Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 12 min.
Herkomst:

De zeven luilakken van Bremen Een Duitse sage over de 'Luie Steeg' in Bremen

Waar je tegenwoordig Stephanstad vind, de voorstad van Bremen, strekten zich eens armetierige en kale velden uit, waar nauwelijks een grassprietje wou groeien, zo vertelt men.

Bij het begin van de lente trad de Weser buiten haar oevers. Ze overstroomde de vlakke weiden en akkers, en toen het water zich geleidelijk aan had teruggetrokken liet ze plassen, modder en stank op het bouwland achter en de boeren moesten zich geweldig inspannen om het land te kunnen bebouwen. Dat was ook de reden, waarom weinig boeren het hier volhielden.

Eén van hen - een boer kon je hem nauwelijks noemen, want hij bezat niet eens een koe - deed, alsof de stinkende akkers hem niets aangingen. Hij had zeven flinke zonen, de een nog groter en sterker dan de andere. Maar de knapen hingen de hele dag werkeloos en lusteloos op de boerderij of voor de poort rond, of knoeiden wat in de modder. En als ze 's middags thuis kwamen, hadden ze honger als een paard. Ze schoven rond de eiken tafel en het was een lust om te zien, hoe ze het ene volle bord na het andere opschepten uit de grote etenspan. Na het eten rustten ze uit, sliepen wat of dachten erover na, hoe ze zonder werk het beste konden rondkomen. Als ze zich uitgerust en weer sterk voelden, gingen ze naar de rivier om toe te kijken bij de vissers in de boten of tijdens de zalmvangst. Ze gingen met de kippen op stok en sliepen als marmotten. De volgende ochtend, bij het wakker worden, geeuwden ze eens uitgebreid en rekten zich lekker uit, tot een enorme honger ze weer op de been bracht.

Zo ging het dag in, dag uit, jaar in, jaar uit. Het was dus geen wonder dat de buren ze bespotten en ze nietsnutten en luilakken noemden. Maar dat hielp allemaal niets, ze waren niet van plan hun leven te beteren. Ze luisterden naar de praatjes, maar lieten er hun eetlust niet door bederven.

Van tijd tot tijd sprak de vader hen ernstig toe, dat ze de kinderschoenen ontgroeid waren en dat het tijd werd, voor zichzelf te gaan zorgen. Tevergeefs! De vader zat met gekruiste armen aan de eiken tafel en tobde en piekerde erover, waarom juist hij door pech werd achtervolgd, terwijl de buren droge en mooie weiden hadden. Dan zuchtte hij eens diep, en... alles bleef bij het oude.

Terwijl de moeder op het fornuis het eten kookte, hout op het vuur legde, water haalde en het huis in orde hield, probeerde de vader de jongens tevergeefs over te halen.

En zo ging het jaar na jaar.

Op een dag, toen de moeder het eten kookte, piekerde de oudste erover, dat er toch iets moest gebeuren, tot hij plotseling een goed idee kreeg: andere jongens hebben zich in de stad verhuurd en hun fortuin gemaakt, terwijl ik maar wat rondhang en kijk hoe anderen werken. En hij verklaarde: "Luister, wat ik jullie te zeggen heb: Zoals wij leven, gaat het niet langer. Met uitzondering van de jongste zijn wij volwassen mannen. Ik heb genoeg van dit luie leven hier. Morgen pak ik mijn ransel en trek de wijde wereld in! Ik zal werk zoeken en spoedig zoveel verdienen, dat ik een nieuwe boerderij kan kopen!"

De broers spitsten bij deze woorden hun oren. Ze werden het er weldra over eens, gezamenlijk de wereld in te trekken en ervaringen op te doen.

Ze staken een stuk brood in hun tas en gingen, waarheen de wind hen voerde. Maar waar ze ook kwamen, overal lachte men hen uit: "Kijk die slimme vossen. Thuis hebben ze niets meer te eten, nu komen ze ons arm eten!"

De broers gingen van huis tot huis, vroegen eerst bij de buren, toen in de stad, maar voor ze aan een deur konden kloppen, was hun slechte naam hen al vooruit gesneld.

Toen de schemering aanbrak, kwamen ze even berooid terug als ze waren weggegaan.

De moeder diende het avondbrood op, maar het wilde hen deze keer niet smaken. Ze waren zo in gedachten verdiept, dat ze op de bank heen en weer schoven en besloten, reeds de volgende dag hun geluk te gaan zoeken, desnoods aan het andere eind van de wereld.

De moeder huilde, de vader probeerde met ze te praten, maar het was tevergeefs. Toen de nieuwe dag aanbrak, namen de zeven broers afscheid van hun ouders en liepen weg, zonder nog één keer om te kijken.

Een jaar en een dag waren voorbijgegaan. Buiten de ouders dacht niemand meer aan de luilakken. Maar kijk! Daar kwamen ze aan, ze kwamen steeds dichterbij en iedereen liep naar het venster, de nieuwsgierigsten onder hen zelfs voor het huis. Maar de zeven lange kerels marcheerden langs de straat zonder links of rechts te kijken, schop en houweel over de schouder. Natuurlijk was er grote vreugde in het huis - tot laat in de nacht kon men uit alle vensters het licht zien branden. En menige buur zou graag stiekem hebben afgeluisterd wat er daar verteld werd.

De volgende dag al konden de buren een ongewoon schouwspel zien. De zeven luilakken gingen namelijk met schop en houweel het land op, daar groeven en schepten en hakten ze net zolang, tot ze het stilstaande water van de Weser hadden teruggedrongen. Toen bouwden ze aan de oever een dam, die het vaderlijke stuk grond voor de vloed moest beschermen.

De buren moesten tegen wil en dank toegeven, dat de luilakken veranderd waren en dat ze elke dag vlijtig van vroeg tot laat op het land bezig waren.

Maar omdat jaloersheid een kwaad is, dat moeilijk valt te onderdrukken, misgunden de buren de zeven broers de mooie droge weiden en het sappige gras, wat ze in de nieuwe schuur onderbrachten.

De herfst kwam en de zeven luilakken, zoals de buren hen nog altijd hardnekkig bleven noemen, droegen stenen en hout bijeen en begonnen naast het vaderlijk erfgoed een mooi nieuw huis te bouwen. De bouw ging zo voorspoedig, dat men met open mond toekeek en fluisterde, dat het vast geen zuivere koffie was. Vrienden zouden zeggen, dat de broers vlijtig en eerzaam waren geworden, maar de buren dachten er anders over en kwamen ook voor hun mening uit!

Toen het huis klaar was en de oudste broer zijn bruid thuisbracht, nam de afgunst voorgoed bezit van de buren: ze zijn zo op hun gemak gesteld, dat ze het ouderlijk huisje niet met de bruid willen delen. Alleen daarom hebben ze dat huis gebouwd!

Met de lente begon weer het werk op het veld. En weer merkten de buren, dat de broers iets van plan waren. Wat gebeurde er? Vijf broers hielden bruiloft en weer stonden er Vijf mooie huizen, blinkend van nieuwheid.

Alleen de jongste broer bleef in het huis van zijn ouders achter. Hij was nog te jong om een bruid thuis te brengen.

Om de huizen lagen weldra lommerrijke boomgaarden, omzoomd door hekken van struikgewas. Maar ja, toch bleven het luilakken. In plaats van in de nacht of in de winter op te staan en de hazen van de koolplanten weg te jagen, plantten ze liever een levende omheining en sliepen in hun warme bed een gat in de dag!

Toen kwamen er nieuwe veestallen en schuren, ook een nieuwe brede straat. Maar dat was niet alles. De broers plaveiden de straat en plantten aan beide zijden lindebomen, een lust voor het oog. Niet zelden gebeurde het, dat er een vreemdeling kwam en vroeg, wat dat voor een laan was. Overeenkomstig de waarheid vertelden de mensen dan van de zeven luilakken, die het te veel was het bos in te gaan om frisse lucht te happen en daarom liever een lindelaan vlak voor hun neus hadden geplant. En omdat ze te lui zijn om hun schoenen te poetsen, hebben ze de straat gelijk van straatstenen voorzien. Zo aartslui zijn ze!

Zo leefden de zeven luilakken, en de buren ergerden zich aan alles. Tenslotte begonnen ze ook nog tussen de huizen te graven. En kijk! Daar was een bron. Natuurlijk, dat was te verwachten: terwijl de anderen dagelijks met emmers het water uit de Weser haalden, groeven zij in hun luiheid liever een bron vlak voor de deur.

En dat moet het laatste zijn geweest, wat ze tot stand hebben gebracht.

Als jullie willen weten, waar.de luilakken hebben gewoond, vraag dan naar de Luie Steeg. De linden zijn weliswaar allang gekapt, maar de bron staat nog steeds middenin de straat.


*   *   *

De zeven luilakken van Bremen Samenvatting
Een Duitse sage over de 'Luie Steeg' in Bremen.

Toelichting
Zie de.wikipedia.org. De bron in het verhaal is de 'Sieben-Faulen-Brunnen' van Bernhard Hoetger. In Bremen vindt men ook het 'Haus der Sieben Faulen' in de Böttcherstraße.

Een ander bekend verhaal uit Bremen is De Bremer stadsmuzikanten.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach. Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6

Herkomst: Duitsland
Verteltijd: ca. 12 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook