Volksverhalen Almanak

De toverratel Een sprookje van de Arekuna-Indianen over hebzucht die gestraft wordt

De toverratelWowo had drie zusters, die getrouwd waren met de beste jagers uit het Indianendorp. Het was dus niet te verwonderen dat zijn zwagers iedere dag met een rijke buit thuis kwamen. Wowo had nooit geluk, hij kwam steeds met lege handen thuis en iedereen in het dorp bespotte hem. Daarom ging Wowo alleen nog maar in de ochtendschemer met zijn blaaspijp op jacht, maar de pech achtervolgde hem ook dan.

Op een morgen zag hij een omgevallen boom en daarop een nest met jonge vogels. Snel pakte hij zijn blaaspijp, legde er een pijl in en wilde hem al wegblazen - maar de vogels smeekten en baden hem: "Maak ons niet dood, we zullen onze dankbaarheid bewijzen! Kom eens dichterbij en pak de kalebas uit ons nest. Het is genoeg, als je hem voor de helft vult met water. Je zult wel zien wat er gebeurt..."

Wowo ging naar het nest en werkelijk, er lag een kalebas in. Hij nam hem mee naar de krokodillenrivier. Daar vulde hij de schaal half met water zoals de vogels hem gezegd hadden.

Het water was nog maar nauwelijks in de kalebas gekomen of de rivier droogde uit en de meerval, de doornvis, de longvis en de krokodil spartelden in het ondiepe water. Wowo zette vlug de kalebas op de grond en verzamelde de vangst, die zo groot was dat hij hem op de terugweg nauwelijks tillen kon. In gedachten was hij al bij zijn zusters en zwagers: ze zouden hem zeker prijzen voor zijn buit.

Maar nee, zijn zusters en hun mannen waren jaloers op zijn geluk, dat zich op de tweede, derde en vierde dag herhaalde. "De jongen moet kunnen toveren," meenden zijn zwagers, "hoe zou hij anders aan deze vissen kunnen komen. Laten we hem eens volgen!"

Zo gezegd zo gedaan.

Toen Wowo de hut verliet, volgden ze zijn sporen. Toen ze de krokodillenrivier bereikten, zagen ze met eigen ogen, hoe het water, als door een toverhand gedwongen in de kalebas stroomde en de rivierbedding helemaal droog kwam te staan.

Nog voordat Wowo de vissen uit de uitgedroogde rivier kon verzamelen, vroegen de zwagers: "Leen ons je kalebas, wij willen ook graag zo'n rijke vangst naar huis brengen."

"Waarom ook niet," antwoordde de goedige Wowo, "maar vul hem niet verder dan de helft!"

De zwagers namen de kalebas en verdwenen zonder een woord van dank in de dichte struiken.

De volgende dag brachten ze een grotere vangst thuis dan Wowo ooit gezien had. Maar de daarop volgende dag kwamen ze met boze gezichten, want ze hadden niet één visje.

"Wat is er gebeurd?" vroeg Wowo.

De mannen vielen nijdig tegen hem uit: "Vraag dat maar liever niet, we hebben je kalebas tot de rand toe laten vollopen, omdat we twee keer zoveel vissen wilden hebben. Maar in een ogenblik sloegen uit de schaal zulke grote golven in de rivier, dat het kolkende water ons als een speelbal heen en weer gooide en ons bijna had meegesleept, de kalebas is ons uit de handen geslagen..."

Wowo zei geen woord, hij ging naar de rivier om de kalebas terug te vinden. Hij liep aan de oever heen en weer, zocht overal maar kon hem niet vinden. Opeens hoorde hij ruisen boven zijn hoofd en er klonk een vogelstemmetje: "De kalebas vind je niet, maar omdat je medelijden met ons had, geven we je een toverpijl. Leg hem voor de helft in de blaaspijp - en dan zal je wel zien..." Wowo had niet eens tijd om zijn hoofd om te draaien of voor hem lag een korte, bonte pijl. Maar van de vogel was niets meer te zien.

Direct legde hij de pijl half in de blaaspijp en blies hem met kracht weg. De aarde werd als door een zwarte wolk verduisterd en voor zijn voeten vielen eenden en ganzen en allerlei vogels waar de Indianen graag op jagen.

Toen Wowo met zijn jachtbuit thuis kwam, konden zijn zwagers van afgunst niet meer slapen en nauwelijks hadden ze de volgende dag van de toverpijl gehoord of ze wilden hem meteen ook hebben. Wowo kon het verzoek niet afslaan maar hij waarschuwde ze: "Leg de pijl maar half in de blaaspijp, anders loopt het verkeerd met jullie af!"

De mannen dachten maar een paar dagen aan zijn raad en daarna kwamen ze op een dag met boze gezichten, gescheurde kleren en smerig naar huis. "Wat is er gebeurd?" riep Wowo, "en waar is mijn toverpijl?" - "Wees blij dat die vreselijke pijl verdwenen is," riepen zijn zwagers, "we hebben de hele pijl in de blaaspijp gelegd, maar in plaats van dat er eenden voor onze voeten vielen werden we aangevallen door gieren en adelaars en ze hadden ons bijna ter dood gebracht!"

Wowo zei weer geen woord, maar liep het oerwoud in en bereikte al gauw de plaats waar zijn zwagers de pijl hadden afgeschoten en waar de roofvogels hun hebzucht hadden bestraft. Hij liep heen en weer en dwars er doorheen maar de toverpijl vond hij niet. En weer ruisten er vleugels boven zijn hoofd en weer klonk het vogelstemmetje: "Je zoekt tevergeefs Wowo. De roofvogels hebben je pijl meegenomen. Maar omdat je medelijden met ons had, geven we je een laatste geschenk: Een toverratel! Maar vergeet niet, dat je niet meer dan een enkele keer daarmee mag ratelen. Luister goed naar onze raad, anders loopt het slecht af." En voordat de vogels wegvlogen viel er een ratel voor zijn voeten. Hij was met geheimzinnige tekens beschilderd.

Wowo pakte de ratel en probeerde hem meteen. En zie daar: Uit de struiken kwamen herten en tapirs en veel andere dieren en vielen voor hem, als door de bliksem getroffen, dood neer.

Wowo moest vele malen heen en terug gaan om de hele buit bij zijn zusters te brengen. Maar de slechte en jaloerse zwagers vielen als wolven op hem aan: hij moest ze voor enige dagen zijn ratel lenen! Maar Wowo wilde de ratel niet afgeven, pas toen zijn zwagers hem met de dood bedreigden gaf hij hem, maar met een bezwaard hart.

Ze hadden al vlug zoveel te eten dat ze in overvloed leefden. Desondanks groeide de hebzucht van de mannen steeds meer tot ze op een dag zeiden: "Wie weet, waarom Wowo ons dreigde dat het slecht met ons zou aflopen. Hij gunt ons zeker die fijne lekkernijen niet. Laten we het meteen maar eens uitproberen."

En toen ratelden ze een tijdlang met de ratel. Het geluid van de ratel was nog niet verstomd of er waren al heel wat dieren. Maar niet die dieren waar de Indianen graag op jagen, maar juist die waarvoor ze in angst en vrees op de vlucht gaan: de krokodil en de jaguar. Met wilde kreten stortten ze zich op de geschrokken hebzuchtigen, verscheurden ze en vraten ze meteen op. Alleen de ratel en een paar botten bleven over.

Toen het al lang nacht was geworden en de zwagers nog steeds niet thuis waren, ging Wowo op zoek. Hij zag al gauw wat er was gebeurd. Hij begroef de resten, nam de ratel en ging met het treurige bericht naar zijn zusters.

Sinds die tijd wilde niemand zijn toverratel meer lenen en Wowo was zijn leven lang tevreden. Men vertelt zelfs dat de toverratel zijn nakomelingen tot nu toe met zijn toverkracht dient.


*   *   *

De toverratel Samenvatting
Een sprookje van de Arekuna-Indianen over hebzucht die gestraft wordt. Wanneer een Indiaan tijdens de jacht medelijden toont met een nest jonge vogels, krijgt hij van hen tot drie keer toe een tovervoorwerp waarmee hij voortaan heel eenvoudig met een grote buit van de jacht kan terugkeren. Zijn zwagers zijn jaloers en pakken telkens het voorwerp van hem af, maar door hun hebzucht gebruiken ze het verkeerd en loopt het slecht met ze af. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika" door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5

Herkomst: Venezuela
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook