TOELICHTING:Dit verhaal wordt met varianten in vele landen verteld. Soms zit er een wolf in het huisje i.p.v. een heks.
Het huisje uit brood... Bethlehem betekent ook broodhuis.
Het sprookje heeft een zeer sterke structuur: het verhaal eindigt op de plaats waar het begint, er zijn twee soorten vuur, twee huisjes spelen een rol, er zijn twee boze vrouwen en twee witte vogels, Hans vindt twee soorten stenen, twee maal gaan de kinderen op weg, de eerste maal is het Hans die de situatie redt, de tweede maal Grietje.
Dit sprookje vertoont inhoudelijk sterke overeenkomsten met
Klein Duimpje en de reus van Perrault en 'Janmantje in het papieren huis'.
Een notitie bij de aantekeningen van Grimm maakt al duidelijk dat ze zelf ook het verband zagen tussen Duimpje en dit sprookje: "Het sprookje van petit poucet wordt ook in Duitsland in allerlei afwijkende versies verteld. Het gaat om 6 kinderen, Duimpje is het zevende. Als ze in het bos bij de menseneter zijn, moeten ze zijn haar kappen. Duimpje springt altijd in zijn haar en trekt eraan. Dan komt de verwisseling van de zeven kronen met de zeven rode mutsen. In de mijlslaarzen doet Duimpje alle goudbeurzen en kostbaarheden uit het huis."
Wilhelm Grimm heeft in de loop van de volgende drukken er al zijn verteltalent aan gewijd en het daardoor een afgeronde vorm gegeven; hij heeft er echter ook eigen bedenksels aan toegevoegd, zoals de eend, die de kinderen op zijn rug meeneemt. Jacob Grimm noemt verder in zijn aantekeningen de landen waarin dit sprookje wordt verteld: de Elzas, Denemarken, Zweden, Hongarije, Albanië, Servië, Italië, Frankrijk. Het is ook tot in Azië en Afrika doorgedrongen. Zie o.a.
Ninnillo en Nennella uit de Pentamerone.
"Hans en Grietje" is een van de Efteling-sprookjes.
De Ölenbergse handschrift versie van dit sprookje (zie hieronder) is misschien aan de Grimms verteld door iemand van de familie Wild uit Hessen. In 1813 werden er nog enkele details uit een bijdrage van Dortchen Wild aan toegevoegd. De ondertitel "Hansje en Grietje" werd erbij geplaatst door Jacob en het is deze titel die later zal overgenomen worden.
Het broertje en het zusjeEr was eens een arme houthakker, die woonde aan de rand van een groot bos. Het ging hem zo vreselijk slecht dat hij nauwelijks zijn vrouw en zijn twee kinderen te eten kon geven. Op een keer had hij ook geen brood meer en hij zat in grote angst. Toen zei zijn vrouw 's avonds in bed tegen hem: "Neem de kinderen morgenochtend allebei mee en breng ze naar het grote bos, geef hun de rest van het brood en maak een groot vuur aan voor hen en ga daarna weg en laat ze alleen." De man wou lange tijd niet, maar de vrouw liet hem niet met rust, tot hij uiteindelijk toestemde.
Maar de kinderen hadden alles gehoord wat de moeder gezegd had. Het zusje begon heel erg te huilen, het broertje zei haar dat ze stil moest zijn en troostte haar. Dan stond hij stilletjes op en ging buiten voor de deur. De maan scheen en de witte kiezelstenen glinsterden voor het huis. De knaap raapte ze zorgvuldig op en stopte ze in zijn jaszakje, zoveel als hij er maar kon in krijgen. Daarna ging hij weer naar bed bij zijn zusje, en viel in slaap.
's Morgens vroeg, eer de zon opgegaan was, kwamen de vader en de moeder en ze wekten de kinderen, die mee naar het grote bos moesten. Ze gaven elk een stukje brood. Die stak het zusje onder haar schortje, want het broertje had zijn zak vol met de kiezelstenen. Daarop vertrokken ze, op weg naar het grote bos. Terwijl ze nu zo gingen, bleef het broertje dikwijls stilstaan, en keek om naar hun huisje. De vader zei: "Waarom blijf je toch altijd staan en kijk je om?" - "Ach," antwoordde het broertje, "ik kijk naar mijn wit poesje. Het zit op het dak en wil me vaarwel zeggen." Maar in het geheim liet hij altijd één van de witte kiezelsteentjes vallen. De moeder zei: "Ga maar verder, het is je poesje niet, het is het morgenrood, dat op de schoorsteen schijnt." Maar de knaap keek toch nog altijd om, en altijd liet hij een steentje vallen.
Zo gingen ze lange tijd en eindelijk kwamen ze midden in het grote bos. Daar maakte de vader een groot vuur aan, en de moeder zei: "Slaap ondertussen, kinderen. Wij willen in het bos hout gaan zoeken, wacht tot wij terugkomen." De kinderen gingen bij het vuur zitten, en elk at zijn stukje brood. Ze wachten lang, tot het nacht werd, maar de ouders kwamen niet terug. Toen begon het zusje erg te huilen, maar het broertje troostte haar en nam haar bij de hand. De maan scheen, en de witte kiezelsteentjes glinsterden en wezen hun de weg. En het broertje leidde het zusje de hele nacht door, en 's morgens kwamen ze weer aan het huis. De vader was heel blij, want hij had het niet graag gedaan, maar de moeder was boos.
Niet lang daarna hadden ze weer geen brood en het broertje hoorde 's avonds in bed weer hoe de moeder tot de vader zei, dat hij de kinderen moest wegbrengen naar het grote bos. Daarop begon het zusje weer erg te huilen, en het broertje stond weer op en wou steentjes gaan zoeken. Maar toen het aan de deur kwam, had de moeder ze op slot gedaan. Toen werd ook het broertje droevig en hij kon het zusje niet troosten.
Voor dag en dauw stonden ze weer op, elk kreeg weer een stukje brood. Terwijl ze op weg waren, kijkt het broertje nog vaak om. De vader zei: "Mijn kind, waarom blijf je toch altijd staan, en kijk je om naar het huisje?" - "Ach," antwoordde het broertje, "ik kijk naar mijn duifje, het zit op het dak en wil me vaarwel zeggen." Maar in het geheim verkruimelde hij zijn stukje brood, en liet altijd een kruimeltje vallen. De moeder zei: "Ga maar verder, het is je duifje niet, het is het morgenrood, dat op de schoorsteen schijnt" Maar het broertje keek nog steeds om, en elke keer liet het een kruimeltje vallen.
Toen ze midden in het grote bos gekomen waren, maakte de vader weer een groot vuur aan, de moeder sprak weer dezelfde woorden, en beiden gingen weg. Het zusje gaf haar broertje de helft van haar stukje brood, want het broertje had het zijne op de weg geworpen. Ze wachtten tot 's avonds, toen wou het broertje het zusje weer naar huis leiden in de maneschijn. Maar de vogeltjes hadden de broodkruimeltjes opgegeten en ze konden de weg niet vinden. Ze gingen altijd maar verder, en verdwaalden in het grote bos. De derde dag kwamen ze aan een huisje: dat was uit brood gemaakt, het dak was met taart bedekt en de ramen waren van suiker. De kinderen waren dolblij toen ze dat zagen en het broertje at van het dak en het zusje van het raam. Terwijl ze daar zo stonden en het zich goed Heten smaken, riep opeens een fijne stem van binnen:
"Knabbel, knabbel, knuisje!
Wie knabbelt er aan mijn huisje?"
De kinderen waren erg geschrokken. Even later kwam een kleine oude vrouw buiten. Die nam de kinderen vriendelijk bij de hand; nam hen mee binnen in het huis, en gaf hun lekker eten, en legde hen in een mooi bed. Maar de volgende ochtend stopte ze het broertje in een stalletje. Hij moest nu een varkentje zijn, en het zusje moest hem water brengen en lekker eten. Elke dag ging ze er naar toe. Dan moest het broertje zijn vinger buitensteken, en ze voelde dan of hij al gauw vet zou zijn. Maar in de plaats van zijn vinger stak hij altijd een beentje buiten. Dan dacht ze, dat hij nog niet vet Was en het langer duurde. Het zusje gaf ze niets te eten behalve kreeftenschalen, omdat ze niet vet mocht worden. Na vier weken zei ze op een avond tegen het zusje: "Ga water halen, en maak het morgenochtend warm, we gaan je broertje slachten en koken, ik zal ondertussen het deeg klaarmaken, zodat we ook nog kunnen bakken." De volgende morgen, toen het water heet was, riep ze het zusje bij de bakoven en zei tot haar: "Ga op de plank zitten, ik zal je in de oven schuiven, kijk of het brood haast klaar is." Maar ze wou het zusje erin laten om het te bakken. Het zusje merkt het en zei tot haar: "Dat versta ik niet, ga jij er eerst op zitten, ik zal je erin schuiven." De oude ging erop zitten, en het zusje schoof ze erin, deed de deur dicht en de heks verbrandde. Daarna ging het zusje naar het broertje en verloste hem uit zijn stalletje. Overal in het huisje vonden ze edelstenen. Daarmee vulden ze al hun zakken en ze brachten ze naar hun vader, die werd een rijk man. Maar de moeder was gestorven.
Dit is ook een Efteling sprookje: een sprookje of verhaal dat wordt uitgebeeld in het attractiepark De Efteling in Kaatsheuvel. Sommige sprookjes zijn uitgebeeld in het sprookjesbos. Anderen hebben elders in het park een plek in een wat bescheidener vorm.
De tekst van de sprookjes/verhalen op de
Volksverhalen Almanak zijn de oorspronkelijke teksten. In de Efteling en in diverse tekst- en audioweergaves van de Efteling wordt er vaak gebruik gemaakt van beknoptere versies van het desbetreffende verhaal.