Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:

Het zondagskind Een sprookje van Godfried Bomans

Er leefden eens een vader en een moeder en die hadden zes kinderen. Elk kind was op een andere dag van de week geboren. Het oudste kind heette Maandag en het jongste Zaterdag. En de rest heette naar de dagen ertussenin.

Maar een zondagskind was er niet bij en dat wilden die vader en moeder nu juist zo graag hebben. Ze waren wel blij met de zes, die ze hadden, maar ze waren nog meer bedroefd om het ene kind, dat ze misten. Ze liepen verdrietig door het huis en keken telkens naar het lege stoeltje, dat ze hadden klaargezet. En elke dag als ze gingen eten, zetten ze de wieg aan tafel, want je wist het maar nooit.

Dit hoorde de oude grootmoeder. Het was maar een klein mensje, met een geplooid mutsje, een piepstem en een bult. Ook was haar rechterbeen wat korter, ofschoon zij zelf volhield dat alleen haar linkerbeen wat langer was.

Maar zij kon toveren. Vroeger toverde zij de hele dag, maar nu deed zij het alleen 's avonds na tafel en was dan erg moe. "Kalm aan, vrouwtje," had de dokter gezegd, "alleen de kleine kunstjes, dan redden we het wel." Maar ze kon het niet laten en deed de grote ook.

Gelukkig maar, want anders was het zondagskind nooit gekomen. Dat zullen wij nu zien.

Op zekere dag kwam de oude grootmoeder voor een weekje logeren. Dat gebeurde elk jaar en nu was het weer zover. Ze klauterde de trap op naar haar kamertje onder de dakpannen en ging meteen in een dik boek zitten lezen.

"Bemoei je maar niet met me," zei ze met haar piepstem, "ik heb mijn boterhammetjes bij me. En als de week om is, dan kom ik vanzelf naar beneden."

Ze sliep niet, ze dronk niet en ze toverde niet, maar las aan één stuk door, de hele week lang. Elke dag kwam een van de zes kinderen, dat op die dag geboren was, naar boven met een kopje thee, maar ze raakte de kopjes niet aan en zei: "Zet het maar neer bij de andere kopjes." En toen het zondag geworden was, stonden er zes kopjes op een rij en toen kwam ze naar beneden.

"'t Heeft wel lang geduurd," piepte ze, "maar het waren ook zulke kleine lettertjes en het stond helemaal achterin. Maar nu weet ik het dan ook. Luister, moedertje, ik zal het je zeggen. Je moet negen maanden lang naar zonnebloemen kijken. Als je dat maar flink volhoudt, dan komt het kind er, zo vast als 'n huis!"

En ze klom op haar bezemsteel, wuifde in het rond en vloog opgewekt het raam uit.

De vader vond het eigenlijk mallepraat, maar omdat het zaad van zonnebloemen maar een kwartje per doosje kost, dacht hij: "Baat het niet, dan schaadt het niet" en kocht voor een kwartje zonnebloem. En hij zaaide het in de tuin en plantte het in de bloempotten, die op de piano stonden. En hij vulde zelfs de wastafels van de slaapkamers met aarde en stopte er pitten van zonnebloemen in. Want hoe meer hij erover nadacht, hoe meer hij vond dat er toch wel iets in zat. En aan zich wassen had hij bovendien een hekel.

De zonnebloemen kwamen prachtig uit. Het eerst op de piano, toen in de wastafel en eindelijk ook in de tuin. Ze wiegden hun grote gouden harten in de zon en de moeder keek er de hele dag naar en voelde zich vol verwachting.

En het gebeurde, zoals de oude grootmoeder voorspeld had. Toen ze na negen maanden op een ochtend aan tafel gingen, lag het zondagskind in de wieg. Het was juist een zondagmorgen. En je kon duidelijk zien dat het een zondagskind was, want het had vuurrood haar en zomer sproeten. En het was zo zonnig van aard, dat de vader meteen beschuiten met oranje muisjes op tafel zette en zich helemaal waste, voor het eerst na negen maanden. Ook plukte hij een grote bos zonnebloemen en wandelde naar het huisje van de oude grootmoeder om haar nog eens extra te bedanken.

Maar de grootmoeder zat heel sip in haar leunstoel te kijken.

"Jan, Jan," piepte ze bedrukt, "we hebben een grote fout gemaakt. We hadden nog even door moeten lezen."

Ze schoof hem het boek over tafel toe en wees met haar vinger op de laatste bladzijde.

De vader schrok. Want dit las hij:

"En hier eindigt dan ons boekske. En wij herhalen nog eens dringend: mensen, mensen, pas toch op, want dit soort zondagskinderen heeft één nadeel: ze worden verschrikkelijk groot. Dus weet waar je aan begint. Einde. Nadruk verboden."

De vader holde terug om te kijken of het waar was. En ja hoor, het was zo.

Het kind woog wel twaalf pond en viel al bijna de wieg uit. Het was hem in 't begin niet opgevallen, maar nu zag hij het duidelijk. En het was bovendien zo sterk, dat het zijn rammelaar dwars door de ruiten naar buiten gooide. En daar bleef het niet bij.

Na een jaar was het kind zo kolossaal, dat het in vaders stoel aan tafel moest zitten en nergens aan mocht komen, want het brak alles in tweeën. En na twee jaar dorst niemand meer met het zondagskind te spelen, zo sterk was het geworden. De vader hield het nog 't langste vol, maar toen hij twee keer zijn arm gebroken had, ging hij 's zondags uit wandelen en keek even door het raam, vóór hij weer naar binnen ging.

En toen de jongen vier jaar geworden was, droeg hij zijn moeder op zijn arm, als zij hem 's ochtends naar de bewaarschool bracht. En na weer een jaar hoepelde hij met een wagenwiel en knikkerde hij met kegelballen. En toen hij een keer een vlieger opliet, verduisterde de zon aan de hemel, zo groot was die vlieger. Dit was ook de enige keer dat men het kind zag schreien. Want het was dol op de zon en wilde het licht geen ogenblik missen. De jongen kon er ook recht in kijken, uur na uur, zonder met de ogen te knipperen en dat deed niemand hem na.

En het zondagskind groeide en groeide maar. Op school stak hij al met zijn hoofd boven het dak en de juffrouw moest er met een laddertje bij om hem zijn les te overhoren.

Als hij ging eten, stonden er buiten twee vrachtwagens, één voor zijn boterhammen en één voor wat erop moest, zo geweldig kon die jongen eten. Hij moest het circus op zijn knieën in en toen hij een keer te vroeg opstond, omdat hij dacht dat de voorstelling al was afgelopen, hing het tentzeil als een rokje om hem heen.

Maar het ergste moest nog komen. Want toen hij achttien jaar geworden was, wou geen meisje hem hebben, ze verstonden niet wat hij zei. Zijn hoofd stak boven de wolken en ze hoorden alleen een ver geruis hoog in de hemel, alsof er een onweer begon, terwijl hij het toch lief bedoelde.

Toen begreep het zondagskind dat hij te veel op deze wereld was. Hij waadde door de zee en kwam aan een hoge berg. En hij stapte op die berg en wachtte, tot de zon voorbijkwam. Toen strekte hij zijn armen omhoog, spande zijn spieren en deed een geweldige sprong. Zo kwam hij midden op de zon terecht.

Daar groeit zacht, groen gras, waarvan elke halm wel zo hoog is als tien huizen op elkaar en daartussen bloeien de zonnebloemen. Die heten daar geen zonnebloemen, maar boterbloemen: want de mensen zijn ginds veel groter dan hier en vinden dat maar kleine bloemen. En ze vonden ook het zondagskind helemaal niet groot, maar juist zoals hij wezen moest. En daarom trouwde hij ook met de dochter van de onderwijzer, die daar een zondagsschooltje hield en door de week niets om handen had. En het zondagskind nam al spoedig dat schooltje over en gaf er 's zondags les. En op alle andere dagen lag hij heerlijk met zijn vrouw in het lange, gele hooi en dacht aan zijn doordeweekse broertjes, die het zoveel moeilijker hadden dan hij.

Dan sprong hij op, pakte zijn vrouw om haar middel en zong:
"Hoera, ik ben een zondagskind
en word ook door de week bemind.
Enkel 's zondags gaat de bel,
door de week dan geloof ik 't wel.
Meisjelief, wat is het fijn
om een zondagskind te zijn."
En iedereen op de zon vond die woorden zo voor de hand liggend en toch ook weer zo diepzinnig, dat ze op muziek werden gezet en ijverig ingestudeerd.

En als je op een zomerse dag in de zon zit, terwijl het bladstil is en zelfs de mussen zwijgen, dan moet je eens goed luisteren. Dan hoor je héél in de verte dat liedje zingen, als je je hand aan je oor houdt en geen vin verroert. En kun je zingen, zing dan mee.


*   *   *

Het zondagskind Samenvatting
Een sprookje van Godfried Bomans.

Toelichting
Oorspronkelijk verschenen in "Groot sprookjesboek" uitgegeven door Elsevier, Amsterdam.

Een zondagskind is letterlijk een persoon die op een zondag is geboren. In figuurlijke zin is een zondagskind een geluksvogel, iemand die veel geluk heeft in het leven.

Vroeger geloofde men dat een zondagskind geesten kon zien en de toekomst kon voorspellen. Mogelijk is het begrip Zondagskind een verchristelijking van het heidens-germaanse begrip Donnertagskind - een kind onder de bescherming van Thor.

Meer verhalen over zondagskinderen via het Meertens Instituut ⇒

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"De feesten van het jaar, een verhalenboek over feesten en seizoenen" door An Kesseler-van der Klauw. Gottmer, Haarlem, 1982. ISBN: 90-257-1575-3

Herkomst: Nederland
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 7 jaar

Lees ook