Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:

De gierige vriend van Aldar-Kose Een Kazachs volksverhaal over een slimme schelmenstreek

In het dorp waar Aldar-Kose woonde, kwam op een dag een vreemdeling. Hij maakte kennis met iedereen en werd vrienden met Aldar-Kose. Het was een beste man, maar één ding beviel Aldar niet: hij was buitengewoon gierig.

In die tijd heerste er over de steppe een khan. Deze khan had een dochter, Chansjaim, die zeldzaam mooi was. Iedereen sprak over haar schoonheid. Velen wilden haar natuurlijk zien, al was het maar voor één ogenblik. Maar iedereen die de dochter van de khan wilde zien, moest duizend tenge aan haar vader betalen.

Ook de gierige vriend van Aldar-Kose wilde Chansjaim zien. Maar duizend tenge had hij niet. Daarom zei hij: "Aldar, jij kunt altijd alles. Je kunt er vast wel voor zorgen dat ik het meisje voor niks te zien krijg. Kom, dan gaan we naar het paleis."

Toen ze een tijdje onderweg waren, zei Aldar-Kose: "Kun je me twee tenge lenen? Als we weer in het dorp zijn, geef ik je ze terug." Twee is geen duizend, dacht de gierigaard, maar toch zei hij terwijl hij het geld gaf: "Ik geef je twee tenge, op voorwaarde dat je ze meteen teruggeeft als we weer thuis zijn."

Aldar-Kose hield er niet van te herhalen wat hij al gezegd had. Zwijgend nam hij het geld aan.

Even later kwamen ze een herder tegen met een grote kudde schapen en geiten. Aldar-Kose zei: "Goede man, voor twee tenge koop ik het schrielste bokje van je kudde."

"Goed," zei de herder. Hij haalde het allermagerste, allerkreupelste bokje uit de kudde en joeg het in de richting van Aldar-Kose. Toen zei Aldar: "Zeg, wil je dit bokje en deze twee tenge niet ruilen voor één lammetje?"

De herder dacht: dat is voordelig! Een bokje en twee tenge voor slechts één lammetje!

"Goed!" zei hij. Hij zocht het allerbeste lam uit en gaf het aan Aldar.

"Hoor eens, beste man," zei Aldar, "als jij nou én het bokje én het lam én de twee tenge van mij neemt en mij er één geit voor teruggeeft, is dat geen goede ruil?"

Dat vond de herder zeker. Vandaag was het beslist zijn geluksdag. Hij gaf Aldar-Kose een geit.

Zo wisselden ze nog een paar keer en het eind van het liedje was dat Aldar-Kose eigenaar was van de beste en vetste ram van de kudde. De herder was tevreden. Dat hij zijn beste dier voor twee tenge had verkocht, had hij niet in de gaten.

De reizigers bonden de ram aan een touw en vervolgden hun weg. Tegen de avond kwamen ze bij de vallei waar het paleis van de khan stond. De weg naar het paleis werd gekruist door een rivier. Een brug over de rivier leidde naar de poort van het paleis. Bij de oever groeide een dicht struikgewas. Aldar-Kose en zijn vriend zetten hun tent op bij de brug.

Er ging enige tijd voorbij. Toen verscheen er op het pad een dienstmeisje met een emmer in de hand. Terwijl ze water schepte, kreeg ze de twee vreemdelingen in de gaten.

"Wie zijn jullie?" vroeg het meisje. "En waarom hebben jullie hier een tent opgezet?"

Aldar-Kose antwoordde: "Wij komen uit de hemel. Het is voor het eerst dat we een aards wezen zien. Wie bent u?"

Het dienstmeisje was zo geschrokken dat ze de halfvolle emmer pakte en terug naar het paleis rende. Daar vertelde ze Chansjaim wat ze gezien had. Het maakte de dochter van de khan zo nieuwsgierig dat ze besloot zelf een kijkje te nemen.

"Ik hoor stemmen," zei Aldar-Kose tegen zijn vriend. "Chansjaim komt eraan met haar bedienden. Kijk goed, want je krijgt haar niet nog een keer te zien."

De poort van het paleis zwaaide open en daar verscheen de in goudbrokaat gehulde Chansjaim met haar gevolg. De zonnestralen werden echter zo fel weerkaatst in de edelstenen die haar gewaad sierden, dat ze de gierigaard verblindden en hij het gezicht van het meisje niet kon zien.

Chansjaim wierp een snelle blik naar de vreemdelingen aan de overkant van de rivier en trok zich weer terug in het paleis. Niet lang daarna verscheen het dienstmeisje met de emmer weer. Terwijl ze schepte, keek ze naar de tent en zag hoe de vreemdelingen het vastgebonden schaap met een bijl aan stukken hakten.

"Wat doen jullie?" vroeg het meisje.

"Wij slachten het schaap," antwoordde Aldar-Kose.

Het dienstmeisje rende terug naar het paleis en zei tegen Chansjaim: "Die hemelmensen weten niet hoe ze een schaap moeten slachten! Ze hakken het met een bijl aan mootjes!" Dit klonk de dochter van de khan zo ongeloofwaardig in de oren dat ze besloot het met eigen ogen te aanschouwen. Weer zwaaide de poort open en verscheen de schone Chansjaim aan de overkant van de rivier. Maar ook deze keer kon de gierigaard haar gezicht niet zien door de felle zonnestralen.

"Ga naar hen toe en laat zien hoe het moet!" zei Chansjaim tegen het dienstmeisje.

Het dienstmeisje ging naar de vreemdelingen toe en deed hun voor hoe ze een mes moesten gebruiken. Toen keerde het gezelschap terug naar het paleis.

Maar het duurde niet lang of Chansjaim werd nieuwsgierig naar wat de vreemdelingen nu weer aan het doen waren. Opnieuw stuurde ze het dienstmeisje erop uit. Ze rende naar de rivier en kwam even later weer terug met een vreemd verhaal: "De hemelmensen groeven eerst een kuil en gooiden daar het vlees in. Toen goten ze er water bij en zetten de ketel er ondersteboven overheen. En daarna maakten ze het vuur aan, bovenop de onderkant van de ketel! Die gekken weten niet hoe ze vlees moeten koken!"

"Ik laat ze zelf wel zien hoe het moet," besloot Chansjaim. Ze stak met haar gevolg de rivier over en liep naar de tent.

"Kijk!" zei Aldar-Kose tegen zijn vriend. "Chansjaim komt eraan. Deze keer kun je haar bekijken als je goed oplet."

Chansjaim liep naar het kampvuur en beval haar bedienden het eten klaar te maken zoals het hoorde. Tegen de vreemdelingen zei ze niets.

De bedienden haalden het vlees uit de kuil en spoelden het af in de rivier. Daarna stopten ze het in de ketel en zetten die op het vuur. Deze keer kon de gierigaard het gezicht van het meisje goed bekijken en dat deed hij dan ook onophoudelijk.

Het werd avond. "Ga eens kijken wat de hemelmensen aan het doen zijn!" zei Chansjaim tegen het dienstmeisje. Het meisje deed wat haar was opgedragen. "Ze halen stukjes vlees uit de ketel en duwen die tegen hun wang aan!" vertelde ze haar meesteres toen ze terugkwam. "Die mensen weten niet hoe ze moeten eten!"

Chansjaim riep haar gevolg bijeen en samen vertrokken ze weer naar de tent. Daar liet ze zelf aan de vreemdelingen zien hoe ze het gekookte vlees moesten eten. En weer kon de gierigaard zijn ogen niet van haar af houden.

Chansjaim besloot dat het voor de hemelmensen te koud was om in de tent te overnachten en nodigde hen uit in het paleis. De bedienden bereidden een rijke maaltijd voor de vrienden. Daarna werden ze naar een slaapkamer gebracht waar twee grote zachte bedden stonden.

Na een tijdje stuurde Chansjaim haar dienstmeisje naar de gasten om te kijken of alles hun naar de zin was. Het meisje ging de kamer binnen en zag dat de gasten niet in de bedden lagen, maar ondersteboven met een touw aan het plafond hingen. Ze hadden hun ogen dicht en er klonk gesnurk. "Wat doen jullie?" vroeg het dienstmeisje vol verbazing.

"Slapen," antwoordde Aldar-Kose zonder zijn ogen open te doen. Het meisje bracht verslag uit aan haar meesteres en weer verscheen Chansjaim even later met haar gevolg bij de vrienden. De bedienden maakten de touwen los waaraan de gasten hingen en legden hen in bed.

De hele nacht vertelde Aldar-Kose de wonderlijkste verhalen aan de dochter van de khan. Maar over zichzelf en zijn vriend vertelde hij niets.

De volgende ochtend keerden ze terug naar huis. Ze reden een uur en nog een uur en nog een uur. Ten slotte zei de gierigaard: "Vriend, ons avontuur is voorbij. Nu kun je me de twee tenge teruggeven."

"Goed," antwoordde Aldar-Kose, "als we in het dorp zijn, geef ik je je geld. Je weet dat ik nu niets bij me heb."

Ze kwamen thuis en ieder ging naar zijn eigen joert. Maar elke twee, drie dagen kwam de gierigaard langs bij Aldar-Kose om zijn geld op te eisen.

Op een dag zag Aldar zijn viend eraan komen en ging snel op het kleed liggen. Hij legde een deken over zich heen en zei tegen zijn vrouw: "Mijn vriend komt eraan om zijn twee tenge terug te vragen. Zeg hem dat ik ziek ben!"

De vrouw wachtte de man op bij de ingang van de joert. "Waar is mijn vriend?" vroeg hij.

"Ziek."

De gierigaard vermoedde dat Aldar-Kose maar deed alsof en vroeg met honing in zijn stem: "Wat heeft hij? Mag ik hem eens zien? O, als Allah hem maar in leven laat! Als hij sterft, zal ik mijn goede vriend zelf wassen en begraven."

Hij ging naar binnen en zag een bleke Aldar-Kose met ingevallen ogen. Hij was inderdaad doodziek! De vrek ging bij het hoofdeinde zitten en begon te zuchten en te steunen. Aldar en zijn vrouw begrepen dat hij niet om zijn zieke vriend treurde, maar om de twee tenge die hij nu niet meer zou krijgen. Aldar-Kose strekte zich uit en deed alsof hij zijn laatste adem uitblies.

De vrek begreep dat hij dood was. Hij waste het lichaam, trok het een lijkwade aan en begroef zijn vriend in een diepe kuil. Hij zei: "Nu zal ik rust hebben!"

's Avonds groef de vrouw Aldar-Kose weer op en hielp hem uit het graf klimmen. Ze liepen een stukje door het dorp totdat ze de gierigaard tegenkwamen.

"Hier zijn je twee tenge!" riep Aldar-Kose. Maar de vrek nam het geld niet aan. Toen hij zijn dode vriend hoorde spreken, schrok hij zo dat hij hals over kop wegrende en zich nooit meer in het dorp liet zien.


*   *   *

De gierige vriend van Aldar-Kose Samenvatting
Een Kazachs volksverhaal over een slimme schelmenstreek. De khan vraagt veel geld als mensen zijn mooie dochter willen zien. Een gierigaard vraagt de schelm Aldar-Kose hem te helpen om het meisje voor niks te zien te krijgen. Ze geven zich uit voor hemelmensen en houden er zulke rare gewoontes op na, dat de dochter van de khan hen - uit nieuwsgierigheid - uitnodigt op het paleis. Lees het verhaal

Toelichting
Aldar-Kose is bedrieger van beroep. Hij verdient zijn brood door mensen voor de gek te houden. Niet zomaar alle mensen, vooral de gierige rijkelui zijn de pineut. Want zij kunnen best wat missen, vindt Aldar-Kose. De ene keer troggelt hij hun een paard af, de andere keer geld, en soms zelfs een mooie dochter. 'Aldar' betekent in het Kazachs dan ook 'bedrieger'. Zijn tweede bijnaam 'Kose' (spreek uit 'kossè') betekent 'kin waar geen haar op groeit'. Want al is Aldar-Kose een volwassen man, zijn baard wil maar niet groeien.

De verhalen over Aldar-Kose op de Volksverhalen Almanak:
  • Hoe Aldar-Kose trouwde
  • De gierige vriend van Aldar-Kose
  • Aldar-Kose en de rijke man die boer wilde worden
  • Aldar-Kose en de duiveltjes
  • De wonderjas van Aldar-Kose
  • Hoe Aldar-Kose de rijke man genas
  • Hoe Aldar-Kose de knechten trakteerde op een schaap
  • Aldar-Kose en de vrek


  • Een khan is een oosterse koning. De 'kh' spreek je uit als de 'g' van 'gans'. De bekendste khan uit de geschiedenis is Dzjengis Khan.

    De tenge is de Kazachse munt.

    Een joert is een tent waarin de nomaden wonen. Een joert bestaat altijd uit een ronde opvouwbare wand en een dak van latjes. Daar overheen worden dikke wollen kleden vastgemaakt. Zelfs in de winter is het nog lekker warm in een joert.

    Trefwoorden


    Verhaalsoort

    Bron
    "Sprookjes uit Kazachstan. Oplichters en andere helden" door Els de Roon Hertoge. Koninklijk Instituut voor de Tropen, Amsterdam / Novib, 's Gravenhage, 2000. ISBN: 90-6832-905-7

    Herkomst: Kazachstan
    Verteltijd: ca. 15 min.
    Leeftijd: vanaf 9 jaar

    Lees ook