Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 18 min.
Herkomst:

Hoe Kyai Blorong de hebzuchtige Sarijan strafte Een Indonesische legende over de gevolgen van hebzucht

Vele eeuwen geleden woonde in het rijk van Bagelen op Midden-Java een machtige vorst, die zo goed en zo mild was, dat men hem de 'edelmoedige' noemde. Geen bedelaar verliet hongerig of zonder aalmoes zijn paleis. En verwoestte soms een aardbeving of een overstroming de huizen van zijn onderdanen, of werd de oogst bedorven door een insektenplaag, dan vergoedde deze edelmoedige vorst een groot deel van de geleden schade.

Zo kwam nu ook op zekere dag Pak Suruh, een oppassende landbouwer, zich bij de vorst beklagen dat een bende veedieven, die reeds lang de omtrek onveilig maakte, hem van zijn twee grote, sterke buffels had beroofd. "En geld om nieuwe buffels te kopen, heb ik niet, o vorst," klaagde de man. "Wel, dat behoeft ook niet, Pak Suruh," sprak de vorst op vriendelijke toon. "Ga jij nu maar naar huis. Morgen zend ik je een paar buffels, die nog flinker en sterker zijn dan de buffels die je had."

Vrolijker dan hij die morgen uit zijn dorp was vertrokken, keerde Pak Suruh in de namiddag weer terug. De eerste die hij in het dorp zag, was zijn buurman Pak Sarijan, een man die even lui als hebzuchtig was en die alleen werkte wanneer de honger hem ertoe dreef.

"Wel, Pak Suruh," begon hij, "waarom kijk je zo vrolijk? Toen je vanmorgen je buffels miste, keek je toch heel anders." - "Zou jij ook niet vrolijk zijn, als de vorst je een paar andere buffels gaf?" vroeg Pak Suruh. "Morgen kunnen ze al hier zijn en dan begin ik dadelijk met het omploegen van mijn sawah. Als je wilt kun je me helpen," vervolgde hij goedig tot zijn luie buurman.

Pak Sarijan echter zei dat hij veel te moe was om op de sawah te werken, keerde zich om en liep verder door het dorp. Terwijl hij liep, bedacht hij plotseling iets. Als het zo gemakkelijk gaat om de vorst te bepraten, dacht hij, kan ik het ook wel eens wagen, hem een paar buffels te vragen. Hij kan toch onmogelijk weten dat ik nooit een buffel heb bezeten en hij zal me zeker wel een paar dieren geven, wanneer ik hem vertel dat de veedieven ook mijn buffels meenamen.

De volgende morgen stond Pak Sarijan schreiend voor het vorstenverblijf te wachten, totdat de vorst hem zou zien en dan zou vragen waarom hij, Pak Sarijan, toch zo bedroefd was.

In plaats van de vorst zag een oud vrouwtje, dat neergehurkt op een der stenen voor het paleis zat, hem. Het oudje, dat Pak Sarijan scheen te kennen, strompelde naar hem toe en vroeg: "Waarom zo bedroefd, Pak Sarijan?" - "Hi, hi, hi," snikte de luiaard, "zou ik niet bedroefd zijn? Vannacht hebben de veedieven mijn twee buffels gestolen. Ach, mijn arme dieren," kermde hij. "Ze waren zo groot en zo sterk. En nu, nu bezit ik niets meer. Ik ben zo heel arm, nu mijn buffels weg zijn... En nu ben ik hier gekomen om bij de vorst mijn nood te klagen en hem een paar nieuwe buffels te vragen."

Juist toen Sarijan zo sprak, verliet de vorst het paleis. Nog harder begon de luiaard te jammeren en de vorst die de man zo bedroefd zag, wenkte hem dichterbij te komen.

Toen Pak Sarijan aan de voeten van zijn gebieder knielde, vroeg deze hem: "Vertel me nu eens de reden van uw grote droefheid. Hebt u misschien uw vrouw of een van uw kinderen verloren?" - "Nee, o, nee," snikte Pak Sarijan, "ik heb alleen mijn twee schone, sterke buffels verloren! Veedieven drongen gisteravond mijn tuin binnen en roofden mijn beide dieren. En nu ben ik arm..." Even glimlachte de vorst en daarna sprak hij tot Pak Sarijan: "Wel, dat is toch wonderbaarlijk! Er kwamen gisteravond twee buffels mijn stal binnenlopen. Zouden dat jouw buffels kunnen zijn?" En zonder het antwoord van Pak Sarijan af te wachten, gaf de koning zijn slaven het bevel, de twee grootste en schoonste buffels uit de stal te brengen.

"Zijn het deze buffels?" vroeg de vorst, toen de dieren op het voorplein stonden. "Ja mijn vorst, o ja, dat zijn mijn buffels," loog Pak Sarijan. "Ik zie het aan de kop van de ene en aan de horens van de andere." Hij liep nu op de dieren toe en wilde hen aanraken. Maar zodra hij zijn hand naar hen uitstak, begonnen zij met hun horens te stoten. Daarna draaiden zij zich om en liepen naar het oude vrouwtje.

"Je zegt wel dat het jouw buffels zijn, Pak Sarijan," begon de vorst nu op strenge toon, "maar het is toch vreemd dat zij hun meester niet herkennen." - "Toch zijn het mijn buffels, o vorst," hield de luiaard vol. "Het zoontje van Pak Astra, mijn buurman, leidt ze, en daarom kennen ze mij niet zo goed." Het gelaat van de vorst werd hoe langer hoe donkerder. Hij keek Pak Sarijan boos aan, wendde daarna met een gebaar van minachting het hoofd af en vroeg aan het vrouwtje: "Wijze Mbok Truna, vertel jij eens aan deze man, wie deze buffels toebehoren." - "Ze behoren u toe, mijn vorst," antwoordde het moedertje. "Pak Sarijan heeft nimmer een buffel bezeten. Hij is te lui om te werken, en te arm om zelfs een geit te kunnen kopen. En toch verlangt hij naar rijkdom, o vorst, want hij is even hebzuchtig als lui." - "Dan zal hij rijk worden," sprak de vorst. "En u, wijze Mbok Truna, moet hem vertellen, wie hem rijkdom kan schenken, zonder dat hij er iets voor behoeft te doen."

Daarop nam het oudje het woord: "Pak Sarijan, ga naar het Zuiderstrand en loop tot de Oceaan. Blijf daar staan op de plek waar een der rotsen tot in zee loopt en roep daar Kyai Blorong aan. Hij zal je rijk maken, zoals hij reeds velen die hem aanriepen, met schatten heeft overladen." - "En word ik dan vanzelf rijk?" vroeg Pak Sarijan. "Hoef ik dan niet van 's morgens vroeg tot 's avonds laat te werken?" - "Je hoeft helemaal niet meer te werken, Pak Sarijan," sprak het vrouwtje. "Ga nu heen en spoed u naar Kyai Blorong."

Pak Sarijan keerde terug naar zijn dorp, verkocht daar zijn hut en zijn rustbank en vertrok zonder iemand iets te vertellen naar het Zuiderstrand. Nauwelijks was hij daar aangekomen of hij riep met luide stem Kyai Blorong aan. Uit de diepte van de zee bulderde een stem: "Wie ben je en wat verlang je van mij?" - "Ik ben Pak Sarijan, o grote, machtige Kyai Blorong," riep de luiaard met een van angst bevende stem. "Ik ben hier gekomen om u te smeken mij rijk te maken." - "Als je mijn bevelen wilt opvolgen, kun je zeven jaren in rijkdom leven. Maar denk er wel aan: zeven jaar en geen moment langer..."

Wat daarna gebeuren zou hoorde Pak Sarijan niet, vervuld als hij was van de gedachte zeven lange jaren in rijkdom te mogen leven. Hij antwoordde daarom haastig: "Ik zal al uw bevelen opvolgen, o machtige Kyai Blorong. Alles, alles wil ik voor u doen als u mij maar goud en edelstenen wilt schenken." - "Je zult hebben wat je wilt," lachte de zeegeest. "Begin maar vast met het volgende te doen: loop naar de Praga, waar je aan de oever van de rivier witte kiezelstenen zult vinden. Zoek genoeg stenen om een rijstpan mee te vullen, maar denk er wel aan, dat alle stenen even groot moeten zijn en dezelfde vorm moeten hebben. Loop dan langs de rivier tot je bij een huis van bamboe komt. Ga daar naar binnen en leeg de pan boven het vuur. Loop dan weer naar buiten en vul de rijstpan nog eens. Als je weer in het huis terugkeert, dan zal het eeuwig brandende vuur daar je eerste voorraad kiezelstenen in diamanten hebben veranderd. Je tweede voorraad zal veranderen in goud, je derde in parels, je vierde in robijnen. Ja, in alles wat je maar wenst zullen de kiezelstenen veranderen." Met van hebzucht schitterende ogen had Pak Sarijan de woorden van Kyai Blorong aangehoord en zijn vingers kromden zich alsof hij zijn schatten reeds kon grijpen. Toen vroeg hij: "Grote Kyai Blorong, mag ik zoveel van de kiezelstenen nemen als ik wil?" - "Neem zoveel als je wilt," antwoordde de zeegeest, "maar je mag niet meer dan telkens een pan vol naar de hut brengen." - "Ik zal eraan denken, grote gebieder," zei Pak Sarijan en hij ging naar het dichtstbij gelegen dorp, kocht daar de grootste pan die hij kon vinden en liep daarmee naar de rivier om daar zijn eerste voorraad kiezelstenen te gaan halen.

De oever was bezaaid met kiezelstenen van allerlei grootte en vorm en daarom duurde het wel even voordat Pak Sarijan ze had uitgezocht en zijn pan had gevuld. Toen begaf hij zich naar de hut, maar die lag zo ver in het onmetelijke woud, dat Pak Sarijan enige dagreizen nodig had om deze te bereiken.

Eindelijk daar aangekomen, schrok hij geweldig bij het zien van het reusachtige vuur, dat de hut bijna geheel vulde. Doodsbang voor de vlammen, die zich als vurige slangen naar alle kanten kronkelden, durfde hij het eeuwig brandende vuur niet te naderen, noch de met stenen gevulde pan erin te legen. "Hoe zou ik in dit vuur mijn goud en diamanten terug kunnen vinden?" zei hij tot zichzelf. Ten einde raad ging hij voor de hut zitten.

Terwijl hij daar zo moedeloos zat en naar zijn kiezelstenen staarde, vloog er een kalong langs hem heen. Het dier fladderde telkens boven zijn hoofd heen en weer en dit begon Pak Sarijan te vervelen. Hij probeerde de kalong te verjagen, maar in plaats van weg te fladderen, begon het dier te spreken. "Pak Sarijan, waarom verzamel je niet eerst de stenen totdat je een grote hoop hebt en werp je ze daarna in het vuur? Dan heb je in een keer grote rijkdom verworven."

Dat vond hij geen slecht idee en zo kwam het dat hij met grote ijver kiezelstenen ging verzamelen. Hij gunde zich zelfs geen tijd om eten te koken en at daarom alleen kruiden en vruchten, die hij op zijn weg door het woud vond. En terwijl hij aan niets anders meer kon denken dan aan het verzamelen van kiezelstenen, vergat hij de tijd.

De zeven jaren waren snel voorbij, en op een dag kwam de kalong hem vertellen dat Kyai Blorong op hem wachtte. Het was juist de dag waarop Pak Sarijan dacht dat zijn berg kiezelstenen groot genoeg was om in het reuzenvuur te werpen. Hij was dan ook zeer verbaasd toen de kalong hem kwam halen. Pak Sarijan sputterde tegen: "Zeg tegen hem dat ik niet kan komen," riep hij. "Ik zal hem komen bedanken als ik beladen met schatten naar mijn dorp terugga. Nu kan ik nog niet weg; vandaag werp ik mijn stenen op het vuur." - "Kom mee," piepte de kalong. "De zeven jaren zijn voorbij. En naar je dorp zul je nooit meer terugkeren." - "En mijn stenen dan? Al mijn tot een berg opgehoopte schatten?" jammerde Pak Sarijan. "Heeft iemand ooit tegen je gezegd, dat je zeven jaar lang zoveel kiezelstenen moest verzamelen totdat ze een berg zouden vormen?" vroeg de kalong. "Maar jij riep het me toch toe?" kermde Pak Sarijan. "Jij riep me toch toe dat ik de kiezelstenen tot een grote hoop moest verzamelen om ze daarna op het vuur te werpen?" - "Nee, dat was ik niet," sprak de kalong. "Het was je eigen hebzucht, die jou dat ingaf. Maar nu ben ik gekomen om je te vertellen dat de zeven jaren voorbij zijn en dat Kyai Blorong je verwacht. Kom, haast je wat, want als je niet naar hem toe gaat, komt hij je wel halen en dan..."

Lustig vlamde het eeuwig brandende vuur in de hut. Hoog, heel hoog opgehoopt tot een grote berg lagen voor de hut de helder witte kiezelstenen. En de kalong zweefde boven het hoofd van Pak Sarijan, die plots door doodsangst werd gegrepen. Hij sloot de ogen en toen hij ze weer opende stond hij op het Zuiderstrand, vlakbij de zee. En voor hem, gezeten op een golf, wenkte hem de afzichtelijke Kyai Blorong, die zijn armen uitstrekte en Pak Sarijan greep om hem mee te sleuren naar de diepte, waar hij in het vervolg zou dienen als paal voor het verblijf van de zeegeest.


*   *   *

Hoe Kyai Blorong de hebzuchtige Sarijan strafte Samenvatting
Een Indonesische legende over de gevolgen van hebzucht. Een luie en hebzuchtige man sluit een verbond met de zeegeest Kyai Blorong. Zeven jaren lang zal hij in rijkdom kunnen leven: hij hoeft alleen maar witte kiezelstenen in het eeuwig brandende vuur te werpen en ze veranderen vanzelf in edelstenen. Wanneer de zeven jaren om zijn, moet hij echter een hoge prijs betalen. Lees het verhaal

Toelichting
Over het geslacht van Kyai Blorong bestaat enige verwarring. Er zijn ook verhalen waarin de zeegeest een vrouw is en Nyai Blorong wordt genoemd. Deze figuur wordt wel afgebeeld met het onderlichaam van een slang. De relatie die hierdoor met de slang als brenger van voorspoed en rijkdom wordt gelegd, is zeer duidelijk. Nyai of Kyai Blorong is de zeegeest, die heerst over de andere bewoners van de duistere wateren en rijkdom en voorspoed kan schenken aan mensen, zij het voor een bepaalde termijn. De prijs die men na het verstrijken daarvan moet betalen is hoog (denk aan het Faust-motief): de ongelukkige wordt een deel van het verblijf van Nyai of Kyai Blorong. Deze zeegeest wordt gelokaliseerd in de oceaan ten zuiden van Java.

Uit: J. Meijboom-Italiaander, Javaansche sagen, mythen en legenden, Thieme, Zutphen, 1924, pp. 235-243.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Indonesië
Verteltijd: ca. 18 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook