Klein Duimpje en de 7 mijlslaarzen (in rijmvorm) Charles Perrault - Klein Duimpje (in rijmvorm) Er was eens een arme man, die hout hakte in het bos; zijn hutje was maar ruw gebouwd en 't dak begroeid met mos.
Zijn vrouw hielp trouw bij 't werken mee en droeg het hout naar huis, en stapelde de takken dan heel netjes in de kluis.
Zij hadden zeven kinderen, dat was een grote schat; maar zeven monden - lieve deugd, die lusten nogal wat!
Het waren allen jongens, waarvan de oudste tien, het jongste nog pas zeven jaar, een kleuter bovendien.
Hij was niet groter dan een duim, maar toch een slimme guit; Klein Duimpje noemden hem zijn broers, en sliepten 't ventje uit.
Maar ons Klein Duimpje werd nooit boos, en zong er maar op los, of schuilde weg in stoof en ton, of speelde in het bos!
Toen sloop de armoe de woning in, het jaar was schraal en duur; wel dikwijls hing er in die tijd geen etenspot op 't vuur.
Er was soms vele dagen lang geen brood in de oude kast, en werd er door het arme gezin gehongerd en gevast.
Toen week de blijdschap uit de kluis, Klein Duimpje zong niet meer, de kinderen treurden, en dat deed het ouderhart zo zeer.
De vader kloofde nog wel hout, maar hij verkocht niet veel; toch nam hij van zijn boterham zelf maar het kleinste deel.
En moeder werkte nog wel mee, maar zij at zelf haast niet; zij gaf haar kinderen 't laatste brood, en schreide van verdriet.
Zij werden mager allebei, en hopeloos in 't end, De hond en kat al eveneens, van honger en ellend.
Eens op een avond zat de man bedrukt bij 't haardvuur neer: De kind'ren lagen reeds te bed men hoorde hen niet meer.
Ook moeder weende droef en stil, verdiept was ze in haar smart, dat zij geen brood had voor haar kroost, dat viel haar toch zo hard.
"Neen vrouw, zo kan het langer niet," zo sprak de man ten lest, "de kind'ren gaan van honger dood, al doe ik ook mijn best.
'k Ontving mijn loon sinds weken niet, en daarom, lieve vrouw! Eén middel blijft slechts over, dat ons uitkomst bieden zou."
Ofschoon de vader fluist'rend sprak, had Duimpje 't toch gehoord; omdat hij niet sliep had hij 't gesprek verstaan van woord tot woord.
Nieuwsgierig naar wat volgen zou, kroop hij de bedstee uit tot onder moeders stoel, en daar vernam de kleine guit:
"Welk middel dan, mijn beste man?" vroeg zijn moeder; toen zei vader: "'t Enigst middel is ons van ons kroost te ontdoen.
Het is wel meer dan treurig, vrouw, maar 't kan toch anders niet; zo zeven monden minder helpt, al geeft het ons verdriet.
Wanneer wij morgenochtend vroeg gaan kloven aan het hout, dan nemen we onze kind'ren mee, en laten hen in 't woud."
"Och, lieve hemel!" snikte wel de moeder, 't hart vol pijn; maar vader zei: "Ja, vrouwlief! 't kan toch heus niet anders zijn."
Klein Duimpje kende de afspraak nu, en klom weer stil in bed; Maar slapen kon het ventje niet, want hij had heel geen pret.
Geen wonder! In het grote woud verlaten zijn, alleen! Hij beefde reeds als hij dacht: "Waar moet het met ons heen?"
Maar spoedig was zijn plan gemaakt, vroeg klom hij 't bed al uit, en lichtte toen de deurklink op, stil, zonder 't minst geluid.
Nu liep Klein Duimpje op een draf naar 't beekje in het bos, dat ruiste langs de groene zoom, begroeid met donzig mos.
Maar ons Klein Duimpje had geen oog voor 't glinst'ren van de beek; of voor het wilde bloemetje, dat geurend opwaarts keek.
Hij zocht alleen aan de oeverkant naar steentjes, wit en rond, naar kiezelsteentjes, die hij daar al ras voldoende vond.
Hij vulde er zijn zakken mee, en liep, zo snel hij kon, terug naar 't huisje, reeds omzoomd door 't roze licht der zon.
"Waar was je?" vroeg zijn moeder hem, terwijl zij treurig keek; "Ik ben mij," sprak Klein Duimpje snel, "gaan wassen in de beek."
"Komt, kind'ren!" sprak de vader, "komt, je mag vandaag eens mee; wij gaan weer hakken in het woud." en 't zestal riep: hoezee!
Maar ons Klein Duimpje zweeg, hij was ook helemaal niet blij dat men naar 't bos trok; 't kereltje bleef de achterste in de rij;
zijn beentjes waren ook zo kort! Men lette op hem haast niet, en zag niet dat zo nu en dan hij een steentje vallen liet.
In 't midden van het dichte woud gekomen nam men rust, en zei de vader: "Kinderen, speelt hier maar naar hartelust;
ik ga met moeder verder op houthakken; blijf dus hier; wij komen spoedig weer terug, maak nu maar veel plezier."
De arme man en de arme vrouw ze stapten verder voort, maar spraken op de lange weg van droefheid haast geen woord.
De kinderen speelden wel in 't eerst zo'n beetje met elkaar, maar vonden 't toch al gauw in 't bos wel eenzaam en erg naar.
Alleen het schril gekras der raaf verbrak de stilte wat, en 't windje, dat er lispelde in eik- en varenblad.
Maar somber was 't er niettemin, en 't maakte ons zevental zo angstig, dat het huiverde, en rond gluurde overal.
Toen dan eindelijk moederlief noch vader wederkwam, en donkerder de schaduw werd van pijn- en beukenstam,
begonnen - op Klein Duimpje na - de kinderen zeer bevreesd te roepen en te jammeren; de oudste nog wel 't meest.
zo stonden ze in het diepe woud te schreien bij elkaar, tot eindelijk Klein Duimpje zei: "Nu broertjes, troost je maar;
ik weet de weg nog goed door 't bos, komt mee maar langs dit pad. Je ziet die kiezelsteentjes wel? die steentjes, wit en glad?
Die heb ik ongemerkt gestrooid, 'k liep immers achteraan vanmorgen? Maar nu ik voorop, allons, flink voortgegaan."
Geen van allen huilde meer, zij volgden hun broertje, en zie: Klein Duimpje vond terstond de weg, de steentjes wezen die.
De vader en de moeder waren op elkaar verstoord en boos, Het werkloon was juist uitbetaald, nu ze waren kinderloos!
Nu en de grote pot met brij hing dampend over 't vuur Nu was de kast weer vol met brood... och, och! wat was dat zuur!
o man, wat heb je me veel verdriet, en leed gedaan en pijn! onze arme, lieve kinderen, waar of die nu wel zijn?
Nu zwerven ze in het grote bos, misschien zijn ze al verscheurd door wolf of beer wie weet, wie weet wat meer nog is gebeurd."
Moeder snikte, en vader zweeg met tranen in zijn oog, en keek vol meelij naar zijn vrouw, die 't hoofd mistroostig boog.
"Och, och, waar toch mijn kinderen zijn?" zo kreet zij elke keer; "Hier zijn we!" klonk Klein Duimpjes stem, "hier moeder, zijn we weer!"
En moeder hoorde 't blij gejuich, en sloot haar kroost aan 't hart. De vader lachte van plezier... vergeten was de smart.
Toen dreef de volle pot met brij de vreugde hoog in top, Klein Duimpje klom langs moeders rok de bank en tafel op;
en allen schaarden zich er rond, tot zelfs de hond en kat 'k Behoef wel niet te zeggen, wie het beste plaatsje had.
En moeder schepte al maar door, dat was pas een plezier! En ieder hield zijn napje bij Klein Duimpje at voor vier.
En vader zag het lachend aan, en zei: "Eet nu maar goed, want in de kast daar is nog brood en spek in overvloed."
zo ging het vele weken lang, er was iedere dag volop. Maar eindelijk raakte toch weer 't geld en ook het eten op.
En toen ach, lieve hemeltje! toen nam na lang beraad de vader 't vroeger middel weer - het moest wel zo - te baat.
ook nu sprak hij met moeder af de kinderen mee naar 't bos te nemen, en dan weg te gaan, al brak ze in tranen los.
Maar ook Klein Duimpje hoorde 't weer, en dacht: 'k ga morgenvroeg gauw naar de beek, want steentjes zijn daar zeker nog genoeg.
Maar toen het ochtendzonlicht scheen in 't hutje d'andere dag, en ons Klein Duimpje naar de beek zich wilde spoeden ach,
toen zat de grendel op de deur, en kon hij er niet uit om steentjes! wat nu te doen? Ik weet wat... denkt de guit.
Hij steekt zijn boterham in zijn zak, niets at hij er van op, en volgt zijn ouders en zijn broers naar 't bos haast in galop;
en strooit, hij liep weer achteraan, het brood in kruimels neer; en dacht : straks vind ik toch de weg naar onze hut wel weer.
De ouders lieten nu hun kroost nog dieper in het bos, en de arme kinderen braken weer in jammerklachten los.
Maar toen zei ons Klein Duimpje weer: "wat's dat voor malligheid? Ik weet nog best het rechte pad, dat naar ons hutje leidt.
Droogt, broertjes! dus je tranen af; ik strooide broodkruim neer, en als ik maar die kruimels volg, vind ik vast ons huisje weer."
Maar ach, de vogeltjes in 't groen die hadden van de weg de kruimpjes opgepikt, en nu wist Duimpje heg noch steg.
Als vroeger stond ons zevental te schreien van belang Oh vadertje,oh moedertje zo klonk het luid en bang.
Alleen de echo in het woud gaf antwoord op die klacht, De avond daalde meer en meer als bode van de nacht.
Wanhopig dwaalde 't zevental nu her- dan derwaarts heen; wie nog een beetje moed bezat was Klein Duimpje maar alleen;
toch dacht ook hij: hoe komen we dit donkere bos weer uit? De katuil riep: oehoe! oehoe! de vleermuis piepte luid.
Het was er lang niet prettig, hoor! De kinderen konden haast geen hand voor ogen zien zo zwart en duister was 't op 't laatst.
"Och, waren we," zo snikten zij, "och, waren we maar dood!" Maar Duimpje dacht: licht komt er toch nog uitkomst in de nood.
Vlak bij hem stond een slanke boom, beroofd van knop en blad. wie denk je wel, dat in een wip hoog in de takken zat?
Het was Klein Duimpje en over 't woud kon hij nu heel ver zien. "Dat lichtje ginds, broertjes! is van onze hut misschien,"
riep hij, want hij zag een licht, en klom de boom weer uit, "Daar moet het regelrecht op los, voort jongens, recht vooruit.
zij struikelden wel menig keer, of prikten zich geducht aan distelpunt en dorenstruik, maar eindelijk : de lucht
was weer te zien, de sterren ook, en zie - daar lag het huis waaruit het licht hun tegen blonk; maar 't was niet moeders kluis.
Het was veel groter en van steen, en had een wijde poort, De kinderen klopten, en dat werd daar binnen ook gehoord.
Een vriendelijke, jonge vrouw trad uit de deur en hield meteen een lamp omhoog, zodat het licht de zwerverstroep bescheen.
"Och, lieve juffrouw! neem ons op voor deze nacht alleen. wij zijn verdwaald in 't grote bos, en weten niet waarheen,"
sprak Klein Duimpje, en zijn broers die klaagden ook niet min. Dat trof het hart der goede vrouw, ze liet de tobbers in.
zodra ze waren in het huis, sprak ze : "Kinderen, wees stil! Ik gun je wel een slaapstee, als mijn man 't maar hebben wil;
want hij... hij is een wildeman!" "Hu!" rilde ons zevental; "Maar 'k weet een plek," zei zij, "waar hij je toch niet vinden zal."
Toen ging zij naar een ledikant, reusachtig groot en zwaar; waarin haar zeven dochtertjes reeds sliepen naast elkaar,
en sprak: "Schuilt hier maar onder weg, daar vindt mijn man je niet." Nu, elk begrijpt dat geen der broers 't zich tweemaal zeggen liet.
En nauw'lijks zat ons zevental daar onder 't ledikant, of: bom! zo klonk het op de poort dat deed geen mensenhand.
De kinderen huiverden van angst, de wildeman kwam thuis, 't was of een os of olifant er stapte door het huis.
"'k Heb dorst en honger," bromde hij; "geef eten, vrouw! en bier; en," zei hij, "wat een lekkere reuk! zeg, vrouw! wat ruik ik hier?"
"Wel, man! Dat is 't gebraden schaap, dat voor je op tafel staat." "Neen, vrouw! ik ruik iets lekkerders dan 't lekkerste gebraad."
"Dat is verbeelding," zei de vrouw; "kom, eet maar, beste man!" En hij verslond het halve schaap, dronk bier, wel dertig kan;
maar haalde toch zijn neus weer op "Je fopt me, vrouw! ik ruik... ha, kindervlees!" - toen stond hij op met dikgegeten buik,
en snuffelde als een woeste beer door gang en kamers rond, totdat hij onder 't ledikant de bange kinderen vond.
"Ha!" brulde hij, "ik wist wel dat ik goed geroken had, en ik je zeker vinden zou, waar je ook verscholen zat.
Er uit! zo schreeuwde toen de reus, en stak zijn linkerhand met dikke vingers, grof en hard, diep onder 't ledikant,
en greep ze vast bij arm en been, de stakkers - ruw en wreed, en zwaaide in zijn rechterhand een mes, ontzaglijk breed.
"Och," bad Klein Duimpje, en knielde voor de wildeman terneer, "och, heb toch medelij met ons, eet ons niet op, meneer!"
"Zwijg," riep de reus; "ik stoor me nergens aan, ik slacht je als ik wil." En ons Klein Duimpje en ook zijn broers zwegen nu dodelijk stil.
"Och," sprak toen de vrouw, "beste man, plaag toch die kinderen niet. ze waren in het bos verdwaald, 't zijn tobbers als je ziet."
"Maar 'k smul er toch eens heerlijk van!" hernam de boze man, en sleep nog eens zijn vreselijk mes, gereed voor 't gruwzaam plan.
"Och, lieve man!" vroeg weer de vrouw, "och, laat dat heden toch," en fluist'rend zei ze: "kijk eens goed, ze zijn zo mager nog!
Bewaar ze liever nog een week, dan zijn ze dik en vet." "Dat's waar," zo sprak de reus, "wel stop ze dan maar gauw in bed,
en geef hun volop eten, hoor! dan smul 'k er later van." Daarna is de wildeman zelf naar zijn bed gegaan.
zijn goede vrouw was recht verblijd, ze gaf Klein Duimpje een hand, en legde het bibberend zevental in 't andere ledikant.
Zij wenste hun een goede nacht, toen ging ze zachtjes heen... zo waren nu de kinderen gelukkig weer alleen.
"Stil, broertjes," sprak Klein Duimpje, "st! wij moeten hier vandaan. Hier eet de wildeman ons op, dus haastig opgestaan;
Geeft mij je mutsen!" - Duimpje sloop er mee naar 't bed, alwaar met gouden kroontjes op het hoofd, en rustig naast elkaar
de kinderen sliepen van de reus; de kroontjes nam hij vlug en gaf aan elk der dochtertjes een schamele muts terug,
Toen liep hij door zijn broers gevolgd stil op zijn teentjes voort, de kamer van de reus voorbij, de gang door naar de poort.
Gelukkig was die niet op slot, en helder scheen de maan; nu voorwaarts wat je lopen kunt, en nimmer stil gestaan.
Intussen werd de wildeman in 't midden van de nacht klaar wakker. - "Drommels, had ik toch die bengels maar geslacht!"
zo dacht hij. "'k Heb verbazend trek!" En zonder dat zijn vrouw 't bemerkte, stond de wreedaard op, en ging door 't groot gebouw
naar 't nachtverblijf der kinderen; daar tastte hij en greep in 't donker, tot hij in een muts van een der jongens kneep.
"Dit zijn ze met die mutsen, want in 't andere ledikant daar slaapt mijn kroost met kroontjes op..." En ach, met eigen hand
vermoordde hij zijn dochtertjes... juist brak de morgen aan. De reus bemerkte plotseling hoe dwaas hij had gedaan.
Hij brulde, en keek in 't andere bed: 't was leeg; - zijn arme vrouw kwam toegelopen op 't geschreeuw, maar 't was vergeefs berouw.
"Ze zijn gevlucht die jongens, ha! maar 't zal hun slecht vergaan! Geef mij gauw mijn laarzen, vrouw! van zeven mijlen aan."
Toen stapte hij gelijk de wind zo vlug en op een draf, en legde zo bij elke tred, een weg van zeven mijlen af.
"'k Hoor," sprak Klein Duimpje, "in de lucht zo 'n wonderbaar gegons; dat's wis en vast de wildeman, die ruikt en zoekt naar ons.
Verberg je ras in 't kreupelhout en in die dorenheg; ik zelf zoek gauw een mollegat en schuil er diep in weg."
En nauwelijks was dat plan volvoerd, daar kwam de wildeman; wat had hij hard gelopen, pfoe! hij hijgde en zweette er van.
"'k Moet even rusten," sprak de reus, "dit plekje is naar mijn zin." Hij ging daar zitten op een steen, en sliep al spoedig in.
Klein Duimpje keek eens uit het gat: "Hij slaapt," zo dacht de guit, en op zijn teentjes sloop hij dra zijn donkere schuilhoek uit
naar de reus; die trok hij vlug de laarzen van het been. Die toverlaarzen, 't was wel vreemd! die pasten iedereen...
Klein Duimpje trok de laarzen aan, en riep zijn broertjes toe: "Geeft mij en aan elkaar een hand, en dan naar pa en moe."
Toen stoven zij in snelle vaart recht aan op de oude kluis, en kwamen dra gezond en wel bij pa en moe weer thuis.
Toen was het feest in de oude hut voor de ouders en hun kroost, en dan die gouden kroontjes! ja, die gaven dubbel troost.
Klein Duimpje zei: "Mijn ouderslief, nu zult u eens wat zien! 'k zal maken dat ik iedere week het huishoudgeld verdien."
En ons Klein Duimpje ging naar 't hof, daar werd hij aangesteld tot 's konings vleugeladjudant, en kreeg een beurs vol geld.
want met zijn toverlaarzen aan bracht hij al vliegensvlug de hofdepêches heen door 't land, en was weer snel terug.
Hij had het best; hij zorgde voor zijn ouders trouw, de guit! En leefde zo nog jaren lang en nu is 't sprookje uit.
* * * EINDE * * *
Toelichting: Op de Volksverhalen Almanak vind je ook een versie in proza: Klein Duimpje. Trefwoorden: jongste zoon, houthakker, duim, honger, reus, zeven, 7 getal, laars, klein duimpje, houthakker, armoede, brood, afluisteren, plan, vallen, steentje, broodkruimel, opeten, vogel, verdwalen, bos, eten, slapen, zevenmijlslaars, mensenvlees, liegen, ruiken, Bron: "De sprookjes van Moeder de Gans" door Charles Perrault, berijmd door Ant. L. de Rop. Foresta, Groningen. Oorspronkelijke titel: Le Petit Poucet
Klein Duimpje en de 7 mijlslaarzen (in rijmvorm). Charles Perrault - Klein Duimpje (in rijmvorm). Klein Duimpje en de 7 mijlslaarzen (in rijmvorm). jongste zoon, houthakker, duim, honger, reus, zeven, 7 (getal), laars, klein duimpje, houthakker, armoede, brood, afluisteren, plan, vallen, steentje, broodkruimel, opeten, vogel, verdwalen, bos, eten, slapen, zevenmijlslaars, mensenvlees, liegen, ruiken,. Klein Duimpje en de 7 mijlslaarzen (in rijmvorm). Charles Perrault - Klein Duimpje (in rijmvorm). klein maar dapper. Klein Duimpje en de 7 mijlslaarzen (in rijmvorm). Charles Perrault. Ant. L. de Rop. Klein Duimpje en de 7 mijlslaarzen (in rijmvorm). Rijm. Op de Volksverhalen Almanak vind je ook een versie in proza: Klein Duimpje. jongste zoon, houthakker, duim, honger, reus, zeven, 7 (getal), laars, klein duimpje, houthakker, armoede, brood, afluisteren, plan, vallen, steentje, broodkruimel, opeten, vogel, verdwalen, bos, eten, slapen, zevenmijlslaars, mensenvlees, liegen, ruiken, |
De Nationale Sprookjesbon. Elke week GRATIS een verhaal ⇒
TREFWOORDEN: Vind gelijksoortige verhalen via onderstaande trefwoorden:
Meer informatie over "Klein Duimpje en de 7 mijlslaarzen (in rijmvorm)" via meer info |
Stichting Beleven

Coehoornstraat 35
6811 LA Arnhem
www.beleven.org |
|