Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:




Kaatje Kraaknoot Een Engels sprookje over een meisje dat haar stiefzusje en een prins verlost

Heel, heel lang geleden leefden in Engeland eens een koning en een koningin. De eerste vrouw van de koning had hem een dochter geschonken, die Anna heette. Maar de vrouw was gestorven. En de nieuwe koningin had ook een dochter meegebracht. Kaatje heette zij.

Anna was verreweg de mooiste van de beide meisjes, maar toch hielden ze heel veel van elkaar en ze deelden vreugde en leed als echte zusjes.

Kaatje KraaknootDe koningin kon het niet verdragen dat de dochter van haar echtgenoot zoveel mooier en liefelijker was om te zien dan haar eigen dochter. Dag en nacht overlegde ze bij zichzelf hoe ze daar iets aan kon doen. Tenslotte ging ze naar de oude hoendervrouw die in het ravijn woonde; want hoendervrouwen, moet je weten, waren bekend om hun toverkunst. En ze vroeg haar om raad.

"Eens even kijken hoe we dat kunnen aanpakken," zei het oudje. "Stuur het meisje morgenvroeg maar naar mij toe, maar let goed op dat ze dan nog niets heeft gegeten."

De volgende morgen in alle vroegte riep de koningin haar stiefdochter bij zich. "Ach liefje," zei ze, "ga toch snel naar de hoendervrouw in het ravijn en vraag haar om een paar eieren voor het ontbijt!"

Anna ging op weg, maar zij zag in de keuken nog een broodkorst op tafel liggen. Die nam ze mee en ze kauwde hem onderweg op. Zij kwam bij het huis van de hoendervrouw, trad binnen en vroeg om eieren, zoals de koningin haar had opgedragen. "Kom toch binnen in de keuken, m'n kind," zei de hoendervrouw. "Ga maar naar het fornuis en licht het deksel even van de pan en kijk er eens in." Het meisje lichtte het deksel even van de pan, keek erin en - er gebeurde niets. "Ga maar weer naar huis, meisje, en zeg tegen je moeder dat ze de deur van de provisiekast beter dicht moet doen."

Anna liep terug naar het kasteel, gaf de eieren aan haar stiefmoeder en vertelde haar, wat de hoendervrouw haar had gezegd.

Nu wist de jaloerse koningin dat het meisje iets te eten had gevonden. De volgende morgen vroeg ze Anna weer om eieren bij de hoendervrouw te gaan halen. Maar deze keer ging de koningin zelf voor de keukendeur staan en Anna verliet het huis zonder eten. Onderweg kwam ze een paar boeren tegen. Ze groette hen, want ze was een vriendelijk meisje, en ze praatte wat met hen over het weer en andere dingen. De boeren hadden die ochtend al heel vroeg een mand vol erwten geplukt, en daarvan gaven ze Anna een handvol. Op weg naar het ravijn at Anna de erwten op. Ze kwam bij het huis van de hoendervrouw, vroeg om eieren en moest van de oude vrouw het deksel van de pan op het fornuis weer even optillen. Ze vond het nu wel een beetje vreemd dat ze dat weer moest doen - maar ze deed het toch, en weer gebeurde er niets.

Toen zei de hoendervrouw: "Doe je moeder de groeten en zeg dat de pan niet kan koken als er geen vuur is!"

Anna ging naar huis, gaf de eieren aan haar stiefmoeder en bracht haar de wonderlijke boodschap van de hoendervrouw over. De derde dag echter ging de koningin zelf met Anna mee naar de hoendervrouw in het ravijn. Ze gingen het huis binnen, Anna moest weer het deksel van de pan oplichten en nauwelijks had ze dat gedaan of haar hoofd viel eraf, en in plaats daarvan zat er een schaapskop op haar schouders. Nu was de koningin tevreden.

Kaatje echter, haar eigen dochter, werd treurig en boos toen ze haar misvormde zusje zag. Ze nam een fijne linnen doek, wikkelde die om het arme hoofd van haar zuster, nam haar bij de hand en trok met haar de wijde wereld in zonder van iemand afscheid te nemen.

Ze liepen en liepen en liepen, tot ze aan het naburige koninkrijk kwamen. Kaatje ging naar het paleis, klopte aan de poort en vroeg om een rustplaats voor de nacht voor haarzelf en haar zieke zuster. Zij werden binnengelaten en kregen te eten en te drinken. Kaatje kon werk in de keuken krijgen als keukenmeisje en kreeg voor haar zusje een kamertje onder het dak.

In het paleis heerste echter groot verdriet. "Onze koning heeft twee zoons," vertelden de mensen in de keuken aan Kaatje. "Een van beide prinsen is doodziek, en niemand kan hem helpen, want geen mens weet wat voor ziekte hij heeft. En steeds als er 's nachts iemand bij hem waakt is hij de volgende morgen verdwenen. Het gaat met de prins echter van dag tot dag slechter, en de dokters weten niet wat zij moeten doen."

De koning had een kwart schepel zilver beloofd aan iedereen, die bij zijn zoon wilde waken. En Kaatje, moedig als ze was, verklaarde zich meteen daartoe bereid.

Het werd avond en Kaatje ging bij het bed van de zieke prins zitten. Tot middernacht gebeurde er niets. Maar nauwelijks had de torenklok twaalf uur geslagen, of de prins stapte koortsachtig zijn bed uit, trok zijn kleren aan en snelde de trap af. Kaatje liep achter hem aan, en de prins scheen daar niets van te merken. Hij ging naar de stal, zadelde zijn paard, riep zijn hond, en sprong in het zadel.

Snel en lenig als een kat sprong Kaatje achter hem op het paard. Hop! Daar draafde de prins er op zijn paard vandoor alsof hij nooit bleek en ziek in zijn bed had gelegen en Kaatje hield zich aan het zadel vast.

Zij galoppeerden door het slotpark en onder de poort door naar buiten. Daarna ging het door vele straten en door het bos. Toen ze langs een rij hazelaars kwamen, plukte Kaatje in het voorbijgaan snel wat hazelnoten en deed ze in haar schort.

Zij reden verder tot ze bij een groene heuvel kwamen. De prins trok de teugels aan, hield stil en riep: "Doe open, doe open, groene heuvel, laat de koningszoon binnen met zijn paard en zijn hond!"

"En met zijn dame!" riep Kaatje er snel achteraan.

Daar ging een deur in de heuvel open en zij gingen naar binnen. De prins betrad een prachtige zaal, die met vele kaarsen feestelijk was verlicht en voegde zich bij het Kleine Volkje, dat daar danste, dronk en muziek maakte.

Kaatje had zich meteen achter een deur verborgen die op een kiertje stond, Zonder dat iemand het merkte keek ze naar het wilde gedoe. De kleine mannetjes en vrouwtjes met bleke gezichtjes en gloeiende ogen, waren gekleed in varenbladeren, mos en groene lappen. Ze namen de prins in hun midden en hij danste met hen mee. Hij danste en danste en danste tot hij halfdood op een bank neerviel. Kleine vrouwtjes, zo mooi als het maanlicht, snelden op hem af, waaierden hem koelte toe en dwongen hem om verder te dansen. Bij het eerste hanengekraai haastte de prins zich naar zijn hond en zijn paard. Kaatje sprong achter hem in het zadel en reed met hem naar huis terug.

Toen de ochtendzon door de vensters van de slaapkamer scheen kwamen de mensen kijken, en vonden Kaatje die bij het haardvuur zat en hazelnoten kraakte.

"De prins heeft een vrolijke nacht gehad," zei ze, "en voor een kwart schepel goud zal ik vannacht weer bij hem waken."

Dat gebeurde. En toen het middernacht sloeg, stapte de prins weer als een slaapwandelaar zijn bed uit en Kaatje volgde hem. Hij zadelde zijn paard, riep zijn hond en sprong in het zadel. En Kaatje sprong achter hem op het paard. Ze kwamen langs de hazelaars en Kaatje plukte snel een handvol hazelnoten en deed die in haar schort. Toen de prins weer de feestzaal was binnengegaan en Kaatje zich achter de deur had verborgen, keek zij verder niet naar hem, want ze wist dat hij almaar zou dansen. Zij richtte al haar aandacht op het Kleine Volkje en ze zag tussen de wild dansende wezens een klein dwergenkind, dat met een zilveren toverstaf speelde.

Een van de dansers riep naar het kleintje: "Let goed op de staf en verlies hem niet, want als Kaatjes zieke zusje daarmee wordt aangeraakt, zou zij haar schoonheid weer terugkrijgen!"

Kaatje had die woorden gehoord. Nu rolde ze de ene noot na de andere voor de voeten van het kleintje, steeds wat dichter bij de deur. Het kind liet de toverstaf vallen om de noten op te rapen en Kaatje pakte ongemerkt de staf en verstopte die onder haar schort.

Bij het eerste hanengekraai haastte de prins zich naar zijn hond en zijn paard. Kaatje sprong achter hem in het zadel en zo reden ze naar huis terug.

Daar ging zij snel naar het kamertje onder het dak en raakte haar zusje aan met de zilveren staf. Toen viel de schaapskop van haar af en daaronder kwam Anna's mooie meisjesgezicht weer te voorschijn! Zij zag er mooier en lieflijker uit dan ooit.

Kaatje beloofde ook de derde nacht de wacht te houden, maar dan wilde ze met de prins trouwen, want hij beviel haar goed.

Om middernacht stond de prins weer op. Hij zadelde zijn paard, riep zijn hond en sprong in het zadel. En met één sprong zat Kaatje weer achter hem op het paard. Weer plukte zij onderweg een handvol hazelnoten en deed die in haar schort.

Toen de prins in de feestzaal danste en Kaatje zich achter de deur had verborgen, zag zij dat het dwergenkind deze keer met een kleine dode vogel speelde.

"Pas toch op," zei een van de dansende dwergen, "verlies de vogel niet! Als de zieke prins er drie happen van eet, dan wordt hij weer helemaal gezond!"

Kaatje hoorde wat er werd gezegd, en haar hart klopte luid van vreugde. Ze liet de noten nog sneller rollen en het dwergenkind kwam dichterbij, liep ze na en pakte ze op. Daarbij liet ze het vogeltje vallen en Kaatje raapte het diertje ongemerkt op en deed het in haar schort.

Bij het eerste hanengekraai haastte de prins zich naar zijn hond en zijn paard. Kaatje sprong achter hem in het zadel en zo reden ze naar huis terug.

Dodelijk vermoeid zonk de prins op zijn bed neer. Maar Kaatje ging bij het haardvuur zitten en plukte de vogel. Ze roosterde hem boven het vuur, en al spoedig vulde een heerlijke geur het vertrek.

"O," fluisterde de prins, "wat zou ik graag iets van die vogel eten."

Kaatje gaf hem een stukje en de prins at het op. Toen richtte hij zich wat op en leunde op zijn elleboog.

"O," riep de prins na een poosje weer, en zijn stem klonk al wat krachtiger, "kreeg ik nog maar zo'n stukje."

Kaatje gaf hem voor de tweede keer te eten, en de prins ging rechtop zitten.

"O," riep hij nog eens, "had ik nog maar een stukje van de vogel!"

Kaatje gaf hem de rest van de vogel te eten, en de prins stond op. Hij was gezond en sterk, fris en vrolijk. Hij kleedde zich aan en ging naast Kaatje bij het vuur zitten.

Toen de mensen de kamer binnenkwamen, zagen ze Kaatje en de prins bij het vuur zitten en noten kraken. Intussen had de tweede prins Anna aan het venster zien staan en was meteen van haar gaan houden. Zo trouwden ze tenslotte alle vier: Kaatje Kraaknoot met haar verloste prins en zijn broer met de verloste Anna.
En ze leefden samen gelukkig
En ze stierven samen gelukkig
En nooit dronken ze uit lege bekers.


*   *   *

Kaatje Kraaknoot Samenvatting
Een Engels sprookje over een meisje dat haar stiefzusje en een prins verlost. Een boze stiefmoeder laat het hoofd van haar stiefdochter betoveren in een schapenkop. Haar liefhebbende stiefzuster probeert haar van haar betovering af te helpen. Lees het verhaal

Trefwoorden

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel

Bron
"Kaboutersprookjes" vert. en samengesteld door Els Boekelaar en Ineke Verschuren. Uitgeverij Christofoor, Zeist, 1985. ISBN: 90-6238-209-6

Herkomst: Groot-Brittannië
Verteltijd: ca. 17 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook