Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 11 min.
Herkomst:

Hoe de Mongolen de stad Moskou met list veroverden

Het jaar 1382 was nauwelijks aangebroken, toen boven het wijde Russische land een merkwaardig teken verscheen: kort voor de avondschemering in het westen en kort voor het ochtendgloren in het oosten kon men aan de hemel een komeet zien, die op een wervelende spiraal leek, met zo'n buitengewone schittering, dat de mensen de ogen moesten neerslaan om niet verblind te raken.

"Er komen vreselijke tijden," zei men. "We hebben geleefd in zonde, en daarom wordt ons moedertje Rusland gestraft, het zal bedwongen en neergeslagen worden!"

In het hele land hoorde men woorden van dergelijke strekking, maar niemand kon vermoeden, dat ze binnen zo korte tijd bewaarheid zouden worden.

Nauwelijks had de winterkou plaatsgemaakt voor een aarzelend voorjaarszonnetje, of de Mongoolse Khan verzamelde een groot leger en rukte op naar de Wolga.

En opdat zijn ware bedoelingen niet zouden uitlekken, brandde hij onderweg hele dorpen plat, liet de bewoners afmaken en de overlevenden stuurde hij de slavernij in.

Maar toch kwam het plan van Khan Tochtamisch de vorsten Dimitri van Susdal en Oleg van Rjasan ter ore. In plaats van zich te weer te stellen, zoals ze aan hun eer en afkomst verschuldigd waren, boden ze de Khan hun diensten aan, want ze waren ervan overtuigd, dat de rijke stad Moskou het hoofddoel van de aanstormende Mongolen was - en daar hadden ze zich beslist niet in vergist.

Tochtamisch de geweldige, die iedereen angst inboezemde, ontving de beide afvalligen en nam genadiglijk de waardevolle geschenken in ontvangst.

Zo kregen de Tartaren onverwachte versterking, en onder aanvoering van Oleg van Rjasan trokken ze naar Moskou.

Een dapper koopman echter, die het gelukt was uit tartarengevangenschap te ontsnappen, bracht de Moskovieten van het naderend onheil op de hoogte.

Toen grootvorst Dimitri dit hoorde, verliet hij met zijn gevolg Moskou, met de bedoeling voor de stadspoorten sterke strijders om zich heen te verzamelen. Maar daar wachtte hem een bittere teleurstelling, want sommigen namen uit angst de vlucht, weer anderen hadden met Tochtamisch een heimelijke overeenkomst gesloten.

Met de overgebleven schare van trouwe en dappere volgelingen kon en wilde Dimitri niet naar Moskou terug. Hij bleef in het kleine Kostroma achter, met de stille hoop, dat Tochtamisch niet naar Moskou zou oprukken.

Hij kon dus niet weten, wat zich inmiddels in de stad afspeelde, anders zou hij zeker andere maatregelen hebben genomen.

In Moskou heerste namelijk een volledige chaos. Sommigen verwelkomden de strijd, anderen daarentegen probeerden te vluchten. De plattelandsbevolking kwam naar de stad, om have en goed van hun familieleden te beschermen, want de hele omgeving werd onveilig gemaakt door rondzwervend gespuis. Het kwam zelfs zover, dat landlopers en roverbenden de stadspoorten bezetten en iedereen plunderden, die de stad in of uit wou. De bewoners protesteerden tevergeefs.

Tot op een dag - het scheen de Moskovieten een wonder toe - de Litause vorst Ostej, kleinzoon van de beroemde strijder Olgierd, zijn hulp kwam aanbieden, en de rust en orde in de stad weer herstelde. Hij gaf het bevel voor de verdediging van Moskou.

Bojaren, priesters, soldaten, kooplieden, handwerkers, oude mannen, vrouwen en kinderen, kortom, niemand uitgezonderd, scherpten de wapens en richtten verschansingen op als verdediging.

Het werd trouwens de allerhoogste tijd, want Oleg van Rjasan voerde Tochtamisch' leger al via een doorwaadbare plaats over de rivier de Oka, en de 23e augustus stonden ze voor Moskou.

Het eerste wat opviel waren hun blanke sabels, onheilspellend schitterend tegen de blauwe hemel, hun onafzienbare rijen werden steeds dikker en weldra werd de aarde door hen overspoeld.

Toen gaf Tochtamisch het bevel tot de aanval over te gaan.

Honderdduizenden pijlen verduisterden de hemel, afgeschoten door Tartarenruiters in wilde galop, hoog in de stijgbeugel opgericht. Anderen plaatsten lange ladders tegen de schansen.

Aanvankelijkraakten de verdedigers in paniek door de pijlenregen die op hen werd afgevuurd, maar toen de eerste tartaar met getrokken sabel op de verschansing sprong, vonden ze hun kalmte terug.

Kokend pek en enorme stenen, geschoten uit slingers, werden op de aanvallers losgelaten, en wie niet was gevlucht, vuurde zijn pijlen in de richting van de aanvallers.

Bij de Frolowpoort vocht een koopman, Adam geheten, en hij herkende onder de aanvallers de zoon van de grote Tochtamisch. Hij spande een pijl op zijn boog, richtte nauwkeurig en met een goed gemikt schot doorboorde hij het hart van de prachtig uitgedoste ruiter.

Toen Tochtamisch dat zag, gaf hij onmiddellijk het bevel tot de terugtocht. Met tegenzin ontruimden de tartaren het slagveld, begeleid door het gelach en gejubel van de Moskovieten.

Menig inwoner dacht deze avond, dat Tochtamisch de belegering van de stad opgaf, omdat het zijn zoon het leven had gekost. Maar hun vreugde duurde niet lang.

Nog voor de schemering was ingevallen stonden de Tartaren weer onder de verschansing en bestormden hardnekkig voor de tweede maal de stad.

Bij dozijnen bereikten ze dit keer de verschansing, maar niemand gelukte het, de stad binnen te dringen.

Tochtamisch knarsetandde bij het zien van de gevallen strijders en woedend joeg hij iedereen op, die nog een sabel vast kon houden. Maar tevergeefs, ook de tweede dag moesten ze zich terugtrekken, als ze het niet op een nederlaag wilden laten aankomen.

Maar het verlangen, de gehate stad te veroveren en zo de dood van zijn zoon te wreken, liet Tochtamisch niet met rust. Nog diezelfde nacht liet hij nieuwe versterkingen aanrukken en bij het aanbreken van de derde dag bestormden de Tartaren opnieuw de verschansing.

Slechts door hun onmetelijke dapperheid en door krijgsgeluk hielden de uitgeputte Moskovieten stand, want elk van hun schoten trof doel en de aanvallers werden bij tientallen tegelijk neergemaaid.

Tochtamisch kon zijn ogen niet geloven. Was dat zijn roemrijk leger, dat al zoveel steden had veroverd? Ze vielen links en rechts als vliegen!

Op dit moment kwam Oleg van Rjasan haastig aangelopen en fluisterde hem iets in het oor. Tochtamisch luisterde aandachtig, terwijl hij zijn scheefstaande ogen samenkneep. En middenin de woedende strijd gaf hij plotseling het bevel, de aanval op de stad te staken.

Niet begrijpend verlieten de Tartaren het strijdtoneel; de Moskovieten, die op het ergste waren voorbereid, wachtten op de dingen die zouden komen.

Oleg van Rjasan reed naar de verschansing, gevolgd door zijn Tartaren, en onder doodse stilte riep hij, met honingzoete stem:

"Moskovieten, jullie hebben je stad dapper verdedigd, en daarom zal Khan Tochtamisch jullie genade schenken. Trouwens, hij strijdt niet tegen de Moskovieten, maar tegen grootvorst Dimitri! Open daarom de poorten van de stad en kom Khan Tochtamisch met geschenken tegemoet. Niemand zal een haar worden gekrenkt, en dat geldt evenzeer voor mijzelf!"

De goedgelovige Moskovieten namen deze woorden voor waarheid aan, en er was niemand, die op dit ogenblik aan de onheilspellende hemelverschijning dacht!

Nadat er een paar uur waren verstreken, moeten de Moskovieten de stadspoorten ook inderdaad geopend hebben.

Vorst Ostej, de Bojaren en kooplieden, allen kwamen met kostbare geschenken, de popen droegen kruizen en iconen mee...

Maar toen de allerlaatste de weide voor de verschansing was opgelopen, stortten de Tartaren zich als een lawine op de weerlozen. Eerst werden vorst Ostej en de geestelijken gedood, daarna de kooplieden en de Bojaren.

Intussen waren andere Tartarenhorden de stad binnengedrongen, en ook zij kenden geen genade; het bloed stroomde als water!

Huizen en paleizen werden platgebrand, en wie niet door de sabels werd neergeslagen, verdronk in de Moskva.

De stad Moskou was op die rampzalige dag vervuld van jammerlijk geschrei en kreten om hulp; rookwolken verhieven zich boven de stad, en er was niemand meer die kon troosten, want degenen die deze slachting overleefden, werden door Tochtamisch naar het Tartarenland weggevoerd.

Het was de 26e augustus... Van de eens zo prachtige paleizen restten nog slechts stukken muur, van de houten huizen slechts verkoolde balken. Maar Tochtamisch' wraakzuchtige ziel was nog steeds niet voldaan. Na enige dagen trok hij verder en zette zijn plunderingen voort. En zelfs voor de residentie van Oleg van Rjasan maakte hij geen uitzondering!


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sagen van Europese steden" verteld door VladimĂ­r Hulpach. Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6

Herkomst: Rusland
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook