Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 35 min.
Herkomst:

De kleine blauwe hippopotamus Een Egyptisch sprookje over een verliefd nijlpaard en een tovenaar

Op een eilandje in de Nijl, even vóór de Eerste Waterval, woonde een prinses, de jongste dochter van de farao. In het paleis van haar vader had zij zich nooit gelukkig gevoeld en daarom bezat zij nu haar eigen huis op het eiland. De farao was een oude, domme man, die eigenlijk helemaal niet waardig genoeg was om de kroon te dragen. En zijn twee oudere dochters en drie zonen waren net zulke onaangename mensen als hun vader. Alleen het jongste prinsesje was een vriendelijk en heel mooi kind.

Toen zij vijftien jaar geworden was verliet zij het paleis en trok de rivier langs op zoek naar een plek waar ze rustig zou kunnen wonen, ver van alle moeilijkheden thuis. De oude kindermeid ging met haar mee en verder werd zij vergezeld door twee dienstmeisjes, een tuinman, een metselaar en vijf roeiers. De tuinman kon net zo goed roeien als tuinieren en de metselaar had van zijn vader, die visser was geweest, uitstekend sturen geleerd. Op die manier schoten ze flink op en reeds de drieëntwintigste dag na hun vertrek legden ze aan op het mooie eilandje in de Nijl. Twee van de roeiers waren getrouwd met de dienstmeisjes, de derde was in de leer bij de metselaar en de vierde en vijfde werden, onder leiding van de tuinman, zo geïnteresseerd in planten en bloemen, dat ze nauwelijks meer tijd over hadden voor iets anders! De kindermeid was zó oud dat ze in de prinses nog altijd het kleine meisje van vroeger zag en zo was er dus niemand die met haar kon spelen. Dikwijls voelde zij zich heel eenzaam.

Aan drie zijden had het eiland steil aflopende oevers, maar de vierde was zo vriendelijk langzaam in het water te dalen en hier baadde de prinses iedere ochtend.

Nu was deze plas ook de lievelingsplek van een zekere hippopotamus en het prinsesje zag er zo lief uit als ze rond spartelde in het heldere Nijlwater of wanneer zij zich liet drogen, uitgestrekt op een warme rots, dat het dier steeds meer van haar ging houden. Op het laatst voelde hij zich heel ongelukkig, want hij begreep dat er niet de minste kans was dat een prinsesje verliefd zou worden op een hippopotamus. Het leek wel of zij iedere dag mooier werd en iedere dag werd de hippopotamus verdrietiger. Hoe zou zijn gestalte ooit een prinses kunnen boeien? Hij werd mager van het tobben en zijn vel hing veel te ruim om zijn nijlpaardenlichaam.

Op een dag stonden twee blauwe reigers heel stil aan de waterkant. Ze spraken zachtjes met elkaar terwijl ze op vissen wachtten, die hun lange, dunne poten zeker voor rietstengels zouden aanzien. (Of vissen werkelijk zo dom zijn weet ik niet, maar reigers denken dat wel.) Een van de reigers praatte met een volle snavel, zodat de hippopotamus hem moeilijk kon verstaan. Toch ving hij enkele woorden op: tovenaar... woont in... grot... voorbij de Derde Waterval. Nadat de reiger zijn hapje had doorgeslikt, klonk het duidelijker: "Zelf nooit gezien, maar ik weet dat hij een giraffe in een vlinder heeft veranderd en een kikker in een gazelle. Zo'n geweldige tovenaar is het!"

"Ik geloof dat niet," zei de andere blauwe reiger, "ik kan een ei in een reiger veranderen, als ik er op ga zitten en een pop kan zich in een vlinder veranderen, zonder dat iemand hem daarbij helpt."

De hippopotamus rees op uit het water, want hij wilde aan de reiger vragen waar die tovenaar woonde. Maar de reigers, geërgerd dat geen vis zich liet beetnemen, vlogen weg.

Teleurgesteld keek de hippopotamus hen na. "Voorbij de Derde Waterval," mompelde hij, "ik ben nooit verder geweest dan de Tweede Waterval en dat was in grootvaders tijd. Maar als ik in de rivier blijf en tegen de stroom in zwem, moet ik wel bij die Derde Waterval komen. In een grot, zeiden ze, die zal ik gemakkelijk vinden, als ik maar naarstig zoek. Als ik dan vlinders naar binnen zie vliegen en later giraffen er uit zie komen, of andersom, weet ik zeker dat het de woning van de tovenaar is."

De hippopotamus zwom en zwom en juist toen het volgende seizoen begon, stond hij bij de Derde Waterval. En ja, iets verder zag hij een grot! Zorgvuldig keek hij om zich heen of er giraffen waren, maar alles wat hij kon bespeuren was een vlinder met een heel verbaasde uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij dacht: net nog een reusachtig groot beest geweest en nu zo licht en zó mooi, wat ging dat gemakkelijk!

De tovenaar was bezig krokodillentanden aan elkaar te rijgen, om er daarna een mantel van te maken (wat heus niet zo moeilijk is voor een tovenaar). Zij vinden het meestal prettig ogenschijnlijk heel moeilijke dingen te doen. De hippopotamus scheen hij niet te zien en daarom kuchte deze bedeesd om zijn aandacht te trekken.

"Kuch niet zo!" riep de tovenaar ineens streng, "ik wist wel dat je er was. Wat wil je? Als je niets nodig hebt, stoor mij dan niet!"

"O, maar ik heb iets nodig!" zei de hippopotamus verschrikt, "ik ben er een ontzettend eind voor komen lopen!"

"Iedereen komt van ver," zei de tovenaar kort, "het gaat er alleen maar om of je voorwaarts of achterwaarts gaat. Met de stroom mee of er tegen in."

"O, ik moest er tegen in, de hele weg. Anders had ik u nooit gevonden."

"Dwaas die je bent, maak het niet erger dan het is. Maar nu je toch eenmaal hier bent kun je me wel vertellen waarvoor je gekomen bent."

"Het is moeilijk uit te leggen," begon de hippopotamus, zijn knieën tegen elkaar wrijvend. Dat deed hij altijd als hij verlegen was.

"Schiet op? Vlug wat! Zie je niet dat ik bezig ben?" beet de tovenaar.

De hippopotamus slikte moeilijk en zei toen haastig: "Alstublieft, verander mij in een... in iets waarop een prinses verliefd kan worden!"

Voor het eerst begon de tovenaar belang te stellen in het vreemde nijlpaard. Hij legde de krokodillentanden neer, die onmiddellijk veranderden in een mantel van netjes aan elkaar genaaide huidjes van waterratten. Een deel van de zoom ontbrak omdat twee tanden nog niet geregen waren.

"Iets waarop een prinses verliefd wordt? Dat is interessant, werkelijk heel interessant!"

"Zou u dat kunnen?" vroeg het dier dringend.

"Natuurlijk. Stel niet zulke dwaze vragen. Als je niet in mij gelooft, ga dan maar naar een andere tovenaar."

"Maar ik geloof natuurlijk in u," riep de hippopotamus wanhopig uit. "Zelfs al twijfelde ik in het begin, en dat is niet zo, dan had ik toch het volste vertrouwen in uw kracht nadat ik die vlinder uit uw grot zag vliegen. Was het een giraffe die u omgetoverd hebt?"

"Goed opgemerkt, werkelijk!" zei de tovenaar nu met een veel vriendelijker stem. "Geen giraffe, nee, een kikker. Gemakkelijk toverwerk. Gewoonlijk laten wij zulke dingen aan de leerlingen over. Maar die klagen allebei over maagpijn omdat ze te veel gegeten hebben. Ik leerde hen hoe ze een rots in een cake kunnen veranderen. En ze aten twee grote keien op voordat ik er aan dacht ze te laten ophouden. Ach, wat doet het er toe. Ze hebben hun lesje geleerd, dat is goed."

"Dus," begon de hippopotamus beschroomd, "zou u mij in een prins kunnen veranderen?"

"Een prins? Welnee, dat kan ik niet. Jammer hoor! Twee jaar geleden heb ik het opgegeven om dieren in mensen ie veranderen. Veel te ingewikkeld. Geeft moeilijkheden!"

Uit het rechteroog van het nijlpaard gleed een dikke traan die op de grond spatte.

"Niet huilen," zei de tovenaar scherp, "behalve een prins is er heus genoeg waarop een prinses verliefd kan worden."

De hippopotamus schuifelde vlug wat zand over de natte plek, die zijn traan gemaakt had en vroeg toen voorzichtig: "Wat is dat dan?"

"Het ligt er aan wat voor prinses je bedoelt. Houdt ze van snoepen? Als dat zo is verander ik je onmiddellijk in een cake."

"O nee!" kreet de hippopotamus angstig, "ze is helemaal niet snoepachtig."

"Jammer, bezit ze graag geld?"

"Ik denk het niet, anders was ze immers wel in het paleis van haar vader gebleven?"

"Misschien. Wat denk je van blanketsel?"

"Ik ben bang dat ik niet goed begrijp..." Verbijsterd keek de hippopotamus de tovenaar aan.

"Dom! Is zij bang om haar schoonheid te verliezen? De meeste vrouwen zijn dat. Ik kan je in gezichtsverf omtoveren. Makkelijk werk! Malachiet, als je daarvan houdt. Hoewel, het slijpen is een vervelend werkje!"

"Geen malachiet," zei de hippopotamus flink.

"Nu heb ik al drie mogelijkheden genoemd, je moet er zelf maar een geven."

"Ik denk dat ze graag met iets wil spelen. En ik ben zo kolossaal, dat ik haar dadelijk zou verschrikken. Daarbij is haar kindermeid een domme vrouw die denkt dat hippopotamussen gevaarlijke beesten zijn. Ik hoorde het haar zeggen."

"Speelgoed, dat wil je dus. Klein genoeg om het te dragen en niet zó klein dat je het verliest. Welke vorm moet het hebben?"

"Ik hoop dat het niet te verwaand klinkt," zei de hippopotamus schuchter, "maar ik heb altijd gedacht dat hippopotamussen de aardigste vorm hebben. Te kolossaal natuurlijk en misschien is de kleur wat vaal, maar tóch de mooiste vorm."

"Goud, zilver, ivoor? Waarvan moet het gemaakt worden?"

"Ik denk dat zij het meest van blauw houdt. Kunt u een mooie blauwe maken?"

"Aardewerk, dat lijkt mij het beste. En azuur, hemelsblauw, is een betere kleur dan turkoois of lapis, vind ik. En ook origineler."

Plotseling leek de tovenaar te groeien. Hij werd wel twintig maal zo lang. En de grot, die tot op dat moment klein en duister had geleken, was zo groot dat de hippopotamus naar binnen kon kijken en alle wanden zag. De stem van de tovenaar klonk nu zo luid als het donderende geweld van de waterval, toen hij riep: "Prachtig werk, heerlijk werk, mooi aardewerk en geen barstje erin!"

Op datzelfde ogenblik droeg de tovenaar de blauwe stenen hippopotamus naar buiten, zodat hij zichzelf kon zien in een waterpoel.

"Ben ik dat heus?" riep het dier met een wonderlijk klein stemmetje.

"Natuurlijk, dat voel je toch wel?"

"Ik weet niet zeker wat ik voel nu ik zo klein ben. Gelooft u werkelijk dat de prinses zal houden van zo'n kleine hippopotamus?"

"Absoluut. In heel Egypte is er geen tweede zoals jij."

"Hoe kan ik nu naar de prinses gaan?"

"O, heel gemakkelijk. Ieder seizoen komen er kooplieden van het Gouden Land de rivier af. Dikwijls kopen zij allerlei dingen van mij. Ik zal ze vertellen dat ze jou aan de prinses moeten verkopen!"

Ineens kwam er een verschrikkelijke gedachte in de hippopotamus op. "Als ze mij eens niet koopt?"

"Dat zal ze wel."

"Maar als zij het niet doet?"

"Dan kun je je wens gebruiken."

"Wat voor wens?"

"Die ik bij iedere toverkunst geef. Je kunt hem gebruiken wanneer je wilt. Als zij je niet koopt dan zeg je: ik wens mij terug in mijn eigen waterpoel, in mijn gewone gestalte. Beter nog: in mijn gewone kleur, dat is veiliger. Je kunt met tovenarij nooit te voorzichtig zijn. En dan ben je niet slechter af dan voordat je bij mij kwam, maar wel een beetje wijzer!"

Daar klonk een heldere roep over de rivier en de tovenaar zei: "Dat is de koopman, prachtig op tijd! Zeg jij nu niets meer. Niet dat hij er een woord van verstaan zou. Alleen tovenaars zullen je begrijpen, zolang je in deze vorm bestaat. Behalve dan dezelfde soort dingen als jij."

Toen wikkelde de tovenaar de blauwe hippopotamus in een stuk fijn linnen. Voordat hij hem in de boot legde, fluisterde hij: "Vergeet niet te zeggen 'in mijn eigen waterpoel' voordat je zegt 'in mijn gewone vorm', als je je wens gebruikt. Anders zou het ineens werken, waar je ook bent. Je zou een boot tot zinken brengen! Heel erg voor de koopman, die kan dat niet gebruiken. Het is een vriend van mij!"

De tovenaar ging terug naar zijn grot en de koopman voer de rivier af. De kleine, blauwe hippopotamus lag stil tussen de plooien van de linnen doek en probeerde niet bang te zijn. Langzaam begon hij zich beter te voelen en hij begreep dat een van de grote voordelen van het omgetoverd zijn in een stenen hippopotamus was: dat hij nu nooit meer honger zou hebben. Daarna begon hij zich af te vragen met wie hij ooit zou kunnen spreken. De tovenaar had gezegd: alleen dingen van je eigen soort zullen je verstaan. Maar hij zei óók: je bent de enige van jouw soort in heel Egypte.

De hippopotamus wist wanneer hij langs een waterval voer, want de kracht van het woedende, bruisende water bracht iedere boot uit zijn evenwicht. Toen dit de derde keer gebeurde, begreep hij dat het eilandje bereikt was. Hij voelde de boot langs de landingsteiger schuren. Toen werd hij opgelicht, een eindje gedragen en in de kamer van de prinses gebracht.

Het geluid van verschillende stemmen drong door het linnen, waarin hij nog steeds gewikkeld was, en bereikte zijn stenen oortjes. En hij was verbaasd en verrast dat hij, hoewel hij zelf niet spreken kon, alles verstond, zelfs beter dan toen hij een gewone hippopotamus was. Toen voelde hij het linnen van zich afvallen en hij werd op een cederhouten kist gezet, naast de stoel waarop de prinses zat.

Zodra zij het kleine, blauwe nijlpaardje zag, riep zij verheugd uit: "Natuurlijk koop ik dat! Nooit eerder heb ik iets gezien dat ik zo graag wilde bezitten!" Zij nam hem op, streelde over zijn kop en drukte hem liefdevol tegen haar wang. De kleine, blauwe hippopotamus werd vervuld van een diep geluk. Had in zijn stenen lijfje een hart geklopt, dan zou het nu zeker gebarsten zijn.

De volgende dag droeg zij hem overal met zich mee, zelfs naar de rivier toen zij ging baden. Bij de maaltijden zat hij op een stoel naast haar. Maar het duurde niet lang of zij liet hem 's morgens achter op het toiletkastje in haar slaapkamer. Na een vriendschappelijk klopje op zijn kop verdween zij.

Het grootste deel van de dag was hij nu alleen, luisterend naar haar voetstappen. En het was op een van die stille dagen dat hij plotseling een stem hoorde: "Ben jij nog altijd te trots om tegen ons te praten?"

Tot zijn verbazing ontdekte hij dat die stem kwam van een klein, ivoren palet, waarop de prinses altijd olie en malachiet mengde voor haar oogschaduw.

"Je bent verrast, niet?" ging de stem verder. "Ik veronderstel dat je er als een dier wilde uitzien voordat je kon spreken als een dier. Wel, ik was óók een dier, een olifant met enorme slagtanden. De kleine zwarte mannen hebben mij gedood. Ik liep juist sterk aan mijn vrouw te denken en had helemaal geen erg in de valkuil die zij voor me gemaakt hadden, voordat ik erin geduikeld was! Ze dachten dat ik dood was en ze wisten niet dat ik voortleefde in een van mijn slagtanden. Ik geloof dat het wel honderd jaar geleden is dat dit allemaal gebeurde. Heel lang behoorde ik toe aan de grootmoeder van de prinses, of misschien was het haar overgrootmoeder. Ik weet het niet meer... Zij geven er zich nooit rekenschap van, die vrouwen, hoeveel schoonheid ze aan mij te danken hebben. Ik bepaal hoe fijn de malachiet moet zijn, ik kan hun ogen een geheimzinnige glans geven, diep als het water van de Nijl, of ze zo dof en grauw maken als een modderpoel op het marktplein. Ik vang hun tranen op... of kan in de ogen van een oude vrouw haar jeugd weerspiegelen, al is het maar voor een uur. En vergeet ook niet dat ik het licht in hun ogen bescherm. Want zonder mij zou de sluier der duisternis hen kwellen, steeds erger, totdat zij blind worden. De prinses, onze tegenwoordige meesteres, is een vriendelijk meisje, want ik moet toegeven dat ik begin te slijten. Malachietpoeder is een hard goedje om meer dan een eeuw te verdragen. Zij bracht mij mee uit haar vaders paleis, terwijl zij vijf andere paletten achterliet, allemaal nieuw en naar de laatste mode!"

De hippopotamus zuchtte, een diepe, trillende zucht. "U bent wel gelukkig dat u zoveel voor haar kan doen. Eens kon ik haar laten lachen, zij hield werkelijk van me. Maar nu vergeet ze mij hele dagen. U kunt voor haar zorgen en haar dag in, dag uit beschermen!"

"Ach wat," riep een andere, zware stem. Die kwam van een met zilver beslagen cederhouten doos, waarin de prinses haar kettingen bewaarde. "Ach wat!" herhaalde ze. "Als je zo oud was als ik zou je niet verwachten dat een vrouw langer dan een paar dagen blij met iets is. Het palet denkt dat het verschrikkelijk oud is. Ha ha, nog maar honderd jaartjes!" Zij snoof minachtend, als je het geluid van zo iets kleins en kostbaars tenminste snuiven mag noemen. "Het is zeker tweehonderd en negentig jaar geleden dat de boom geveld is waaruit ik gemaakt ben. En nog veel langer geleden dat mijn zilver in een rots, heel ver weg, gevonden is. Altijd heb ik bij adellijke families gewoond. Ik hoorde tot het bezit van de vrouw van een vorst in Zuid-Egypte... Allerliefst was zij en ze had zeven kinderen. Voor ieder kind moest ik tot zijn geboorte een mooie ketting bewaren. Daarna heeft ook nog de vrouw van een minister mij bezeten, een lelijk, vervelend mens! Soms moest ik me beheersen om niet in haar vingers te bijten, als ze een van haar armbanden zocht om aan haar magere pols te hangen. Ik was toen natuurlijk veel jonger dan nu. Sindsdien heb ik wel geleerd medelijden te hebben met oude vrouwen. Hoewel, van werkelijk lieve vrouwen is de leeftijd nooit een vijand geweest. Vrouwen die nooit liefde ondervonden hebben, met die heb ik erg te doen. Dan denk ik aan haar jeugd, toen ik de fijnste gouden sieraden bewaarde, die slechts dienden om de glans van haar huid nog beter te doen uitkomen. Of de zilveren haarband die als een manestraal in haar donkere haren blonk. Het is dan zo verdrietig te zien hoe dezelfde sieraden, die eens haar tere schoonheid vergrootten, later zo wreed de ouderdom van een vrouw verraden."

"Ik zal wel te jong zijn om jullie iets belangrijks te kunnen vertellen," zei plotseling de spiegel. Zij was een koperen spiegel, ingelegd met ivoor en lapis lazuli. "Maar hoewel ik de prinses pas ken sinds haar achtste jaar, denk ik toch dat niemand haar zo goed kent als ik, haar hart bedoel ik. Waarom, denken jullie, heeft ze zoveel tijd nodig om zich mooi te maken? Zó dat jullie allemaal gevlijd zouden zijn door zoveel aandacht? Ik kan haar ogen gadeslaan als niemand anders: zij heeft iemand van haar eigen soort nodig om lief te hebben. Hij hoeft geen prins te zijn, maar hij moet wel jong en wijs en heel vrolijk wezen, echt iemand naar haar hart."

Het bladgoud, dat de prinses nu en dan gebruikte om haar teen- en vingernagels mee te bestrijken, zuchtte en zei zachtjes: "O, ik hoop zo dat er een jongeman komt die haar gelukkig maakt. Maar mijn verlangen alleen zal niet genoeg zijn om hem hier te brengen."

De kleine, blauwe hippopotamus dacht: haar verlangen niet maar het mijne? De tovenaar zei: "De wens die ik geef bij iedere toverkunst." De tovenaar dacht dat ik die zou gebruiken om mezelf terug te toveren in een gewoon nijlpaard. Als ik mij misschien te eenzaam ging voelen. Als ik het moe zou zijn altijd maar een blauwe stenen hippopotamus te zijn. Hij besloot daar zo min mogelijk aan te denken, maar iedere dag ging hij meer naar de rivier verlangen. Hij dacht aan een duik in het koele, diepe water. Hij wilde de smaak van de groene waterplanten onder zijn tong voelen. En daar was ook nog dat heel mooie hippopotamusvrouwtje, waar hij zo dikwijls begerig naar gekeken had. "Als hij het prinsesje, die ene keer, niet had zien baden, zou hij nu al een zoon bezeten hebben en misschien zelfs een dochter... Ja, morgen zou hij de wens gebruiken voor zichzelf en voor niemand anders. Morgen zou hij zich koesteren in de zon of het water langs zijn oren laten druipen als hij, half ondergedompeld, midden in de Nijl lag. En daar was ook dat heerlijk zuigende gevoel onder zijn voeten als hij door de modder slofte. Hij had het al bijna vergeten, maar morgen zou hij het allemaal weer weten!

Laat in de avond ging de prinses pas naar bed. Zij droeg een lamp, die zij op het toiletkastje neerzette, tussen het palet en de blauwe hippopotamus. Zij streelde hem teder met haar wijsvinger en hij voelde een traan op zijn stenen rug spatten.

"Lieve, kleine hippopotamus," zei ze met een snik, "jij weet niet wat het is je eenzaam te voelen, jong te zijn terwijl alle anderen oud lijken, vrolijk te willen zijn terwijl iedereen zo verschrikkelijk ernstig is! Ik heb verwacht dat ik op dit eiland door een jonge man gevonden zou worden. Maar ach, ik heb alle seizoenen van het jaar aan de rivier gewacht op zijn boot. Er komen er maar zo weinig en die gaan onze landingssteiger voorbij. En dan kijk ik ze na tot ze in de bocht van de rivier verdwijnen... en nooit keert er één boot terug om mij mee te nemen."

Voorzichtig zette zij het nijlpaardje neer en blies de lamp uit. En de kleine Hippopotamus hoorde haar zacht naar het bed lopen.

Spoedig daarna was alles in de kamer, ook het prinsesje, ingeslapen. Alleen de kleine, blauwe hippopotamus dacht aan zijn wens. En vurig bad hij: "O, laat toch de jongeman die naar ons prinsesje verlangt, morgen komen! En mogen zij dan samen gelukkig zijn voor altijd, voor altijd?"

En omdat de tovenaar een heel bijzondere tovenaar was, werd de wens vervuld. Vroeg in de morgen kwam een knappe jongeman in zijn plezierboot aanvaren, met twintig roeiers. Hij zag het prinsesje baden in de waterpoel, net zoals de hippopotamus dat eens had gezien. En zodra zij elkaar in de ogen hadden gekeken, wisten ze nooit meer eenzaam te zullen zijn. En de enige tranen die de prinses die dag schreide waren, toen een onvoorzichtige bediende de blauwe hippopotamus van de tafel stootte. Hij brak in twintig stukken!

Toen de hippopotamus zich voelde vallen wist hij te zullen breken. Wat hij echter niet wist was, dat hij het volgende ogenblik in de grot van de tovenaar zou zijn. De tovenaar zei: "Ik liet die bediende jou omstoten. Jij bent te oud om langer van steen te zijn. En je was de enige van al mijn toverkunsten, die de wens niet voor zichzelf gebruikte. Dat bespaarde je een heleboel zorg. Je hoeft niet langer een dier te zijn. Jij bent menselijk! En je hoeft niet naar de een of andere vreemde stam, nee, jij bent goed genoeg om als Egyptenaar geboren te worden. Je bent mijn grootste toverkunst. Anderen toveren een vlinder in een giraffe of een olifant in een waterrat. Maar het is de echte tovenaar die een hippopotamus omtovert in een..." En de volgende woorden die de kleine hippopotamus hoorde werden door de prinses gefluisterd: "Hij moet toch wel de prachtigste baby zijn die ooit geboren is!"

Het kindje groeide op tot vreugde van zijn ouders. Wat zou zijn moeder verbaasd geweest zijn als zij had geweten dat zij het al eerder gekend had. Als een kleine, blauwe, stenen hippopotamus. Maar als zij het wist, zou zij zeker nog meer van hem houden.


*   *   *

De kleine blauwe hippopotamus Samenvatting
Een Egyptisch sprookje over een verliefd nijlpaard en een tovenaar. Een nijlpaard is verliefd op een prinses en gaat naar een tovenaar die hem kan helpen hem om te toveren in iets waar een prinses verliefd op wordt. Hij besluit een aardewerken blauw speelgoednijlpaard te willen zijn waar de prinses mee kan spelen. Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"De scharlaken vis. Egyptische sprookjes" door Joan Grant. Nederlandse bewerking door Marijke van Raephorst. Oorspronkelijke titel: 'The Scarlet Fish and other stories' verschenen bij Methuen & Co. London (1942). Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1973. ISBN: 90202-45-414

Herkomst: Egypte
Verteltijd: ca. 35 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook