De vos en de raaf

Mensen die vleien hebben daar een bedoeling mee. Dat ondervindt de raaf wanneer hij op een boom met een mals stuk vlees in zijn bek zit en de vos als een volleerde slijmbal tegen hem aan begint te praten.
Het gekras van raven, die onder het roze gekleurde zwerk vlogen, vulde de lucht. Steeds schoten ze als een zwarte wolk naar en van de slordige nesten in de toppen van de bomen. Ze werden aangevoerd door een oude, reeds grijzende vogel, wiens woord wet was. Na hem kwamen de andere, oudere leden van de familie, die in het voorjaar waren geboren. Het waren ongeduldige vogels, trots op de sterke jonge vleugels en op het gekras, dat ze voortbrachten. Ver daar achter, apart van de anderen, kwam de meest verwaande raaf.

Die hoefde zich niet te haasten, omdat hij er op vertrouwde, dat hij de anderen gemakkelijk kon inhalen, als hij dat wilde. Lui klapwiekend in de avondlucht, viel zijn oog op een open raam van een huis beneden hem en hij besloot op onderzoek uit te gaan.

Naar beneden langs het raam schietend zag hij tot zijn vreugde in de kamer een tafel vol met het heerlijkste eten. Hij draaide zich abrupt om, vloog met een boog terug, door het open raam en greep een groot stuk vlees. Zijn hart klopte van opwinding toen hij met zijn vangst naar een groepje dennen, dat vlakbij stond, vloog. Het vlees was zwaar en hij streek dan ook buiten adem neer op een gerieflijke tak. Zijn heldere ogen schitterden van voldoening en begerigheid.

Een laatste zonnestraal gleed tussen de takken door. En viel op een bruine vacht tussen de dennennaalden en de varens aan de voet van de boom. De bruine vacht bewoog zich stilletjes vooruit en daar, in het roze licht van de ondergaande zon, stond een vos.

Het was nog tamelijk vroeg voor zijn nachtelijke jacht, maar hij was erg hongerig na bijna de hele dag te hebben geslapen. Toen de vos naar boven keek zag hij de raaf met het malse stuk vlees in zijn snavel. Het water liep hem uit de bek. Wat was hij jaloers op de raaf! Deze keek spottend op hem neer. Hij vond de vos maar een tamelijk gewoon schepsel. Hij kon zelfs niet vliegen!

De vos concentreerde zich op het vlees, terwijl zijn hersens snel werkten. Zijn geelkleurige ogen schitterden fel. Hij besloot, dat hij ten koste van alles het vlees moest hebben. Zijn mooie staart zwaaide zachtjes heen en weer en zijn tong trilde tussen zijn kaken. Toen glimlachte hij naar de raaf en sprak met zachte stem: "Wat zie ik daar voor moois?"

De raaf hield zijn kop scheef en keek naar beneden, terwijl hij het stuk vlees nog altijd stevig in zijn bek hield. Toen hoorde hij de vos zeggen: "Die prachtige vleugels komen absoluut uit een goed nest. Wat zijn ze mooi en sterk! En dan die ogen, zo zacht glanzend, en die blik zo teder en voornaam..."

De raaf werd wat onrustig en dacht: "Misschien had ik het mis. De vos schijnt een erg elegant en gevoelig dier te zijn."

De vos haalde even adem en ging toen verder: "Op al mijn reizen heb ik nooit zo'n gracieuze houding, zo'n waardigheid gezien. Wat een klasse! Zelfs de sierlijke zwanen op het meer zouden zeker groen van afgunst worden als zij zoiets moois zouden zien!"

De raaf raakte hoe langer hoe meer met zichzelf ingenomen, maar hij hield de buit stevig vast. Hij wilde nog graag meer horen en wachtte vol verwachting. De vos ging verder: "Die gladde snavel, die sierlijke klauwen. Dit moet de wonderschone raaf zijn, waarover ik zo veel heb horen praten."

De raaf deed een stap naar rechts en een stap naar links, maar hij hield het vlees nog steeds goed vast. Toen mompelde de vos: "Als hij nu nog eens zou kunnen zingen als de nachtegaal! Maar natuurlijk, met zulk een uiterlijke schoonheid kan hij waarschijnlijk helemaal niet zingen. Wat jammer!" De vos zuchtte: "Als hij maar kon zingen, dan zou hij de koning van allen zijn." De verwaande jonge raaf kon zich niet langer in bedwang houden. De vos, zo besloot hij, was een heer van smaak en kwaliteit. Hij moest hem tonen, dat zijn stem in alle opzichten even mooi was als zijn figuur en kleur. Hij kon eenvoudigweg niet langer stil blijven. Hij opende zijn bek zo ver mogelijk. "Kra, Kra, Kra!" kraste hij, daarbij het meest afschuwelijke geluid, dat men ooit hoorde, makende.

Plotseling was er opwinding aan de voet van de boom, toen het stuk mals vlees op de grond viel. De vos sprong er direct bovenop en greep het tussen zijn sterke kaken. Toen de vos wegrende, kraste de raaf woedend: "Kra, kra, kra! Jij gemene dief! Geef mijn vlees terug, kra, kra, kra! Jij gemene dief!" Maar de vos kwam niet terug, ondanks zijn mooie woorden.

Mensen, die vaak vleien hebben daar een bedoeling mee.


*   *   *

Toelichting
De Franse schrijver Jean de la Fontaine heeft van deze fabel van Aesopus een rijmversie gemaakt zie: De raaf en de vos. Een eigentijdse versie is van Hans Teeuwen: Kiekerjan

Aesopus was een Griekse slaaf, die van omstreeks 620 tot 560 jaar voor Christus leefde. Er wordt beweerd dat hij vele keren gekocht en verkocht is, misschien wel vanwege zijn vreemde verschijning. Er werd verondersteld, dat hij een bochel had. Dan had hij een platte neus, dikke lippen en een misvormd hoofd. Hij had ook een onnatuurlijke donkere gelaatskleur. De legenden veronderstellen, dat hij aan een spraakgebrek leed, dat hem gehinderd moet hebben bij het vertellen van sprookjes. Hoewel dit zijn goede verstand niet nadelig zou hebben beïnvloed.

Een versie op rijm uit "Fabels van Aesopus; bijeengebracht door Phaedrus in verzen verteld en ingeleid door Johan van Nieuwenhuizen." Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979:

In deze fabel rooft een raaf een stukje kaas.
Hij is daarbij voor ’t eerst zijn vriend de vos de baas.
Van vossen wordt gezegd, dat z’als de raven stelen;
hij denkt er dus niet aan de kaas met hem te delen,
maar strijkt neer op een tak, net buiten het bereik
van sluwe Reinaard, die reikhalzend naar hem kijkt.
"Of ik ben kleurenblind, of hier gebeurt een wonder!"
roept plotseling de vos. "Dit is wel heel bijzonder.
Nog nooit zag ik zo iets. Ik raak mijn zinnen kwijt.
Gevederd vriendje, hoor! Jij bent een zeldzaamheid!
Ik zag in meenge boom ontelbare raven zitten;
zij waren altijd zwart. Maar jij, vriend, bent een witte!
Dit moet een omen zijn. ‘k Ervaar hier een gezicht.
Spreek op en zeg toch wat de hemel mij bericht.
Dat mij, een oude vos, nog zo iets wordt beschoren -
te weten, dat k dra een gouden stem mag horen!"
De raaf bekijkt zichzelf, maar ziet zijn kleed nog zwart.
Toch, wat de vos daar zei, vervult hem trots zijn hart.
- Heb ik een gouden stem? Zou ik niet langer krassen?
Dan zal ik ’t bosvolk eens op mijn gezang vergasten! -
Zijn snavel gaat vaneen. Hij ademt diep. Een zucht…
Behendig hapt de vos het kaasje uit de lucht.
Wie zich door loze lof de ogen laat verblinden,
die zal, meestal te laat pas, zijn gezicht hervinden.

Bron
"De fabels van Aesopus" verteld door Robert Mathias, vertaald door C. van der Heide. Thieme, Zutphen, 1984. ISBN: 90-03-98320-8.

Lees ook