Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 74 min.
Herkomst:

Het houten paard Een Oeigoerisch (Chinese islam) sprookje over een hemelvoertuig

Een smid en een meubelmaker kregen eens hevige ruzie. "Vergeleken bij mij ben je toch een ontzettende beunhaas en stumper," zei de meubelmaker. "De betere handwerksman ben ik," zei de smid, "dat is toch zeker allang bekend." De beide kemphanen gaven elkaar geen duimbreed toe, want geen van beiden wilde de ander een voorrangspositie toestaan. Tenslotte kwamen ze overeen hun geval aan de koning voor te leggen en zich daarna bij zijn oordeel neer te leggen.

De koning was zeer verbaasd twee handwerkslieden voor zich te zien en vroeg, gezeten op zijn troon, wat zij van hem wilden. De meubelmaker nam terstond het woord en zei:

"Majesteit, deze smid hier wil mij wijs maken, dat hij zijn handwerk beter verstaat dan ik. Ieder weet toch dat er op de hele wereld geen betere meubelmaker bestaat dan ik!" De smid viel hem al gauw in de rede en beklaagde zich in ongeveer gelijke woorden over de meubelmaker. Beiden verzochten de koning tenslotte een besluit te nemen en een beslissing in hoogste instantie uit te spreken over hun vaardigheden en talenten. De koning had het zwijgend aangehoord en een hele tijd daarna bleef het stil. Toen zei hij: "Ik ken jullie niet en heb ook nog geen enkel werkstuk van jullie gezien. Hoe kan ik dan een oordeel vellen? Ik geef jullie tien dagen de tijd. In die periode kan ieder van jullie hier komen en mij een werkstuk voorleggen. Op de elfde dag zal ik dan beslissen."

Na tien dagen sleepte de smid een enorme ijzeren vis mee, de meubelmaker verscheen echter met een houten paard voor de koning.

"Wat moet ik daarmee?" vroeg de heerser, "willen jullie me soms voor de gek houden?"

"U kunt zo dadelijk uw beslissing bekend maken," antwoordden ze allebei. De smid klopte daarbij zelfverzekerd op de buik van de lelijke vis en de meubelmaker streelde de hals van het houten paard.

"Wat betekent nu die ijzeren vis?" vroeg de koning spottend en met een geringschattend lachje.

"Majesteit, dit is een dapper zeedier," zei de smid met van trots gezwollen borst. "U kunt in de buik van dit visje honderdduizend zakken graan storten, maar dat gewicht doet hem niets. Het visje zwemt met deze vracht in zijn buik nog licht en opgewekt in de zee."De koning keek ongelovig naar de smid en ook naar de ijzeren vis en liet honderdduizend zakken graan aanrukken. Na het poosje werd het zwaargeladen gedrocht te water gelaten. De koning was niet weinig verbaasd toen de reusachtige vis helemaal in het water lag en met een ongelooflijke snelheid door de golven joeg. De koning was niet gierig met zijn lof en verleende de smid genadiglijk de titel van koninklijke straatvoogd.

"Nu, wil jij met deze houten knol de wondervis van de smid nog overtroeven? Dat kinderspeelgoed had je rustig thuis kunnen laten." De meubelmaker bleef heel kalm en zei: "Majesteit, mijn paard is een wonderpaard, dat deze plompe ijzeren vis verre overtreft. Om kort te gaan, dit paard overtreft de edelste renpaarden ter wereld, want het kan vliegen. Zesentwintig schroeven zijn erin aangebracht: draait men aan de eerste schroef, dan gaat het paard de lucht in, draait men aan de tweede, dan begint het sneller te vliegen, ongeveer zo snel als een zwaluw. Draait men tenslotte alle zesentwintig op, dan schiet het als een pijl door de wolkenzee, sneller dan de gierzwaluw en de adelaar. Met dit paard, majesteit, kan men de wereld veilig en zonder moeite bereizen."

Met grote verbazing had de jonge prins, die vlak bij de troon stond, deze woorden mede aangehoord. Bij het vooruitzicht zich eens van de grond te kunnen verheffen en te vliegen, werd hij door nieuwsgierigheid bevangen, en hij vroeg zijn vader het eens met het paard te mogen proberen.

"Daar kan ik geen toestemming voor geven," antwoordde de koning. "Vliegt het ding niet, dan heb je jezelf geblameerd, als je erop bent gaan zitten; vliegt het paard echter wel, dan zou je naar beneden kunnen vallen."

De meubelmaker stelde de koning gerust en zei: "Majesteit, er kan heus niets gebeuren. Het opstijgen en vliegen is totaal ongevaarlijk. Ik zou de prins alleen willen aanraden niet alle schroeven tegelijk aan te draaien."

Deze woorden gaven de prins de moed om steeds meer bij zijn vader aan te dringen en zijn toestemming af te smeken.

De koning had zijn lieveling nog nooit iets geweigerd en stemde tenslotte, ondanks al zijn bedenkingen, toe. "Nou goed dan, ga er maar op zitten. Maar in geen geval mag je aan meer dan één schroef draaien. Hoor je, dat moet je me beloven!"

De prins beloofde het zijn vader bij de baard van Allah, wierp zich op het houten paard, draaide aan een schroef en verhief zich zachtjes van de grond. De omstanders stieten kreten uit van verwondering en verrukking; de prins zweefde hoger en hoger, liet bomen en daken spoedig onder zich en was al gauw alleen nog maar als een stip aan de horizon te zien.

Toen de koninklijke ruiter nu onder zich steden, dorpen, bossen, rivieren en bergen zag verdwijnen, en hij zich ook in het zadel zo hoog in de lucht heel goed voelde, werd hij opnieuw door nieuwsgierigheid bevangen. Hij wilde dolgraag nog harder vliegen en door de wolken heen jagen. Spoedig kon hij aan dit verlangen geen weerstand meer bieden; hij draaide aan de schroeven, de ene na de andere, alle vijfentwintig. De wind floot om zijn oren! Het ging nu zo hard, dat hij in het landschap onder hem niets meer herkennen kon; het was nog slechts een bontgevlekt tapijt, en al gauw verdween ook dat uit zijn gezichtsveld. Pijlsnel schoot hij door de wolken en door het azuurblauw van de hemel. Dolgelukkig zat hij op zijn wonderpaard en vloog urenlang voort.

Maar ook in de lucht meldt de maag zich na een poosje bij de mensen en zo werd ook de prins na enige uren door de honger gekweld.

Hij stuurde het paard vlug naar beneden en bemerkte dat hij met hoge snelheid op een grote, hem onbekende stad neerkwam. Hij draaide vlug de schroeven dicht, de ene na de andere en verminderde zo langzaam aan zijn snelheid. Ros en berijder landden tenslotte zacht en ongedeerd op de aarde.

De stad en de mensen om hem heen waren hem vreemd. Hij moest enorm ver verwijderd zijn van zijn vaderland. En dat alles na een luchtreisje van een paar uur! De prins verstopte zijn houten paard in een dicht struikgewas en ging toen pas een herberg binnen. Na deze belevenis liet hij zich de maaltijd goed smaken. Toen vroeg hij om logies en ging zeer tevreden naar bed.

De volgende dag stond hij vroeg op om de stad te gaan bekijken. Op zijn gemak slenterde hij door de straten en bereikte tenslotte een groot plein, waar zich vele mensen verzameld hadden. Allen rekten de halzen en staarden omhoog, naar de hemel. De prins kwam nieuwsgierig naderbij, mengde zich onder de toeschouwers en tuurde eveneens in de lucht om te zien wat daar aan de hand was. De zon scheen, de lucht was helder, er zeilden een paar wolkjes langs de hemel, maar verder kon hij niets bijzonders zien. Daarom stootte hij met zijn elleboog zijn buurman aan en vroeg wat er eigenlijk te zien was. De man keek de prins verbaasd aan, bekeek hem toen van boven tot onder en zei: "Waar kom je eigenlijk vandaan? Heb je dan nog nooit van onze prinses gehoord?" De prins zei dat dit inderdaad zo was en vroeg de man hem er wat meer over te vertellen. De man schudde nog steeds verwonderd zijn hoofd en vertelde hem toen uitgebreid alles op de manier, waarop een inwoner van een plaats een vreemdeling over de voornaamste gebeurtenissen pleegt in te lichten.

"Onze prinses," sprak de man en keek onder zijn verhaal door iedere keer omhoog naar de hemel, "is het bekoorlijkste en lieflijkste wezen dat Allah ooit geschapen heeft. De koning heeft haar afgodisch lief, maar hij gunt niemand anders de aanblik van haar wonderbare en onuitsprekelijke schoonheid. Het paleis hier in de stad vond hij helemaal niet veilig genoeg en daarom heeft hij daarboven in de wolken een hemelslot laten bouwen. Daar woont ze, naar men zegt, heel mooi, maar ze is er ook erg alleen.

Iedere dag, als zijn werkzaamheden aan het hof het toelaten, reist hij naar boven naar zijn dochter, om haar te zien en haar gezelschap te houden. Vandaag is hij al vroeg naar boven gegaan en hij is daar al heel lang, hij kan ieder ogenblik terugkomen. Daarom staat het volk hier en wacht, zoals altijd, op zijn terugkomst uit de hemel, want dat is altijd een prachtig schouwspel."

De prins was zeer verbaasd over deze woorden en vroeg ongelovig: "Hoe kan een koning nu een slot in de wolken laten bouwen?" - "Jongeman," zei iemand die naast hem stond, "het is ook geen gewoon slot, het is door geesten gebouwd! Alleen de koning is in staat er heen te gaan. Niemand van ons is ooit nog daarboven geweest!"

De prins was stomverbaasd. Zoals zo dikwijls werd hij ook nu weer erg nieuwsgierig en nam een besluit. Dat slot liet hem maar niet met rust, hij wilde het gaan zoeken. Nauwelijks was het nacht geworden of hij haalde zijn houten paard uit het struikgewas, wierp zich in het zadel, draaide de ene schroef na de andere langzaam op en suisde door de lucht, nu eens in deze richting, dan weer in een andere. Na enige ritten in diverse richtingen zag hij inderdaad een prachtig gebouw, dat er uitzag als een slot, uit de wolken oprijzen. Hij bracht zijn paard voor de poort tot staan, sprong uit het zadel en ging door de poort de grote slothal binnen. De koningsdochter hoorde de stappen van de prins en dacht eerst dat haar vader weer teruggekomen was; toen echter een jonge man, die haar totaal vreemd was, haar vertrek binnenkwam, dacht zij dat er een engel uit de hemel naar haar toe was gekomen. Ze had behalve haar vader nog nooit een gewone sterveling in dit slot gezien. Ze stond eerbiedig op en snelde de vermeende engelengedaante tegemoet om hem te verwelkomen.

De prins stond als door de bliksem getroffen, zo diep was hij geroerd door de aanblik van haar schoonheid; hij kon maar niet genoeg krijgen van haar prachtige figuur en lieflijke gezicht. Hij werd door een diep verlangen vervuld, hij was op slag verliefd op haar en wenste in stilte dit prachtige schepsel eenmaal als zijn vrouw mee te kunnen nemen naar zijn land.

De prinses, die geen enkel mens kende, had eveneens in haar hart een diepe genegenheid voor de jongeling opgevat, wiens edele gestalte zij bewonderde. Het drong nu pas tot haar door hoezeer haar vader haar in afzondering had laten leven. Tedere gevoelens waren in haar hart ontstaan en in haar ogen stond te lezen hoe ze naar vriendelijkheid en liefde verlangde.

De prins en de prinses begrepen beiden hoezeer ze op elkaar verliefd geworden waren, vielen elkaar in de armen, kusten en liefkoosden elkaar en hielden elkaar lange tijd omklemd.

Toen het begon te schemeren en de eerste felle zonnestraal door de wolken zichtbaar werd, besteeg de prins zijn paard, reed weer terug naar het struikgewas en ging de herberg binnen, waar hij bij aankomst in de stad zijn intrek had genomen. De koning, die een wantrouwend man was, wist best dat hevige liefde tussen man en vrouw het lichaamsgewicht van de vrouw kan doen toenemen. Daarom had hij iedere dag de prinses op een weegschaal gezet en gewogen. Toen hij haar 's middags bezocht zag hij dat de prinses twee pond was aangekomen. Hij was buiten zichzelf van woede en afgunst, zijn ogen stonden somber en zijn baard stond rechtop van kwaadheid. Hij keerde ogenblikkelijk naar zijn residentie terug en riep de kroonraad bijeen. De hovelingen en hoogwaardigheidsbekleders zagen direct de wrevel op het gezicht van de koning, dat onweer voorspelde, en vroegen bezorgd naar de reden van het koninklijke ongenoegen. De koning vertelde hun sidderend van boosheid het verhaal en riep: "Wie kan er behalve ik in het slot geweest zijn? Dat is niet pluis! Zeg mij terstond hoe wij deze booswicht te pakken kunnen krijgen!"

De hofraden schudden het hoofd en meenden tenslotte: "Er moeten vier dappere soldaten naar het slot gezonden worden en als wachten op de hoeken van het gebouw worden geposteerd. Verschijnt dan de onverlaat, dan kan hij gegrepen worden!"

De koning nam dit voorstel van zijn raadgevers aan. Hij zocht vier betrouwbare ijzervreters uit, nam ze met zich mee naar het luchtslot en toonde hen hun plaats op de vier hoeken.

Daarna keerde hij, nog steeds mokkend, naar de aarde terug, De vier helden waren echter het lange staan in het rijk der wolken niet gewend en vielen al spoedig in een zoete, diepe slaap. De prins kwam wederom ongehinderd het paleis en de vertrekken van de prinses binnen. In de ochtendschemer sloop hij de nog steeds snurkende wachten voorbij en kon het slot weer ongezien verlaten.

Nog voor het middaguur verscheen de koning alweer en zette de prinses dadelijk op de weegschaal. Wat schrok hij! Het mooie meisje was in diezelfde nacht niet meer en niet minder dan acht pond aangekomen! De wachten verbleekten, want de ogen van zijne majesteit begonnen van woede heen en weer te rollen en zijn gezicht werd langzaam aan donkerrood. Daar de koning echter dacht, dat de wachten op alle vier de hoeken het slot zonder in te slapen bewaakt hadden, wist hij niet wat hij moest doen.

Spoedig lekten deze kwalijke geruchten ook uit naar de stad, en de wildste verhalen over de geheimzinnige gebeurtenissen in het luchtslot deden weldra de ronde. De koning schaamde zich diep en liet zich nauwelijks meer in het openbaar zien. In zijn nood vroeg hij een zeer verdienstelijke oude hoogwaardigheidsbekleder om raad. Deze stelde voor, het bed en de stoel van de prinses met verf te bestrijken. "Wie dan morgenochtend in ons land verf aan zijn kleren heeft, is de boosdoener."

Dit voorstel zette de koning dadelijk in een daad om. De hofschilders werden naar het luchtslot gebracht en moesten het bed en de stoel van de prinses voorzichtig met verf bestrijken. 's Avonds werden de wachten weer op de vier hoeken neergezet; daar deze mensen echter van opwinding totaal uitgeput waren, vielen ze na een paar uur weer lekker in slaap.

De prins beleefde ook deze nacht weer heerlijke liefdesuren bij zijn uitverkorene en ontkwam nog voor zonsopgang moeiteloos aan zijn speurhonden.

Toen hij nu zo bij het terugvliegen op zijn paard zat, bemerkte hij op zijn mantel allerlei verfvlekken en stippen. Dat vond hij verdacht, trok het kledingstuk uit en bekeek het aan alle kanten. De prachtige zijde was op verschillende plaatsen besmeurd; zelfs de kostbare edelstenen in hun gouden zetting, die meesterlijk op het gewaad waren aangebracht, waren door dikke verfklodders onherkenbaar geworden. Dit alles kwam de prins erg verdacht voor en hij liet het gewaad eenvoudig vallen. Als een reuzenvogel, die zijn vleugels uitslaat, zeilde het naar de aarde toe.

De oude muzelman, die al sinds tientallen jaren de gelovigen van de stad voor het gebed placht samen te roepen, stond op dat moment juist weer op de minaret van de moskee en hief de handen omhoog voor het ochtendgebed. Daar zag hij hoe een reusachtig stuk doek uit de hemel naar beneden kwam fladderen, zo dicht langs de minaret, dat hij het zou kunnen grijpen. Hij ging op zijn tenen staan, strekte de armen uit en kon het gewaad nog juist bij de zoom pakken. Vol verbazing bekeek hij het zijden gewaad, dat met edelstenen bezet was. De muzelman, die een streng gelovig man was, dacht dat het een geschenk van Allah was, dat de Almachtige hem voor zijn trouwe diensten uit de hemel had toegeworpen. De oude gebedsomroeper dacht aan het feit, dat hij trouw en gehoorzaam zijn leven lang de Almachtige in vrome aandacht en zonder morren gediend had. Waarom zou Allah hem dan niet een bijzonder bewijs van zijn genade zenden? Dankbaar hield hij het gewaad omhoog en loofde God uit het diepst van zijn hart.

De bevolking van de stad verzamelde zich na zonsondergang zoals elke dag in de moskee voor het avondgebed. De oude muzelman had het uit de hemel gevallen gewaad omgeslagen en wierp zich met een stralende blik op de grond terneer voor het gebed. In de hele stad waren echter al sedert uren de speurders van de koning op pad om alle onderdanen in ogenschouw te nemen. En daardoor sloeg het noodlot voor de oude toe. Met ruw geweld verbraken de verspieders zijn gebed, sleurden hem uit de moskee en sleepten hem voor de troon. De boze koning snauwde hem toe: "Hoe komen die verfvlekken op je mantel?"

De muzelman, die een beetje bijziende was en gedacht had dat de stippen tot het patroon hoorden, antwoordde verbaasd: "Die vlekken? Dat weet ik niet! Het gewaad had deze kleuren al toen ik het van Allah kreeg!"

Op grond van deze uitspraak hield de koning de onschuldige muzelman voor een zeer geslepen bedrieger en riep: "Van Allah! Hij zou hem van Allah gekregen hebben! Werp hem in de toren en ondervraag hem daar nog maar eens. We zullen je die zwendelpraktijken wel afleren!"

De oude werd in de toren geworpen en moest op de pijnbank een uiterst pijnlijk verhoor ondergaan. Daar hij steeds maar over Allah en zijn geschenk bleef stamelen en er niets uit hem te krijgen was dat meer klaarheid in de zaak kon brengen, sprak de kadi zonder meer het doodvonnis uit naar aanleiding van de noodlottige verfvlekken.

De bij het verhoor lelijk toegetakelde muzelman werd direct naar de executieplaats gebracht.

De mensen in de stad hadden inmiddels vernomen dat men de schuldige betrapt had. Allen stroomden naar de plaats van de terechtstelling om de moedige avonturier te zien, die het klaargespeeld had naar de hemel te vliegen, in het luchtslot binnen te dringen en de prinses midden in de nacht te bezoeken. Allen dachten dat er nu een vermetele en trots uitziende jongeling zou worden aangesleept, Een teleurgesteld, ongelovig gemurmel steeg uit de volksmenigte op, toen spoedig daarop de beulsknechten de kermende oude muzelman naar het schavot sleepten. Dat kon toch niet mogelijk zijn! Dat moest een vergissing zijn, een justitieel misdrijf. Dat was de eenparige mening van het volk. Uit alle delen van de stad kwamen groepjes bij elkaar, en oud en jong disputeerden hevig over deze duidelijke misgreep van het gerechtshof. Het gerucht hierover ging door alle straten en bereikte spoedig ook de herberg, waar de prins uitrustte van zijn nachtelijk liefdesbezoek.

Daar de prins een eerbare jongeman was, dreef zijn geweten hem direct het bed uit. Hij sprong op zijn houten paard en haastte zich naar het galgenveld.

De beul had de oude muzelman net de strop om de hals gelegd.

"Houd op!" riep de prins, "houd op! De oude man is onschuldig. Ik ben naar het luchtslot gevlogen en heb de prinses bezocht. Het gewaad met de verfvlekken is van mij! Ik heb het naar beneden geworpen en de oude man hier heeft het waarschijnlijk gevonden. Laat hem direct vrij. Als het dan toch gebeuren moet, hang dan mij op!" Een verbaasde kreet ging door de volksmenigte. De beul staakte zijn werk en stuurde een ijlbode naar de koning. Deze meldde de somber voor zich uit starende heerser, dat een onbekende jongeling zich op onverklaarbare wijze zelf als de schuldige had aangemeld van het bedoelde misdrijf. Zijne majesteit, zo liet de beul de bode tevens vragen, moest nu zelf maar beslissen wie van beiden, de jonge of de oude, terechtgesteld moest worden. Kort en bondig beschikte de koning: "Hang de jongen op!"

De beul bevrijdde hierop de arme muzelman uit de strop, en liet hem zonder meer gaan. De beulsknechten echter beval hij de jongeling in de boeien te slaan. De prins had de situatie direct door, was met één sprong op zijn houten paard beland, had de hoogteschroeven bliksemsnel opgedraaid en vloog nu onder loeiende bijval van de volksmenigte weg. Zo maar voor zijn plezier maakte hij boven het galgenveld nog een paar luchtsprongen en haastte zich toen naar de wolken toe.

Toen de koning van de gang van zaken op de hoogte gesteld werd, raakte hij haast buiten zichzelf van woede. Had hij niet een groot aantal wachten, speurders, spionnen en beulsknechten in dienst? Hij schreeuwde het uit van kwaadheid en het werd zo erg, dat hij het bewustzijn verloor.

De prins, hoog in de lucht, was na zijn vlucht van de plaats van terechtstelling dadelijk naar de wolken gevlogen, naar het paleis van de prinses.

"Mijn lieveling," zei hij tot haar, "je vader heeft ons geheim ontdekt! We hebben maar één keus: scheiden of vluchten! De gedachte van je te moeten scheiden, kan ik niet verdragen. Laten we samen vluchten! We gaan naar huis, naar mijn grote en mooie land. Mijn vader zal je zeker goedgunstig en liefdevol opnemen. Dan zijn we voor altijd bij elkaar!"

De prinses wierp zich in de armen van haar geliefde en antwoordde slechts: "Ik ben en blijf van jou. Waar jij heen gaat, daarheen ga ik ook!"

Haastig verlieten zij het slot. De prins sprong op het houten ros en zette de prinses voor zich neer. De prins draaide maar een paar schroeven aan, opdat de prinses niet schrikken zou.

Toen ze reeds enige uren gevlogen hadden, riep de prinses opeens: "O, mijn edelstenen! Ik heb de twee edelstenen in het slot laten liggen, die mijn moeder me eens gegeven heeft, opdat ik ze als bruidsschat aan mijn toekomstige schoonouders zou kunnen geven. Mijn geliefde, keer terug, ik moet de edelstenen gaan halen!"

De prins was het hiermee niet eens en zei: "Laat maar, liefste! We hebben nu al zo'n eind gevlogen. En nu zouden we weer moeten terugkeren. Laat ons doorvliegen!"

De prinses kalmeerde echter niet en begon te jammeren: "O, wat zullen de mensen me uitlachen als ik met lege handen naar je ouders toe ga. Een vreselijke gedachte, ach, mijn mooie stenen!"

Het voortdurende gejammer maakte de prins tenslotte wat toegeeflijker, hij draaide de ene schroef na de andere terug en liet het paard naar de aarde zweven. "Neem het paard en haal de edelstenen," zei hij, "maar kom direct weer terug, ik zal hier op je wachten!"

De prinses omhelsde en kuste haar geliefde en sprong op het houten paard. De prins legde haar met een paar woorden de werking van de schroeven uit en ze vloog weg. In zijn troonzaal hadden de hakim en de hoogwaardigheidsbekleders zich inmiddels opgewonden met de bewusteloze koning beziggehouden. Met koude omslagen en allerlei aftreksels gelukte het hen hem weer bij te brengen.

Nauwelijks had hij de ogen opgeslagen of hij greep naar de teugels van zijn eigen wolkenpaard en joeg zo snel mogelijk omhoog, naar de hemel. Om wat te zien? De kooi was leeg, de zeldzame vogel uitgevlogen. Eenzaam en verlaten stond het luchtslot daar. Met vertwijfelde blik zocht hij de wolken en de wijde hemel af. Daar! Opeens komt er een paard van achter de wolken naar voren geschoten! Op het paard zit de prinses en slaat de weg naar het paleis in. De koning sluipt snel achter een gordijn en laat haar argeloos over de drempel gaan. Als zij haar vertrek binnen wil gaan, worden er twee sterke armen om haar heen geslagen. De koning heeft de vluchteling weer te pakken gekregen. Zo sleepte hij haar weer naar de aarde mee terug, hield een lange boetepreek en sloot haar in een kamer van het paleis op. De houten knol, wiens schroeven hij toch niet bedienen kon, liet hij in de koninklijke rommelkamer gooien.

Na al deze gebeurtenissen kwam de koning na enige tijd toch op de gedachte, dat het het beste zou zijn de prinses zo spoedig mogelijk uit te huwelijken. Makkelijker gezegd dan gedaan! Welke koningszoon zou er nu met een gevallen prinses willen trouwen? Welke prins in de naburige landen had niet reeds over de misstap van zijn dochter gehoord? Het gerucht had zich immers als een lopend vuurtje verspreid? Zou een deugdzame ridder het onder deze omstandigheden nog aandurven om de hand van de schone te vragen?

De koning overwoog het voor en tegen. In zijn grote nood schoot hem te binnen, dat lang geleden een koning uit een ver land eens voor zijn zoon en troonopvolger een bruid zocht en daarvoor bij hem had aangeklopt. De roep over de buitengewone schoonheid van de prinses was indertijd tot in dit verre land doorgedrongen. De koning had toen de buitengewone afgezant van dat land onverrichterzake naar huis teruggestuurd; nu echter scheen hem deze aanstaande uit dat verre land juist de goede te zijn. Hoe verder hier vandaan, hoe beter, dacht hij bij zichzelf. Midden in de nacht stond hij op en stelde een zeer slimme en vleiende brief op. Vele malen veranderde hij de tekst en verving enkele woorden door nog duidelijker en vleiender taal. Nadat hij was opgestaan, benoemde hij een bijzonder koerier en las hem hoogstpersoonlijk de brief voor: "Koninklijke broeder!

Bij deze deel ik u mede, dat mijn in alle vrouwelijke vaardigheden geoefende dochter inmiddels de huwbare leeftijd bereikt heeft en dat ik daarom niet afwijzend sta tegenover een huwelijk met uw voortreffelijk opgevoede zoon die ik boven alle anderen verkies. Familiebanden tussen onze beide huizen kunnen daardoor worden aangeknoopt, vriendschappelijke betrekkingen tussen onze landen verstevigd en voor eeuwig zeker gesteld worden.

Zijne koninklijke hoogheid, de troonopvolger, gelieve zich in gezelschap van zijn trouwste ridder op reis te begeven om hier te lande zijn toekomstige gemalin in ontvangst te nemen. Een feestelijke ontvangst zal hem worden bereid en het wapen van uw familie zal naast het nationale embleem van ons geslacht op de vlag worden bevestigd.

Hiermede besluiten wij deze brief en verzoeken u overtuigd te zijn van onze diepste verering en hoogachting."

Vele dagreizen hier vandaan - wanneer men tenminste te voet van de ene plaats naar de andere zou moeten gaan - wachtte de prins op zijn geliefde. Hij liep van hot naar her, ging liggen, begon te zingen, hij wachtte en wachtte, maar ze kwam niet terug.

Helaas was hij in een woestijn terechtgekomen. Zo ver als het oog reikte zag men zand, niets anders dan zand. De wind deed de fijne zandkorrels in hele wolken opdwarrelen, en het zand drong door zijn kleding heen tot op zijn huid. Geen struik, geen sprietje gras was er te zien; bij elke stap zakte hij dieper in het droge zand weg.

De prins klom op de kam van een hoog duin en werkte zich zwetend naar het allerhoogste punt. Nog voor hij een blik op de andere kant van het duin had kunnen werpen, begon de zandberg te schuiven. Zoals een dunne ijslaag onder de voeten begint te smelten als de lente aanbreekt, zakte hij naar beneden en gleed met de geweldige zandmassa's mee. Toen hij nu, van onder tot boven met zand overdekt, eindelijk weer tot stilstand kwam, lag hij in een grote moestuin. De heerlijkste vruchten hingen aan de bomen en uit het dichte donzig groene bladerdak glinsterden hem vele prachtige perziken tegen. Hij reikte omhoog en plukte er een handvol af. Dorstig als hij was beet hij er begerig in en het zoete sap liep langs zijn kin. Zo stilde hij zijn honger en dorst en ging in de schaduw van een boom liggen rusten. Spoedig sluimerde hij in.

Toen hij na een paar uur weer ontwaakte en zich de slaap uit de ogen wreef, voelde hij eigenaardige lange haren aan zijn wangen. Verbaasd streek hij over zijn gezicht en stelde vast, dat hij tijdens zijn slaap een lange baard gekregen had. De prins had nog nooit zijn baard laten staan en daarom kon hij ook het leuke van die lange baardharen niet in zien. Terwijl hij hierover zat na te denken en met de hand over zijn merkwaardige baard streek, kreeg hij alweer honger. "Wie weet," dacht hij, "is er misschien met die perziken iets niet pluis." En daarom plukte hij ditmaal een paar mooie peren van de bomen. Het vlees van deze vruchten was sappig, koel en zacht. De schil was heel dun, hij hoefde de peren niet eens te schillen. Ze smaakten hem zo goed, dat hij er veel meer van at dan van de kostelijke perziken. Toen strekte hij zich op het grasveld uit en sliep weldra weer in. Bij het ontwaken keek hij verbaasd om zich heen, want het was avond geworden; de tuin lag al in een diepe schemer gehuld. Op zijn gemak stond hij op, rekte zich uit en stootte daarbij met zijn hoofd tegen een naar beneden hangende tak. Toen voelde hij een drukkende last tegen zijn slapen. Hij ging met zijn hand over het hoofd en kon van schrik wel door de grond zinken. Op zijn hoofd waren dikke, machtige horens gegroeid. Op hetzelfde moment zag hij dat zijn baard inmiddels spierwit was geworden en zo gegroeid was dat hij over zijn borst hing.

Wat zou hij er nu afschuwelijk uitzien! De prinses zou een baardige, hoornige duivel terugzien. Zij zou zeker niet meer van hem houden. Bitter wenend wierp hij zich in het gras en snikte tot hem tenslotte van vermoeidheid de ogen dichtvielen.

Onrustig draaide hij zich om en om op het gras en begon te dromen. Een eerbiedwaardige grijsaard verscheen hem in zijn dromen, streek zacht over zijn haar en vroeg hem met goedaardige stem: "Wat scheelt er aan, mijn zoon?" De prins vertelde hem van zijn verschrikkelijke verandering, die al zijn levenshoop de bodem ingeslagen had. De oude kalmeerde hem en zei: "Je bent in de tuin van de duivel terechtgekomen maar je hebt groot geluk gehad. Wanneer het duivelsgespuis niet juist sliep, hadden ze je al lang met huid en haar opgevreten. De vruchten aan de bomen zijn duivelsvruchten. Maar je kunt je mensengedaante wel weer terugkrijgen; je hoeft daartoe alleen maar de perziken en peren op te eten die onder de boom in het gras liggen. Maar ik raad je wel aan dan zo spoedig mogelijk dit onzalige oord te verlaten!"

De schrik, die de prins in zijn droom door de leden voer, was zo hevig dat hij ontwaakte. Hij ging rechtop zitten en wreef zich de ogen uit. De nachtwind ruiste koel door de bladeren en de maan stond hoog aan de bewolkte hemel. Van de hitte van de woestijn was niets meer te bespeuren. Zoals de grijsaard in zijn droom hem had aangeraden at hij snel een paar van de in het gras uitdrogende perziken en peren. En zie, de baard verdween en de horens schrompelden ineen. Er bleef zelfs geen klein stompje meer van over. Hij was weer zichzelf.

Wie weet, dacht de prins, hoe ik het nog eens gebruiken kan en rukte snel een paar twijgen af, vlocht daarvan een korfje en vulde het tot aan de rand met verse en gedroogde vruchten. Toen rende hij, alsof het hele duivelsgebroed hem op de hielen zat, uit de betoverde tuin weg. Hij wist niet welke kant hij uit moest gaan en hij had geen enkel herkenningspunt, waaruit hij kon opmaken waar zijn vaderland of de stad van de prinses was. Op goed geluk stapte hij door de zandduinen, zeven dagen en nachten lang. Had hij honger, dan at hij van zijn gedroogde vruchten. Deden zijn voeten hem pijn, dan ging hij 's nachts in het koele zand liggen. Er was geen vogel in de lucht te zien, geen enkel menselijk wezen ook. Op de morgen van de achtste dag bereikte hij eindelijk een karavaanweg. Met een zucht van verlichting hurkte hij langs de kant van de weg neer en wachtte. En het duurde niet lang of er kwam een ezeldrijver voorbij. De prins hoorde van hem dat zijn vaderland in het oosten, de stad van de prinses echter in het westen lag. "Ik heb mijn prinses verloren, ook mijn houten paard is verdwenen, wat moet ik dan nog thuis doen?" zei de prins tot zichzelf, en sloeg na enig nadenken de weg naar het westen in. Hij had nog niet lang gelopen toen hij achter zich in de verte een stoet ruiters zag, die in volle wapenrusting langs de karavaanweg kwamen aangereden. Spoedig naderde de voorhoede en midden tussen de voortreffelijk uitgeruste ruiters zag de prins een staatsiekaros, waarvan de schitterend geslepen vensters blonken in het zonlicht. In een rijk bestikt en kostbaar paardenspan liepen vier vurige hengsten. De prins deed een stapje opzij om de bonte stoet te laten passeren, maar plotseling stond het voertuig stil; een dienaar kwam op hem af en vroeg of hij iets te verkopen had. De prins schudde het hoofd en zei: "Iets te verkopen? Nee, ik heb niets te verkopen!"

De dienaar wees op het korfje en zei: "U kunt ons toch een paar van die vruchten geven! Onze meester heeft erge honger en dorst en heeft al een dagreis achter zich. Nergens was er ook maar één vrucht te vinden!"

De prins antwoordde beleefd: "Dit is mijn hele reisproviand. In deze woestenij zou ik zonder mijn fruit verdorsten en verhongeren. Ik kan uw heer daarom niet van dienst zijn." Vanuit de karos kon men duidelijk een ongeduldige stem horen, en tegelijkertijd kwam er een tweede dienaar aanlopen met een goudstuk, die blijkbaar door de hoge heer gegeven werd om de fruitverkoop te vergemakkelijken.

"Hier jonge man, verkoop ons het fruit! Wij geven er goud voor terug. Onze meester heeft ontzettende dorst!" De prins monsterde de deftig geklede dienaar vriendelijk en vroeg: "Waarheen gaat de reis?"

De dienaar wees naar het westen en antwoordde: "Naar de residentie. Onze meester is namelijk op weg naar zijn bruid. De prinses van dit land wordt zijn vrouw en wij halen haar daar af."

De prins kromp inwendig in elkaar, maar naar buiten verraadde hij zich niet; zijn angstige vermoedens werden echter bewaarheid, toen hij beiden met voorgewende onverschilligheid verder uitvroeg. Spoedig werd hem de droevige waarheid duidelijk, dat de hoge heer in de koets op weg was om zijn geliefde prinses te trouwen, die hij nog niet zo lang geleden in zijn armen gehouden en gekust had.

Met een beleefde buiging nam hij nu het goudstuk aan en gaf de dienaren daarvoor vier mooie, grote, frisse vruchten: twee goudgele peren en twee perziken, die glommen als het morgenrood. De prins kon nog net zien hoe de aanstaande bruidegom in de koets in een peer beet; toen zette de hele stoet zich weer in beweging. De koets rolde steunend verder, daarbij licht wankelend en heen en weer zwaaiend. De nietsvermoedende bruidegom werd al spoedig moe en liet zich door de slaapverwekkende bewegingen van de wagen in een lichte middagslaap wiegen.

De stoet draafde zwijgend onder de onbarmhartige zonnestralen de woestijn in, terwijl paarden en ruiters steunden. Zo verliepen er uren, het gevoel van tijd zou bij ieder verloren gegaan zijn, als niet de stand van de zon de ruiters duidelijk had gemaakt dat de koelere avonduren nog lang op zich zouden laten wachten.

Daar klonk opeens vanuit de koets een ontzettend gebrul. De ruiters hielden hun paarden in, de dienaren snelden naderbij en waren van schrik bijna de woestijn in gevlucht: uit de koets keek hen een monster aan met afschuwelijke horens en een lange witte geitenbaard.

Wat was er gebeurd? Niemand kon er een verklaring voor vinden. Zou er iets met de vruchten niet in orde geweest zijn?

Radeloos keken de volgelingen naar de duivelsgedaante in de koets; het leed geen twijfel: hun hoge heer was betoverd.

Vol spanning keken allen de karavaanweg af, waarop na enige tijd fris en monter de prins met zijn fruitmandje kwam aangelopen. De gewapende mannen lieten hun lansen zakken en versperden hem de weg. Ze praatten allemaal tegelijk tegen hem en wilden weten waar die vreemde vruchten eigenlijk vandaan kwamen.

"Die vruchten?" zei de prins met de onschuldigste stem ter wereld, "van peren- en perzikbomen natuurlijk!"

De dienaren waren hiermee echter niet tevreden en vroegen: "Weet je dan waardoor onze meester een baard en horens gekregen heeft?"

De prins bekeek daarop nauwkeurig en op zijn gemak zijn rivaal, die er zo sluw uitzag als een oude duivel. Geen der volgelingen en zeker niet de lelijke, mismaakte bruidegom zelf, had enig idee van het leedvermaak, dat de prins op dat moment voelde.

"Komisch," riep hij, "zoiets heb ik nog nooit gezien. Ik eet toch zelf iedere dag dit fruit en heb nog nooit iets van een baard of horens gemerkt."

De prins spiegelde de ruiters en de volgelingen zijn verbazing daarbij zó natuurlijk voor, dat ook de man die de gedaanteverwisseling had ondergaan niets in de gaten had.

"Heeft de hoge heer misschien na het genot der vruchten een dutje gedaan?" riep de prins plotseling, alsof hij zich vaag iets herinnerde. De ruiters knikten en bevestigden allemaal, dat hun heer verscheidene uren daarna geslapen had. "Dan is het ook geen wonder!" riep de prins en terwijl hij nu allen om zich heen verzamelde, verklaarde hij met brede gebaren: "Hier in dit land mag niemand na het eten slapen. Dat weet ook iedereen en men houdt zich eraan. Doet men het toch, dan krijgt men een baard en horens!"

De ruiters en bedienden knipoogden naar elkaar en men kon merken, dat de luiheid en de vraatzucht van hun heer hen al lang een doorn in het oog was. Nu kreeg hij dus zijn straf! Wat te doen echter? De bruidsstoet kon zo in geen geval verder trekken. De verzamelde edellieden beraadslaagden en gaven het bevel terstond terug te keren. Want hoe kon nu een bruidegom met horens om de hand van een prinses vragen? Met schande overladen zou men hem en de hele bruidsstoet de stad uitjagen. De koningszoon zwaaide met zijn vuisten in de lucht en stampte op de grond: "Nee! Nooit! De prinses is mij beloofd! Al jaren wacht ik op deze dag, verzin maar wat anders!" Er bleef de begeleiders niets anders over dan nogmaals te beraadslagen. Een kamerheer, een oudgediende, deed tenslotte een voorstel en vond een uitweg uit de benarde situatie. De plaats van de bruidegom zou bij het binnenkomen der stad en bij de bruiloftsfeesten eerst door een aardige jongeman worden ingenomen, die in de kleren van een koningszoon gestoken zou worden. Was het huwelijk dan gesloten en was men met de prinses eenmaal in het huis aangekomen, nu, dan kwam de rechtmatige echtgenoot met horens en baard ten tonele. De prinses kon dan wel proberen aanstoot te nemen aan de horens van haar koninklijke gemaal, maar ze zou dan al gauw merken, dat alles vergeefs was en ze maar moest wennen aan haar ongewone gemaal.

Men zocht direct in het gevolg naar een geschikte jongeling, maar aller ogen werden spoedig gericht op de jongeman met het fruitmandje. Men vroeg hem dringend voor de bruidegom te willen inspringen en deed het voorkomen alsof hij met deze rol zeer vereerd moest zijn.

De prins weigerde en deed alsof deze opdracht hem hoogst ongelegen kwam. Hij zei: "Zijn er niet genoeg jongemannen onder jullie? Zorg zelf maar voor je zaakjes! Ik mag voor jullie de vrolijke bruidegom spelen, maar stel je nu eens voor dat iemand het hele spel doorheeft, wat dan?"

De edellieden deden hun best zijn bezwaren weg te nemen en boden hem een beloning aan van vijf goudstukken. "Dat is te weinig," zei de prins. Toen zij hem tenslotte zeven goudstukken beloofden nam hij, steeds nog met voorgewende aarzeling, in de koninklijke koets plaats. De ongelukkige bruidegom werd op een paard bij de trosknechten gezet, men bond een doek om zijn horens en zijn baard werd onder een grote sjaal verborgen. Hij moest zweren in de residentie ook in de eenvoudige herbergen bij de trosknechten te blijven en zich in geen geval in het paleis te laten zien. Nadat alles tot in de kleinste details was besproken en alle voorbereidingen getroffen waren, zette de stoet zich weer in beweging. De koning wachtte voor de stadspoort met een groot gevolg zijn schoonzoon reeds op. De hele stad was op de been en allen prezen het prachtige figuur en de innemende persoonlijkheid van de bruidegom. De hovelingen en de vele familieleden van de koning waren verrukt over de vele geschenken, die de koningszoon had meegebracht en die hij onder allen verdeelde. De koning zelf maakte zich echter ernstige zorgen. In geen geval mocht de bruidegom iets ter ore komen over de geruchtmakende geschiedenis van zijn dochter in het luchtslot. Vooral de als roddelaarsters bekend staande tantes en de loslippige bedienden mochten niet in de buurt van de bruidegom komen. De koning had een listig plan bedacht: er zou een geweldig huwelijksfeest worden gearrangeerd. De roddelaars moesten in de buitenste vleugels worden ondergebracht, waar zij een aantal dranken vonden, waarvan zij vier dagen lang zoveel mochten nemen als ze wilden. De jongere edellieden werden voor het eigenlijke feest uitgenodigd in de binnenste ruimten en moesten het bruidspaar omgeven en onderhouden. De koning hoopte dat in de verwarring en de drukte van de feestelijkheden de bruidegom en zijn gevolg noch tijd noch zin zouden hebben in gesprekken over de deugd van de prinses. De prinses zelf had de feestelijkheden met angstig hart tegemoet gezien. Haar hart behoorde slechts één toe en van hem was zij nu door de hardvochtigheid van haar vader gescheiden.

Ze wilde met niemand praten. Toen het bruiloftsgezelschap de weg naar het paleis insloeg, zat ze stilletjes te huilen en verborg haar gezicht achter een sluier.

Kon men in het begin haar teruggetrokkenheid nog toeschrijven aan verlegenheid, de koning maakte zich grote zorgen toen zij ook op de derde dag haar bruidegom nog geen blik had waardig gekeurd. Op de vierde dag vroeg hij daarom een hofdame, die zijn vertrouwen genoot, om raad, die er op onopvallende manier achter moest zien te komen hoe de stemming onder de bruidegom en zijn gevolg was.

Voor de avond van de vierde dag was een groot banket voorbereid, waarbij de bruidegom voor de eerste maal in een onbewaakt ogenblik de prinses zou mogen naderen en haar snel zou kunnen toefluisteren wie hij was. De prinses tilde haar sluier op en keek hem in het gelaat. Ze stootte een kleine, bijna geluidloze kreet van verrassing uit. Was dit een droom? Haar geliefde hier als bruidegom, door haar vader hierheen gehaald! Was zoiets mogelijk?

De prins fluisterde haar snel in het oor: "Geen woord! Laat niets merken, geen mens mag weten wie ik ben, niemand mag weten dat ik het was die je in het luchtslot bezocht." En met grote omzichtigheid vertelde hij haar fluisterend wat hij intussen beleefd had en hoe hij in het paleis gekomen was.

De prinses, die een verstandig meisje was, droogde snel haar tranen en gedroeg zich precies zoals het bruiloftsgezelschap van haar als bruid verwachtte. Ze was vrolijk en spraakzaam en danste met haar bruidegom, tot groot vermaak van de gasten. Nu durfden ze openlijk hun genegenheid te tonen, zij het dan in een merkwaardige rol en met grote waakzaamheid.

Dicht tegen elkaar wervelden zij dansend door de zaal en smeedden ijverig plannen voor de vlucht.

"Vraag van je vader het houten paard terug, voordat wij hiervandaan gaan!" fluisterde de prins haar toe, "hij moet het je teruggeven. Doet hij het niet, dan weiger ik in de koets te stappen! Zonder dat paard zijn we verloren!" De hofdame had zich intussen ongemerkt de hele avond in de nabijheid van het paar opgehouden en verscheen met een triomfantelijk gezicht voor de koning. "Majesteit, het is het gelukkigste paar dat ik ooit gezien heb. Ze schijnen beiden plotseling een hevige liefde voor elkaar opgevat te hebben, ze vormen één hart en één ziel. Onafscheidelijk wervelen ze dicht tegen elkaar aangedrukt door de zaal. De gasten zijn verrukt over de lieflijke bruid en bruidegom."

De vreugde van de koning over deze gang van zaken was onbeschrijflijk.

De terugreis van de koningszoon met zijn bruid naar zijn geboorteland was voor de volgende dag vastgesteld. Voor het paleis waren de hovelingen, de kamerheren, de ruiters en edellieden van het rijk verzameld om afscheid van het paar te nemen en hun gelukwensen voor de lange reis mee te geven. De paarden waren al lang gezadeld, de knechten stonden klaar, en de koets was voorgereden - maar de bruid liet nog steeds op zich wachten.

In het paleis zelf was inmiddels, onopgemerkt door de hoogwaardigheidsbekleders en de meeste bedienden, een hevige woordenwisseling aan de gang tussen vader en dochter. Wenend lag de prinses in de troonzaal aan de voeten van haar vader en vroeg om het houten paard uit de rommelkamer. "Als u het mij niet meegeeft, blijf ik hier!" schreeuwde ze koppig. De vertwijfelde koning, die daarin een kinderachtigheid zag, die haar voor de ogen van alle mensen belachelijk kon maken, vloekte en bedreigde haar. Misschien kwam door dit houten paard ook nog die geschiedenis met het luchtslot aan het licht! Om haar angst aan te jagen, liet hij zelfs de beul bij zich komen. "Zonder het houten paard ga ik hier niet vandaan!" riep zij in het aangezicht van de beulsbijl, "liever laat ik mij het hoofd afslaan."

Voor het paleis liepen inmiddels de hoogwaardigheidsbekleders en hofdames heen en weer en werden langzamerhand ongeduldig. Ze stuurden een afvaardiging naar het paleis om te vragen waarom de prinses zo lang op zich liet wachten; alles was allang in orde gemaakt voor het vertrek. De afvaardiging vond de koning in de troonzaal, zoals hij daar opgewonden en hevig gesticulerend tegen zijn dochter tekeer ging."Vervloekt nog aan toe," jammerde en mopperde hij, "ik weet niet wat er ineens met dat kind aan de hand is. Nu wil ze ineens beslist haar houten paard meenemen."

De edellieden glimlachten toegevend. "De jonge dame hangt nu eenmaal aan haar speelgoed, majesteit. Als ze dat paardje nu graag wil meenemen, moet men haar wens eigenlijk maar vervullen!" Deze woorden kalmeerden de koning. In allerijl liet hij het houten paard uit de rommelkamer halen en nam verzoenend afscheid van zijn dochter. De prinses klom in de koets, zwaaide nog eenmaal en de stoet zette zich met het hele gevolg in beweging.

De prins en de prinses konden gedurende de lange reis nauwelijks een woord met elkaar wisselen. Het personeel verzorgde hen met zo'n ontroerende belangstelling, dat beiden onder deze omstandigheden nog niet aan vluchten durfden te denken. Vele dagen waren ze nu al op weg; het jonge paar kon slechts met verstolen blikken en een paar haastig gefluisterde woorden nu en dan contact met elkaar hebben. Men kwam reeds in de buurt van de residentie. Toen viel de prins een reddende gedachte in. Voorzichtig, om niet te worden gezien door het personeel, trok hij de prinses aan de mouw en fluisterde haar in het oor: "Als we bij het paleis aankomen, stap dan niet dadelijk uit, maar laat je als begroeting zeven schalen vol dukaten aanreiken. Dat geld gooi je dan met een grote boog op de straat! Doe precies wat ik je gezegd heb!"

De bruidsstoet werd met groot gejuich in de stad ontvangen en hield stil voor het paleis. De prinses deed precies wat de prins haar had bevolen. Kletterend sprongen de blanke dukaten over het plaveisel. Als een groep hongerige mussen vielen de hovelingen, de bedienden, ja zelfs de edele ridders er op aan. Het was een schreeuwen en grijpen en bukken en stoten; voor een vlucht had het niet mooier kunnen zijn. Bliksemsnel had de prins zijn geliefde op het houten paard getild, zichzelf in het zadel geworpen en de hoogteschroeven aangedraaid. In een oogwenk zweefden ze al boven de bonte menigte. De prins zag nog hoe achter in de tros een knecht met beide handen naar boven wees en herkende bij het wegvliegen nog de bedrogen koningszoon met zijn omwonden horens. Spoedig echter waren de huizen en de stad verdwenen, en de prins zag weer de landvlakten van zijn vaderland. Toen hij met zijn bruid over de hoofdstad vloog, klonk zijn juichkreet hardop in de lucht; hij draaide langzaam de schroeven vast en landde veilig en ongedeerd op de grote binnenplaats van het vaderlijk paleis. De oude koning was sinds de dag dat de prins met het houten ros verdwenen was, van verlangen en zorg verteerd. Zijn onrust had tenslotte plaats gemaakt voor een diepe verbittering. Was het niet allemaal de schuld van de meubelmaker? Had zijn ros zijn zoon niet ontvoerd? Op koninklijk bevel werd de arme meubelmaker met spijkers aan de bruggenpoort genageld. Drie dagen en nachten hing de ongelukkige daar reeds. De koning stortte vreugdetranen, toen hij zijn zoon weer in de armen sloot.

De prins vertelde allemaal wonderlijke dingen over zijn houten paard. "Nooit zou ik zo veel van de wereld gezien hebben, nooit mijn prinses gevonden," sprak de prins, "zonder het houten paard bungelde ik al lang aan de galg. Waar is de meubelmaker gebleven? Je moet hem koninklijk belonen, lieve vader!"

Vol schaamte en berouw vertelde de koning zijn zoon wat hij de arme meubelmaker had aangedaan. De stakker was bijna doodgebloed, maar hij leefde nog. Onmiddellijk werd hij van de bruggenpoort afgehaald en in het paleis gebracht. De beste artsen van het land zorgden nu voor hem en het gelukte hen de meubelmaker te redden. De prins liet zich het voorrecht niet ontnemen hem eigenhandig te verplegen totdat zijn wonden geheel genezen waren. Met een grote som geld werd de meubelmaker toen beloond en tot opperhofmeubelmaker benoemd.

Nu pas werd de eigenlijke bruiloft gevierd, die vele dagen duurde. Toen de prins na geruime tijd koning werd, leefde hij met zijn koningin nog vele jaren, en alle mensen vertelden hun kinderen over de avontuurlijke bruiloftsvaart van hun koning met het houten paard.


*   *   *

Het houten paard Samenvatting
Een Oeigoerisch (Chinese islam) sprookje over een hemelvoertuig. Een prins gaat met een vliegend houten paard de wereld in. Hij ontmoet een mooie prinses en wordt verliefd op haar. Zijn liefde moet veel obstakels overwinnen voordat hij en de prinses samen kunnen zijn. Lees het verhaal

Toelichting
De Oeigoeren zijn aanhangers van de Chinese islam en hebben daardoor wat van de Arabische cultuurtradities meegekregen. Dit verhaal ontpopt zich als de Oeigoerische versie van de geschiedenis van het houten paard, waarover Sheherezade in veertien nachten aan haar heer vertelt - in 'duizend-en-één-nacht'. Kenmerkend is de breedsprakige Arabische verteltrant.

De kern van het verhaal zal wel van Indiase oorsprong zijn. In de 'Oceaan der sprookjesstroom' van de Kasjmierse dichter Somadeva uit de elfde eeuw na Christus komt al zo'n hemelvoertuig voor, weliswaar niet als houten paard, maar als stevig gebouwde wagen.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Chinese volkssprookjes" uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1990. ISBN: 90-6120-8343

Herkomst: China
Verteltijd: ca. 74 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook