Wereld Feesten Almanak


Onafhankelijkheidsdag
Datum:
jaarlijks op 22 november


Onafhankelijkheidsdag

Datum: dinsdag 22 november 2016
Land / gebied: Libanon
Libanon In 1920 werd de staat Libanon door Frankrijk gesticht, nadat Britse en Franse legers de Ottomaanse (Turkse) troepen hadden verslagen. Het Franse mandaatgebied werd in 1943 officieel onafhankelijk.

In hetzelfde jaar kwamen de leiders van de destijds meest invloedrijke bevolkingsgroepen, de maronieten en de soennieten, het zogenaamde Nationale Pact overeen. Op basis van het aandeel in de volkstelling van 1932 werd een verdeling gemaakt van politieke en ambtelijke functies tussen de christelijke en islamitische bevolkingsgroepen. Hierbij werd een verdeelsleutel van respectievelijk 6:5 gehanteerd.

De jaren '60 werden gekenmerkt door een snelle economische groei, maar er was ook sprake van toenemende economische en sociale ongelijkheid. Sjiieten vormden inmiddels de grootste bevolkingsgroep in Libanon, maar politiek waren ze ondervertegenwoordigd. Pogingen om langs democratische weg tot hervormingen te komen mislukten, waardoor tegenstellingen tussen rechtse christenen en linkse moslims toenamen. De relaties tussen islamitische milities en guerrillagroeperingen zoals de Palestijnse bevrijdingorganisatie PLO werden daarentegen steeds hechter.

In juni 1967 viel Israël Libanon en de andere Arabische frontlijnstaten aan. Tijdens deze zgn. 'Zesdaagse Oorlog' veroverde het Israëlische leger de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem, de Gazastrook en de Sinaï. In de jaren daarna werd het zuiden van Libanon geleidelijk aan de belangrijkste Palestijnse uitvalbasis voor aanvallen op Noord-Israel. Israël beantwoordde deze guerrilla-activiteiten met artilleriebombardementen en luchtaanvallen die behalve Palestijnse ook Libanese doelen troffen. De verdeeldheid onder Libanezen over de militante Palestijnse groeperingen nam hierdoor verder toe, helemaal toen in 1970 de PLO uit Jordanië werd verdreven en haar hoofdkwartier in Beiroet vestigde.

In 1975 brak een burgeroorlog uit die 15 jaar zou duren, waarbij diverse christelijke en islamitische milities elkaar bestreden. Een Syrische interventiemacht slaagde er een jaar later in de orde te herstellen. De Arabische Liga richtte vervolgens de multilaterale Arab Deterrent Force (ADF) op bestaande uit 30.000 (voornamelijk Syrische) soldaten, die nieuwe vijandelijkheden tussen de strijdende partijen diende te voorkomen. Syrische steun aan Palestijnse guerrillagroepen gaf echter aanleiding tot een nieuwe militaire schermutselingen, waardoor de burgeroorlog zich bleef voortslepen en van vredesbesprekingen weinig tot niets terechtkwam.

Als reactie op een Palestijnse aanval op 11 maart 1978 op een bus in de nabijheid van Tel Aviv, waarbij meer dan 35 mensen om het leven kwamen, lanceerde Israël enkele dagen later een grootscheepse aanval over land tegen Palestijnse posities in Libanon. Bij deze 'Operatie Litani' bezette Israël een groot deel van Zuid-Libanon en kwamen ongeveer duizend Libanese burgers om het leven. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties riep bij resolutie nr. 425 Israël op zich terug te trekken en bracht vervolgens de United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL) tot stand om de vrede in het gebied te handhaven. In juli 1978 trokken de Israëlische strijdkrachten zich terug uit het zuiden van Libanon, maar zij gaven de controle over het door hen ontruimde gebied in handen van de christelijke milities die nauwe banden onderhielden met het IDF.

Palestijnse aanvallen op doelen in het noorden van Israël leidden op 6 juni 1982 tot een tweede Israëlische invasie. Het IDF slaagde erin door te stoten naar Beiroet, maar pas in augustus van dat jaar waren de Palestijnse leiders (en een groot deel van hun strijders) ook daadwerkelijk uit Libanon verdreven. De operatie leidde tot een drastische vermindering van PLO-aanvallen op Israëlisch grondgebied, maar daarentegen zouden acties door de Shi'itische Amal-militie en de pro-Iraanse Hezbollah ('Partij van God') tegen Israël en het door Israël gesteunde South Lebanese Army (SLA) sterk toenemen.

Op 14 september 1982 kwam de nog niet geïnstalleerde maronitische president Bashir Gemayel bij een bomaanslag op het hoofdkwartier van de Falange Partij om het leven. Uit wraak voor deze, aan Palestijnen toegeschreven, aanslag brachten de door de Falange Partij gedomineerde christelijke milities vervolgens in de vluchtelingkampen Sabra en Shatila ruim duizend Palestijnse burgers om het leven. Libanon bleef vervolgens geteisterd worden door strijd tussen de verschillende milities en van een centraal geleide staat was vrijwel geen sprake meer.

Na een vergeefse poging door de christelijke president Aoun om de Syrische troepen te verdrijven, kwamen Libanese parlementsleden in 1989 in Saoedi-Arabië het 'Akkoord van Taïf' overeen. De overeenkomst legde de machtsverhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen opnieuw vast en hoewel de oude verdeelsleutel van belangrijke politieke functies niet werd gewijzigd, was er wel sprake van een verschuiving van de politieke macht. De bevoorrechte positie van de christenen werd beperkt, doordat de premier meer macht verkreeg ten koste van de positie van de president en moslims en christenen kregen ieder een gelijk aantal parlementszetels toebedeeld. Met hulp van Syrië werden vervolgens de milities ontwapend en kwam aan de burgeroorlog ook feitelijk een eind.

In mei 1991 sloten Libanon en Syrië het "Verdrag inzake Broederschap, Samenwerking en Coördinatie" teneinde het beleid inzake politieke, militaire en economische aangelegenheden, alsmede de binnenlandse veiligheid op elkaar af te stemmen. Hiermee werd Syrië's invloed in Libanon in feite geïnstitutionaliseerd. Een jaar later, in augustus 1992, werden voor het eerst in ruim twintig jaar parlementsverkiezingen gehouden. De verkiezingen werden echter geboycot door de christenen uit protest tegen de voortdurende aanwezigheid van Syrische troepen in Libanon. Hierdoor zou volgens hen een eerlijk verloop van deze verkiezingen niet gegarandeerd zijn. De verkiezingen werden gewonnen door de steenrijke bouwmagnaat Rafiq Hariri. De nieuwe premier startte een ambitieus wederopbouwprogramma, "Horizon," waarbij de activiteiten zich echter sterk richtten op Beiroet en weinig verbetering teweeg brachten in de leefomstandigheden van de bevolking. Na aanvankelijke successen en economische groei, stortte de economie in en zag Harriri zich in gedwongen om af te treden. In november 1998 werd hij opgevolgd door Salim al-Hoss. De nieuwe regering slaagde er echter niet in het land uit de economische malaise te halen.

De parlementsverkiezingen in augustus/ september 2000 werden een eclatante overwinning voor de voormalige premier Hariri en diens politieke bondgenoten. Hariri presenteerde op 26 oktober 2000 zijn nieuwe kabinet, bestaande uit 30 ministers. De andere winnaar van de verkiezingen was Hezbollah, weliswaar een gewapende verzetsbeweging maar ook een legale shi'itische politieke partij. De Israëlische terugtrekking uit Zuid-Libanon in mei 2000 wordt in Libanon algemeen gezien als de verdienste van Hezbollah, wat zich vertaalde in politieke winst tijdens de verkiezingen.

Hoewel de winst van Hariri van te voren was voorspeld, bleek deze veel groter dan verwacht. Een belangrijke oorzaak hiervoor is het falende economische beleid van de regering Hoss, maar waarschijnlijk ook het feit dat Syrië zich i.t.t. vorige keren minder actief heeft ingelaten met de gang van zaken voor en tijdens de verkiezingen.

In september 2004 verlengde Syrië het mandaat van de Libanese president Lahoud. Naar aanleiding hiervan diende de Veiligheidsraad van de VN op 2 september 2004 resolutie 1559 in. De Veiligheidsraad riep hierbij alle buitenlandse troepen op zich uit Libanon terug te trekken en de soevereiniteit en politieke onafhankelijkheid van Libanon te waarborgen. Tevens bracht de Veiligheidsraad op 19 oktober 2004 een verklaring uit, waarin wordt verwezen naar resolutie 1559 en waarin Syrië wordt opgeroepen haar troepen terug te trekken uit Libanon en Libanon's onafhankelijkheid te erkennen. In zijn hoedanigheid als voorzitter van de Raad van Ministers van de Europese Unie heeft Minister Bot op 27 augustus 2004 een verklaring uitgegeven, waarin hij namens de Europese Unie het belang van respect voor de soevereiniteit en onafhankelijkheid van Libanon benadrukt. Premier Hariri diende op 20 oktober 2004 zijn ontslag in, als gevolg waarvan zijn kabinet viel. Omar Karami, premier in de periode van 1990 tot 1992, werd benoemd tot opvolger van Hariri. De eerstgenoemde presenteerde op 26 oktober 2004 het nieuwe 30 leden tellende kabinet.

De populaire Rafiq Hariri, die zich kandidaat had gesteld voor de verkiezingen van mei/ juni 2005, en daarin gold als favoriet, kwam op 14 februari 2005 om bij een aanslag met een autobom in Beiroet. Deze dramatische gebeurtenis leidde tot sterke internationale veroordeling en algehele consternatie in het nog altijd fragiele Libanon. Nationaal werd dit geuit in massale demonstraties waarin vrijwel alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd waren, en die voornamelijk gericht waren tegen Syrië, dat nog altijd een grote invloed uitoefende op haar buurland, en door velen werd gezien als betrokken bij, of zelfs verantwoordelijk voor, de aanslag op Hariri. Ook de pro-Syrische regering was doelwit van deze demonstraties, die het ontslag van de politieke leiders eisten. Internationaal werd de druk op Syrië vergroot om zich voor de parlementsverkiezingen van mei 2005 terug te trekken.

Onder deze druk trokken de laatste Syrische troepen en leden van haar geheime inlichtingendienst zich op 26 april 2005 terug uit Libanon. De verkiezingen leidden tot een grote overwinning voor de oppositie, onder leiding van Saad Hariri - de zoon van Rafiq Hariri - en zijn brede coalitie. Verdeeldheid bleef er echter onder andere, omdat de uit verbanning teruggekeerde Maroniet Generaal Michel Aoun, wiens partij 21 zetels veroverde en zodoende als voornaamste vertegenwoordiger van de christenen geldt, weigerde zich te voegen bij de coalitie. Dit leidde deels - maar ook samen met andere factoren - tot een impasse over de vorming van het kabinet, dat uiteindelijk na een paar weken (19 juli 2005) werd gepresenteerd door de nieuwe premier Fouad Siniora, voormalig economisch adviseur van Rafiq Hariri en minister van Financiën. Het 24-koppige kabinet telt voor het eerst ook een lid van de Hezbollah.

Staatsinrichting

Met het Taïf-Akkoord van 1989 werden de grondwet en het politieke bestel van Libanon ingrijpend gewijzigd. De president moet nog immer maroniet zijn, maar diens macht is sterk beperkt. De politieke macht ligt nu bij de trojka van de maronitische president, de soennitische premier en de stilistische voorzitter van het Parlement. Onderlinge meningsverschillen maken effectief regeren echter moeilijk. De uitvoerende macht ligt bij de raad van ministers onder leiding van de premier.

Het parlement heeft 128 zetels, die naar regio en bevolkingsgroep zijn verdeeld met 64 zetels voor de christelijke bevolkingsgroepen en 64 voor de moslims. De president wordt officieel door het parlement gekozen. De premier wordt door de president gekozen na overleg met de afgevaardigden in het parlement. De regering wordt vervolgens gezamenlijk samengesteld door de president en de premier.
Tot recentelijk had buurland Syrië veel politieke invloed in Libanon. Echter, na de Syrische terugtrekking op 26 april 2005 en de internationale oproep voor Libanese autonomie, lijkt veel van die macht te zijn verdwenen. De verkiezingen van mei/ juni 2005 worden alom gezien als de eerste onafhankelijke sinds 15 jaar.

Zie ook

Meer informatie (externe link)


Een feestdag in Libanon.