Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 26 min.
Herkomst:

De kat en de monnik Een Japans sprookje over een dankbare kat

Er was eens een monnik die van het vroege voorjaar tot ver in de winter door het land trok. In de bossen plukte hij geneeskrachtige kruiden, genas daarmee de zieken en vaak stond hij aan het open graf van een gestorvene en zond zijn gebeden op. Wanneer de genezen patiënten hem dringend vroegen een tijdje bij hen te blijven, dankte hij vriendelijk voor de gastvrijheid, maar pakte na enkele dagen al zijn reistas en trok weer verder. 's Winters bracht dit leven natuurlijk grote bezwaren mee, maar dan vond hij altijd wel een klooster waar hij, tijdens de barre kou, een schuilplaats kreeg. Doch zodra de zonnestralen de aarde verwarmden, zag men hem weer in zijn zwarte pij, zijn afgetrapte sandalen en de sjofele reistas op de rug, door de velden trekken. Daar hij nergens lang bleef, vergaten de mensen hem vlug en eigenlijk was er niemand die hem goed kende. Geen wonder dus dat het werk hem bij het ouder worden steeds zwaarder ging vallen. Het ene onderdak was nog slechter dan het andere en hij kon zich zelfs niet herinneren, wanneer hij voor het laatst genoeg en smakelijk gegeten had!

Toch was hij niet terneergeslagen. Wanneer hij opkeek naar de bergen en de heldere watervallen bruisend naar omlaag zag storten, voelde hij een innige gemeenschap met de vogels en de andere dieren en was hij onder de steeds wisselende wolkenhemel volkomen thuis.

Op een dag kwam hij in de stad Fukujima. Net stond hij op de markt en overlegde bij zichzelf waar hij het best om onderdak zou kunnen vragen, toen hij onverwacht door een oudere man werd aangesproken.

"U komt zeker van ver," zei deze, "want ik heb u nooit eerder gezien."

"Ja, ik ben voor het eerst in uw stad en vroeg mij juist af waar ik de nacht zou kunnen doorbrengen. Kunt u mij misschien helpen, beste man?"

"Wel, dat zal u niet moeilijk vallen. Er zijn hier zoveel gastvrije mensen, die graag een wijze monnik als u een plaatsje in hun huis aanbieden! Maar als u voor de eerste maal komt, weet u zeker niet wat hier gebeurd is? Onze rechter wordt door een groot verdriet gekweld. Zijn enige dochter is levensgevaarlijk ziek en niemand kan haar genezen. Al zoveel dokters heeft de rechter laten komen, zelfs uit de hoofdstad, maar niemand wist raad. En ontelbare monniken hebben aan haar ziekbed hun gebeden gepreveld, alles vergeefs! Het lieve meisje ligt in haar bed, spreekt geen woord en kwijnt langzaam weg. Haar vader heeft aan de buren gevraagd of zij iedere vreemdeling, die in Fukujima rondloopt, naar hem toe willen sturen. Misschien is daar iemand bij die een geneesmiddel of wijze raad kan geven. U, heer monnik, zal zeker iets van ziekten en genezende kruiden weten. Wilt u er niet heengaan en uw geluk beproeven?"

De monnik keek de praatzieke man peinzend aan en beloofde hem naar het meisje te gaan kijken. Of hij haar helpen kon, dat wist hij niet.

Op zijn vraag waar hij het huis van de rechter zou kunnen vinden, antwoordde de man: "U gaat maar steeds rechtuit. Het laatste huis links, in de Hoofdstraat, daar woont de rechter." De monnik liep rustig de lange Hoofdstraat af en juist, toen hij voor het huis van de rechter stond, sprong, door een gat in het hek, een kleine, gevlekte poes voor zijn voeten. Hij kromde zijn rug en miauwde: "Wacht even, heer monnik, ik wil u iets vertellen."

De monnik bleef staan en keek verwonderd op het dier neer.

"Miauw! Ik voel dat u een goed mens bent met een medelijdend hart. En ik ben er zo ellendig aan toe, dat ik uw hulp kom vragen. Als u belooft mij te helpen, zal ik u een groot geheim vertellen. Ik woon al lang in dit huis en begrijp best waarom u de rechter komt bezoeken. Maar ik ben de enige die weet hoe u dat meisje genezen kunt."

De monnik bukte zich en streelde het katje. "Ik zal je helpen zoveel als in mijn vermogen ligt," beloofde hij gul.

"Wel," vervolgde de kat, "het meisje heeft geen gewone ziekte. Ik heb haar ziek gemaakt, als straf voor al het verdriet dat mij hier in huis is aangedaan. Ik woon hier al twaalf jaar en ieder jaar laat de rechter al mijn jongen verdrinken. En ik verlang er zo verschrikkelijk naar kinderen te hebben en die een ordentelijke opvoeding te geven. Heel spoedig krijg ik wéér kleintjes. Als u er voor kunt zorgen dat mijn kleintjes blijven leven en u mij meeneemt, ver van hier, dan maak ik de dochter van de rechter weer gezond. Zo niet, dan moet zij sterven!"

De fonkelende groene ogen keken recht in die van de monnik. Deze was niet weinig verrast, maar hij had veel begrip voor het verdriet van de kleine kat. "Ik zal je zoveel mogelijk helpen," beloofde hij nogmaals.

Daarna opende hij het hek en riep: "Is hier iemand? Ik ben gekomen voor de zieke!"

Twee knechten kwamen tevoorschijn en achter hen de bezorgde vader en zijn bleke, vermoeide vrouw. Zij brachten hem dadelijk in de ziekenkamer.

In het bed lag een klein meisje. Haar gezichtje was doorschijnend wit, zodat alleen het zwarte haar op het kussen zichtbaar was. Stil en afwezig lag zij daar en scheen de bezoeker niet eens op te merken.

"Ach, heer monnik, dit duurt al zo lang en geen dokter kon ons zeggen wat haar scheelt. Help ons! Als u ons enige kind kunt redden..." De ongelukkige ouders keken hem smekend aan.

De monnik boog het hoofd, trok zijn gebedsketting tevoorschijn en begon te bidden. "BO-RON, BO-BON, MJO-KO, TEN-TSCHI, SA-HO, SO-BI-NEN-SCHO-TEJ, KU-SA," prevelde hij voor zich heen. En de ouders keken gespannen naar het gezicht van hun zieke dochtertje. Plotseling beefde er een zachte glimlach om haar mond. En, terwijl het gebed van de monnik nog steeds door de kamer klonk, kwam zij langzaam overeind, rekte zich uit en zei met een zwak, maar helder stemmetje: "O, wat heb ik een honger!"

De vreugde van de ouders was onbeschrijfelijk. Zij omhelsden het meisje keer op keer, lieten een heerlijke maaltijd uit de keuken komen en dankten de monnik met tranen in de ogen. Hij kreeg de mooiste kamer van het huis en ook een maaltijd, zoals hij nooit eerder geproefd had! Al zijn wensen wilden zij vervullen, want hij had immers hun kostbaarste bezit, het enige dochtertje, gered! Toen zij bleven aandringen, zei de monnik: "Geeft u mij dat gevlekte katje maar, verder wens ik geen enkele beloning."

De rechter, getroffen door zoveel bescheidenheid, keek de arme monnik verbaasd aan. Toen pakte hij diens reistas vol met rijstkoekjes, gaf hem het katje in de armen en liet de wijze man, met veel buigingen, vertrekken.

Bij de deur keerde deze zich nog even om: "Als u wilt dat uw dochtertje niet meer ziek wordt, verdrink dan nooit meer de jongen van uw poes!"

Sindsdien begeleidde de kat de monnik op al zijn tochten. Zij hadden het soms heel moeilijk, maar de man deelde alles wat hij kreeg met de kat en toen de kleine katjes ter wereld kwamen, vond hij gelukkig een verlaten tempel, even buiten een dorp. Daar bleven zij voorlopig en de man hielp trouw bij de opvoeding van de kleintjes.

Er waren in die omgeving veel bekende kloosters met beroemde monniken. Maar onze monnik kreeg alleen maar bezoek van broeders die nog armer waren dan hijzelf.

Toen de winter naderde viel het de monnik steeds moeilijker wat eetbaars mee naar huis te brengen. En behalve honger begonnen zij nu ook kou te lijden, want er was geen enkel houtblok meer om een vuurtje aan te leggen in die grote, lege tempel!

De monnik zocht vergeefs naar een oplossing. En op een avond zei hij tegen de kat: "Beste kat, je ziet wel dat het ons heel slecht gaat. Daarbij staat de winter voor de deur en in deze streken is die erg streng. Lang heb ik er over gedacht, maar ik zie geen enkele oplossing. Wij moeten maar ieder onze eigen weg gaan, want bij mij beleef je niets dan ellende. Er zijn hier in de omgeving zoveel tempels met rijke monniken. Vraag daar onderdak. Ik sla mij er wel doorheen."

De kat maakte een hoge rug, snorde tevreden en keek met een moederlijke blik naar de kleintjes, die in een mand lagen te spelen.

"Miauw," klonk het zachtjes, "maak je om mij toch geen zorg en om jezelf óók niet. Je hebt mijn kleintjes het leven gered en zo mijn diepste wens vervuld! Sindsdien heb je alles met mijn gezin gedeeld, ook al had je zelf bijna niets. Ik heb er al over gedacht hoe ik al die goedheid kon belonen, en nu weet ik ineens de oplossing. Luister goed:

Op het kattenbal, waar alle katten van de hele streek uitgenodigd waren, hoorde ik dat de grootmoeder van de rijkste man in deze omgeving, de koopman in beroemde bonensauzen, binnen enkele dagen sterven zal. Dat is een mooie gelegenheid om jou te helpen! Die man zal zeker en gewis veel bekende monniken uitnodigen, die voor een plechtige begrafenis moeten zorgen. Als die monniken, na het gebed, de baar met de dode vrouw opnemen en het huis uit willen dragen, houd ik ongezien de kist vast en die zweeft dan in de lucht. Geen kracht ter wereld kan de kist in beweging brengen, niet naar achteren, naar voren of naar beneden. Zelfs de meest beroemde monnik kan niets uitrichten. Pas wanneer jij erbij komt en begint te bidden, wordt de betovering verbroken. Je moet in je gebed echter wel iets over katten zeggen, zodat ik je tussen al die monniken herken en dan dadelijk de kist kan loslaten. Die gebeden zijn toch onverstaanbaar, niemand zal iets merken. Als jij de enige bent die de kist weer op de baar kan plaatsen, zal dat je beroemd maken door het hele land. Dan hoef je werkelijk niet meer om een stukje brood te bedelen. Zo jong ben je ook niet meer. Al dat rondtrekken moet nu maar ophouden!"

De monnik schudde ongelovig het hoofd. Toch, hoewel hij twijfelde aan de wonderbare gaven van de kat, wilde hij haar plezier niet bederven en beloofde hij zich aan de afspraak te zullen houden.

Na vijf dagen stierf inderdaad de grootmoeder van de rijke handelaar in bonensauzen. Het zou een indrukwekkende begrafenis worden, zoals ook verwacht werd van een toegenegen kleinzoon, die daarbij nog de rijkste man van de streek was. Ontelbare monniken en priesters waren genodigd. De met prachtig snijwerk versierde kist stond op een verhoging en dag en nacht klonk uit het treurhuis het zachte gemurmel der gebeden en het tikken van de houten kralen van de gebedskettingen.

Toen de wijding ten einde liep, wilden de monniken de kist op hun schouders nemen en hem het huis uit dragen. Maar plotseling werd deze, als door onzichtbare handen, opgetild en bleef in de lucht hangen. Hier moest wel toverij in het spel zijn, want hoe de monniken ook duwden en trokken, de kist bleef waar hij was.

De rijke kleinzoon en zijn familie schrokken hevig. Hadden zij de grootmoeder toch niet genoeg eer bewezen? Drukte misschien een andere schuld op hun schouders? Bij een dergelijke toverkracht kon slechts het gebed uitkomst geven. En zij beloofden de monniken een zeer hoge beloning wanneer zij de kist weer op zijn oude plaats konden terugbrengen, zodat het treurfeest op een waardige manier zou kunnen eindigen.

Opnieuw begonnen de monniken te bidden en de houten kralen vlogen zo snel door de vingers, dat de vonken eraf vlogen! Maar het bleken niet de goede gebeden te zijn. De kist bleef waar hij was. Nu zond de ene monnik na de andere zijn geheime spreuken naar de hemel op. En ieder beweerde dat zijn gebed het ware was en geen andere monnik deze gave bezat. Tenslotte brak er een hevige ruzie onder hen uit en de monniken zouden elkaar zeker te lijf zijn gegaan, als zij niet begrepen hadden dat daarmee de kist ook niet op de baar zou belanden. Van heinde en ver kwamen de dorpelingen toestromen en de arme monniken werden hartelijk uitgelachen.

"Ja mannetjes," gierde er één, "dat is wat anders dan iedere dag je buik te vullen met kostelijke rijst en vette visjes! Dat kunnen jullie wel. Maar toon nu je kunsten eens en haal die kist naar beneden!"

"Kijk toch die monniken eens aan," riep een ander, "zij gaan elkaar te lijf omdat de een blijkbaar beter toveren kan dan de ander. Maar wie brengt nu die kist op de baar?"

Deze beledigingen waren zeer pijnlijk voor de wijze mannen, maar het was een feit: alle pogingen en alle gebeden bleven zonder resultaat.

Opeens verloor de rijke koopman zijn geduld. "Wat een schande! Wie durft de begrafenis van de zo geëerde grootmoeder van de rijkste man in deze streek te bederven? Wie heeft ooit zo iets beleefd?" riep hij met stemverheffing en zijn dienaren moesten alle monniken, die zij in en rond het dorp konden vinden, bij hem brengen. Hij zou onmiddellijk iedere wens van hen vervullen, als zij maar kans zagen de kist weer op de baar te laten dalen.

Nu stroomden de monniken uit alle tempels naderbij en zonden hun gebeden op. Doch alweer tevergeefs.

"Hebben jullie werkelijk alle monniken uitgenodigd?" vroeg de koopman aan zijn dienaren.

"Zeer zeker, heer," luidde het antwoord.

De man schudde vertwijfeld zijn hoofd. "Er moet toch iemand te vinden zijn, die ons helpen kan! Denken jullie eens goed na of je werkelijk niemand vergeten hebt."

Plotseling greep een der monniken naar zijn hoofd. "Wij hebben wel iemand vergeten, heer!" riep hij opgewonden. "Hier dichtbij, in een lege vervallen tempel, woont een monnik met een kat en 'n stel kleintjes. Hij zal wel niet veel betekenen, want welke monnik leeft op zijn leeftijd zo armzalig en achteraf? En zou hij iets kunnen doen, waar de beroemdste monniken machteloos staan?"

"Haal hem vlug hier," gebood de koopman, "wij kunnen geen enkele mogelijkheid onbenut laten." En de dienaren spoedden zich naar de lege tempel.

De koopman boog voor de arme monnik. "U hebt zeker wel gehoord wat hier gebeurd is?" vroeg hij. "Vergeeft u mijn dienaren dat zij niet eerder aan u gedacht hebben. U bent in deze omgeving zeker niet zo bekend. Probeert u alstublieft de kist te laten dalen, zodat de begrafenis van mijn grootmoeder een eervol einde zal hebben. Op u is mijn laatste hoop gevestigd, want de beroemdste monniken hebben hier gefaald. Ik zal u rijk belonen en mocht het u werkelijk lukken, dan laat ik voor u een heel nieuwe tempel bouwen!"

De oude monnik boog zwijgend en liep naar de plaats waar de kist nog steeds, als door onzichtbare kracht gedragen, in de lucht hing.

De nu overal verspreide monniken maakten zich vrolijk over die armoedige broeder.

"Zou die iets presteren waartoe wij niet in staat zijn?" lachten ze, "nu zijn we heus nieuwsgierig!"

Ook de dorpelingen wezen verbaasd naar hem. "Kijk 's, die oude uit de lege tempel! Zou die iets anders kunnen dan rijstballetjes eten?"

"Nou, hij ziet er niet naar uit dat hij véél rijstballetjes naar binnen heeft. Zo mager en zo slecht gekleed! Maar wie weet? Zou zo'n arme priester misschien niet juist meer kracht bezitten dan die luie, dikgegeten broeders?"

De oude monnik trok zich van alle grappen en gissingen niets aan. Hij liep rustig naar de hangende kist en begon zijn gebed te prevelen: "BO-RON, BORON, MEG-TSEN," doch nog steeds hing de kist stil in de lucht, "KJU-TSAI, MI-TSE, KAT-TEN..." En op dat ogenblik zweefde de kist gehoorzaam terug naar de baar!

Allen zuchtten verlicht en de rijke koopman gebood haastig de baar met de kist op te nemen en naar het graf te dragen. Hij was doodsbang dat de toverij opnieuw zou beginnen.

Maar nu was de kist een heel gewone kist, de monniken kwamen in beweging, familie en gasten vormden een lange rij... en de grootmoeder werd begraven, precies zoals het behoort voor een grootmoeder van de rijkste koopman van de streek.

Na de begrafenis liet de koopman de oude monnik bij zich roepen en vroeg hem waar de nieuwe tempel gebouwd moest worden. Maar de monnik verlangde niet eens een nieuwe tempel. Liever zou hij zien dat de vervallen tempel, waarin hij met de katten woonde, zou worden opgeknapt.

En zo geschiedde. De koopman nam een groot aantal arbeiders aan: timmerlui, houtsnijders, schilders en lakwerkers... en al spoedig stond er op de plaats van de lege, oude tempel een nieuwe. Met zwartgelakte zuilen, vele heiligenbeelden en het heerlijkste snijwerk dat men zich denken kan.

Van wijd en zijd kwamen de monniken naar deze nieuwe, rijke tempel toe, bouwden zich in de naaste omgeving een hut en zo ontstond er binnen enkele jaren een groot klooster. En daar de oude monnik, nu kloostervader, door zijn bijzondere gaven tijdens de begrafenis, door het hele land bekend was geworden, kwamen er dagelijks pelgrims langs en met hen kooplieden en arbeiders. Het duurde niet lang of rond het klooster vormde zich vanzelf een kleine, nieuwe stad. De vreemde inval van het gevlekte katje had niet alleen de oude monnik geholpen, maar ook heel veel andere mensen, die in het stadje onderdak en een goede toekomst vonden.

De monnik en zijn katten leefden heel tevreden in het prachtige klooster. Alleen in het vroege voorjaar trok hij een poosje het land in en verheugde zich over de begroeide berghellingen en het gezang van de vogels. Maar al gauw keerde hij altijd weer terug in het klooster, want zijn oude benen hielden het niet lang vol.

Doch bij alle begrafenissen, die hij moest bijwonen, raadde hij de familie aan de kist te laten versieren met een mooie, gesneden drakenkop. En dan murmelde hij, zo zacht dat niemand hem kon verstaan: "Voor het geval dat een behulpzame kat, met de beste bedoelingen, de plechtige begrafenis zo maar verandert in een dwaas schouwspel!"


*   *   *

De kat en de monnik Samenvatting
Een Japans sprookje over een dankbare kat. Als een monnik in Fukujima aankomt, vraagt men of hij de zieke dochter van een rechter kan helpen. Een kleine poes helpt hem met de genezing, op de voorwaarde dat de monnik het dier meeneemt op zijn reis. Ze komen bij een verlaten tempel aan, waar ze blijven wonen. Het poesje helpt de monnik uit zijn armoedig bestaan. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst. Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 26 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook