor zijn gasten de slaapvertrekken gereed maken en zij sliepen net zo lang tot de zon hen wekte. En toen zij ontwaakten, merkten zij dat zij weer terug waren in Tara, met het tafelkleed, de beker en de tovertak.


*   *   *

De reis van Cormac Mac Airt naar het toverrijk Samenvatting
Een Keltisch sprookje over drie tovervoorwerpen. Een Ierse koning ruilt zijn vrouw en kinderen voor een magische tak waaraan negen rode appels hangen: wanneer je er mee schudt vergeet iedereen zijn zorgen! Na een jaar gaat hij echter weer op zoek naar zijn familie en komt hij in het toverrijk van Manannán. Lees het verhaal

Toelichting
Cormac Mac Airt (zoon van Art) is een van de beroemdste Hoge Koningen van Ierland en heeft waarschijnlijk echt bestaan. Veel legenden worden aan hem toegeschreven. Hij regeerde vanaf Tara (de hoofdstad) gedurende 40 jaar in de derde eeuw na Christus.

Manannán Mac Lir is in de Keltische mythologie de god van de zee en het weer. Manánnan Mac Lir is de zoon van Lir en zijn naam betekent 'Mannanan, zoon van de zee'. Zijn vrouw is Fand. Hij is de beschermer van de Gezegende Eilanden en regeert over Mag Mell. Hij heeft een schip zonder zeilen dat hem volgt als hij het daartoe bevel geeft en hij heeft een mantel waarmee hij zich onzichtbaar kan maken.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Het zwarte paard. Keltische sprookjes en verhalen" door Max en Beatrix Prick van Wely. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1977. ISBN: 90-202-0038-0

Herkomst: Ierland
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook