Waardeert u deze website? Overweeg eens een kleine donatie. NL 41 TRIO 0197784240

Leeftijd:
Verteltijd: ca. 12 min.
Herkomst:

De reuzen Ellert en Brammert


Een verhaal uit Drenthe over twee reuzen die in hun levensonderhoud voorzien door te roven. Wanneer dat gaat vervelen verlangen ze naar een meisje. Ze ontvoeren de boerendochter Jaantien, die na zeven jaar trouwe dienst toch weet te ontsnappen.
Eeuwenlang was het landschap van Drenthe één groot heideveld met hier en daar moerassen en zandverstuivingen, waardoor het reizen er gevaarlijk was. Ook rovers maakten het afgelegen Drenthe dikwijls onveilig. Het meest berucht, in Drenthe en daarbuiten, waren Ellert en Brammert, twee reuzen, een vader en een zoon. Zij woonden in een donker hol, dat midden op het Grote Veld bijna onvindbaar was tussen moerassen en zandverstuivingen. Via een half weggerot veenbruggetje van planken en boomstammen moesten zij hun deuropening bereiken. Vensters hadden zij niet nodig en een schoorsteen of zelfs maar een luchtgat evenmin. Bij het flakkerend schijnsel van rossige fakkels inspecteerden zij van tijd tot tijd hun buitgemaakte voorraad: oorijzers, armbanden, halskettingen en geld, veel geld - het lag daar allemaal maar zo, bij hele hopen tegelijk. Maar ondanks alle rijkdom leidden zij een armzalig holenbestaan, minder nog dan de eerste de beste dagloner. Zij lagen en sliepen op legersteden van graszoden, schamel bedekt met stinkende schapenvachten, die vuil waren en aangevreten door luizen.

De reuzen Ellert en Brammert
Hun grootste genoegen vormde het fantastische waarschuwingsmechaniek dat ze zelf hadden uitgedacht: zwarte, ijzersterke draden die vanuit hun hol over de heide werden gespannen. Ze kruisten karrensporen op meerdere plaatsen en vormden een monsterachtig spinnenweb. Als iemand aan zo'n draad bleef haken, dan luidde er in het hol een waarschuwende bel - een oude schapenbel die boven de slaapplaats van Brammert hing. Dan trokken zij er onverschrokken op uit, midden in de nacht, weer of geen weer, en steevast behaalden zij een rijke buit.

Ook stuurden zij wel eens "brandbrieven" rond: leg honderd daalders in die en die holle boom, anders steken wij uw huis en hof in de brand. En veel mensen lieten zich daardoor overbluffen, vooral wanneer de oogst binnen was en de schuren vol zaten met droog en o zo brandbaar koren.

Maar op den duur begon de eenzaamheid hun allebei danig dwars te zitten, ondanks alle spanning van nachtelijke avonturen. Vooral Brammert, de zoon, miste het vrouwelijke element in hun ongezellige woning. Vader Ellert kon hierin tot op zekere hoogte met zoon Brammert meegaan, al was het hem eerder om een huishoudster begonnen, die kon eten koken en sokken stoppen.

Op een zachte zoele voorjaarsdag - de vogels zongen en de berkentakken kregen al een groen waas - trokken zij er eens niet op uit om geld en goed te vergaren. Het was hun dit keer om een verzorgster te doen, een jong en fris meisje, dat tevens hun beider sponde zou moeten delen. Daarom waagden zij zich tegen hun gewoonte dichtbij Orvelte, nog wel midden op de dag. Tot hun vreugde bespeurden zij weldra een meisje dat helemaal in haar eentje was. Ze heette Jaantien Buning en zat treurig bij een boom uit te kijken over de wijde, troosteloze heide. Als welgestelde boerendochter mocht zij onder geen beding trouwen met de flinke Harm Wever, een eenvoudige daglonerszoon. En daarom dwaalde zij ver van de bewoonde wereld en moederziel alleen, om met zichzelf in het reine te komen - ondanks de waarschuwingen van haar dorpsgenoten om in deze onzekere tijden niet te ver van huis te gaan en altijd te zorgen voor gezelschap.

Het kostte vader en zoon maar weinig moeite de jammerende Jaantien mee te voeren naar hun afgelegen woonhol. Zij bood trouwens weldra weinig tegenstand meer, aangezien het leven in de mensengemeenschap voor haar een kwelling was geworden, nu ze niet met Harm Wever mocht trouwen. Morrend schikte zij zich, niet zonder vrouwelijke nieuwsgierigheid, in haar bizarre lot.

Ondanks alles hield Jaantien goede moed. Intuïtief besefte zij, bij alle ellende, dat zij eenmaal over beide reuzen zou zegevieren! En zij hield daarbij steeds - naast Harm Wever, in wie zij een onbegrensd vertrouwen had - wijlen haar grootmoeder voor ogen, naar wie zij vernoemd was. Een klein vrouwtje, net als zij, wier levensdevies luidde: Beter klein en kregel, dan een lompe vlegel!

De rovers namen Jaantien, omdat zij haar gevoelens op handige wijze wist te maskeren, meer en meer in vertrouwen. Ook maakte zij handig gebruik van de onvrede en de bijna dagelijkse ruzies tussen vader en zoon. De vader was hevig jaloers op de zoon, omdat die meer vermocht bij Jaantien dan hijzelf. En de zoon verzette zich steeds hardnekkiger tegen de kleinzielige argwaan van de vader, die er amper meer op uit wilde en dat aan zijn leeftijd toeschreef.

Vooral de nog vrij jeugdige Brammert werd door de invloed van Jaantien althans uiterlijk een beetje een ander iemand, al bleef hij zijn streken en zijn kwaadaardigheid behouden. Zelfs liet hij zijn wapperend hoofdhaar en zijn ruige baard door Jaantiens vlijtige vingers van tijd tot tijd fatsoeneren, zodat hij er weldra meer als een heer uitzag dan zijn vader. Maar dit gebeurde niet uit ijdelheid, zo suste hij zijn vader. Hij moest eindelijk eens zijn gezicht veranderen, want anders zouden de mensen hem bij zijn verkenningstochten op den duur in de gaten krijgen! Hij maakte zelfs een heel spelletje van het zich telkens weer anders voordoen: het ene seizoen droeg hij een dikke bos haar, een zware baard en een grote snor; het andere seizoen vertoonde hij zich helemaal kaalgeschoren, maar met een ruige muts. Nu eens had hij een bril op, dan weer keek hij zonder bril de wereld in.

Op een drukkend warme dag in de zomer, bijna zeven jaar na haar gedwongen komst in het rovershol, zag Jaantien eindelijk haar kans schoon. De oude Ellert was er kwaad vandoor gegaan (ze hadden weer eens woorden om haar). Brammert was vrolijker dan ooit tevoren, mede onder invloed van een vaatje zojuist buitgemaakte brandewijn, waarvan hij met volle teugen had genoten. Hij wist van gekkigheid niet meer wat hij moest doen. Hij ging op de houten bank voor het hol zitten, in de felle zon: hij wilde op stel en sprong geschoren worden, zo glad als een jonge kerel die nog niet eens de baard in de keel heeft! Jaantien pruttelde eerst wat tegen, maar ging niettemin aan het werk. Door drank, warmte en slaap overmand gleed Brammert langzaam opzij - weldra sliep hij als een marmot en snurkte hij dat het een aard had. Jaantien greep als de weerlicht het scheermes en sneed hem de keel af. Zo werd zij moordenares uit zelfbehoud, waardoor zij tevens haar medemensen verloste van een altijd dreigend kwaad.

Zo snel ze kon rende zij over de heide, richting Orvelte. Maar kort na de moord vond vader Ellert zijn dode zoon, badend in het bloed. Hij begreep wat er was gebeurd en welke richting Jaantien was opgegaan. Met zijn reuzenstappen zou hij de jonge vrouw makkelijk kunnen inhalen. Snel pakte hij een kolossale bijl, wel drie ellen lang. Maar Jaantien bevond zich al onder de eiken van het dorp, dichtbij de boerderij van haar ouders. Doch ditmaal waagde hij zich, in zijn uitzinnige woede, bij klaarlichte dag luidkeels brullend tussen de woningen van de mensen. Al kon hij haar niet meer in handen krijgen, hij had nog steeds zijn bijl. Die kon hij haar achterna gooien en dan zou hij haar zeker raken, want in het werpen van bijlen was hij onovertroffen!

Maar ook dit lukte hem niet: "Er zit te veel dak op het huis; in huis zijn boze geesten machteloos." Toch smeet hij zijn bijl maar die bleef trillend steken in de grote schuurdeur. Zo kwam Jaantien veilig thuis: hijgend, dodelijk vermoeid, maar zielsgelukkig.

Vader Ellert stortte neer en stierf ter plaatse - deze nederlaag kon zijn oude hart niet meer verkroppen! Maar de snede, veroorzaakt door Ellerts moordbijl, bleef nog jarenlang zichtbaar.

Na de zeven lange en bange jaren bleek Harm zijn Jaantien nog helemaal trouw gebleven. Drie weken na haar thuiskomst vierden zij een klinkende bruiloft, met wel duizend gasten uit heel de wijde omtrek.

Het Grote Veld had nu meteen een meer bijzondere naam gekregen: Ellertsveld.


*   *   *


Toelichting
De sage van Ellert en Brammert is een oude Drentse rovershistorie, die rond 1660 voor het eerst is opgeschreven. Oorspronkelijk gaat het verhaal over twee roofridders die omstreeks 1400 in Drenthe opereerden. Ze woonden op de afgelegen heide en vielen reizigers lastig. In de volksverbeelding zijn de rovers langzamerhand vereenzelvigd met de hunebedreuzen, die de heuvels en dalen in het landschap zouden hebben veroorzaakt.

Vaak wordt het verhaal gesitueerd in Orvelterveen, omdat dat een verdwenen dorp is, dat ondergestoven zou zijn door het blazen van de overgebleven reus. In de oudste versie heet de vader Ellert en de zoon Brammert, net als in dit verhaal. Hier wordt echter de zoon het eerst gedood, terwijl dat vaak ook de vader is. Het slot is echter altijd hetzelfde. De overgebleven reus gooit een meisje een bijl na, die in de deur blijft steken. Het dradenspel met de schapebel is een internationaal sprookjesmotief.

Naar: T. W. R. de Haan, 'Onze beste volksverhalen', 1973, p. 64-71. Dit beroemde reuzenverhaal is oorspronkelijk verschenen in het tijdschrift 'Neerlands volksleven', XII, p. 282-311. In de 'Drentsche Volksalmanak' van 1837 verscheen een versie van A.L. Lesturgeon, die steeds bekender werd en vaak is naverteld in boeken en tijdschriften. Bijna alle moderne versies van het verhaal zijn op de versie van Lesturgeon gebaseerd.

Een andere streeklegende over twee ruziënde reuzen is: De reuzen Hanneken en Bamberg.

In Schoonoord is een speciaal museum voor de heren Ellert en Brammert: Openluchtmuseum Ellert en Brammert



Openingstijden: Het park is geopend van 26 maart tot en met 31 oktober.
Openingsuren: iedere dag van 09.00 uur tot 18.00 uur (kaartverkoop tot 17.00 uur).
Inlichtingen: tel. 0591-382421
Secretariaat: tel. en fax 0591-382746
E-mail: ellertenbrammert@planet.nl

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Lees ook