De kleine arme van Assisi

Tijdens de markt van Assisi mishandelt een koopman zijn ezel. Opeens springt een arme monnik tussenbeiden; het is 'il Poverello' - de kleine arme - oftewel Franciscus van Assisi. Hij laat zien dat dieren met liefde en respect behandelt dienen te worden.
Er was markt in Assisi! Een lange stoet reizigers trok naar het stadje. De meesten kwamen te voet, gebukt onder het gewicht van hun koopwaar, die zij in manden en zakken op de rug droegen. Zo beklommen zij moeizaam de steile bergwegen en het rode stof van de Monte Subasio bedekte hun gezicht en hun handen en kleren. Sommigen waren uitgeput, omdat ze al uren gesjouwd hadden met hun last, maar niemand dacht er over om terug te gaan, want er was markt en dat betekende in die dagen: feest!

Zwaar beladen ezeltjes strompelden mee in de stoet. Soms probeerden die de weg te verlaten, omdat ze ergens op een schaduwplekje wat gras ontdekten. Maar dan kregen ze met de zweep, want hun bazen hadden haast, die moesten naar de markt!

Grote, witte ossen, met lange sierlijk gebogen horens, trokken logge karren, waarop koopwaar hoog lag opgestapeld. Maar het ergst van alles waren de schapen eraan toe. Zij hadden verscheidene dagreizen moeten lopen, er was geen tijd geweest voor grazen en rusten. Met stokken werden ze voortgedreven naar de markt, waar ze verkocht zouden worden, meer dood dan levend.

Zo trokken de mensen met hun dieren door de stadspoorten van Assisi naar het marktplein. Het was er een oorverdovend lawaai! Er werd gezongen en gelachen en geschreeuwd, vooral veel geschreeuwd, want iedereen was erg opgewonden en er was al heel wat wijn gedronken. Hier en daar raakten een paar kerels aan het vechten, omdat ze het oneens waren over de prijs van een zak graan of een kreupel kalf. Aan alle kanten rinkelde het geld. Ja, er werden grote zaken gedaan! Maar de belangrijkste dingen geschiedden bijna onopgemerkt, ergens tussen het gewoel.

Zo was er in een nauw steegje een ezeltje gevallen. Dat steegje was z├│ steil dat men er een trap van had moeten maken, anders was het een glijbaan geworden. Het ezeltje was gestruikeld over een steen en lag nu voorover, half bedolven onder zijn eigen lading. Zijn baas sloeg hem onbarmhartig met een grote stok en schreeuwde dat het op moest staan. Maar zonder hulp kon het ezeltje niet opstaan, daarvoor was zijn bepakking veel te zwaar. Het was maar een mager ezeltje en het was doodmoe. Machteloos bleef het liggen en de slagen regenden neer op zijn rug en op zijn poten en het werd nog uitgelachen bovendien. "Sla hem dood, de luiaard!" schreeuwden de omstanders en ze bespotten de baas van het ezeltje, omdat hij met zo'n nietswaardig beest naar de markt was gekomen. Er werd gejoeld en gescholden en boven alles uit krijste een oude smerige bedelaar dat je wel een geweldige ezel moest zijn, als je zo'n stom beest nog niet eens tot lopen kon dwingen. Toen werd de eigenaar van het ezeltje natuurlijk nog bozer. Hij hief zijn zware stok hoog boven zijn hoofd om het arme dier een gemene slag op zijn neus te geven, toen er opeens iemand tussen hem en de ezel sprong.

Niemand wist waar hij vandaan was gekomen, niemand had hem tot dusverre opgemerkt. Het was ook maar een kleine, onaanzienlijke verschijning. Hij ging gekleed in een oude, versleten monnikspij en was helemaal met stof bedekt. Hij sprak geen woord. Hij keek die woedende man alleen maar aan met zijn grote, donkere ogen. Het gejoel verstomde plotseling. Iedereen hield zijn adem in, want men meende dat die kwade kerel zich nu op de kleine monnik zou werpen, dat hij hem zou neerslaan met zijn knuppel. Maar dat gebeurde niet. De opgeheven arm zakte machteloos neer, de knuppel viel op de grond. Dadelijk wendde de kleine monnik zich af en boog zich over het ezeltje. Zwijgend gespte hij de riemen los, waarmee de al te zware last op de rug was gebonden. Met zijn armen om de buik van het dier hielp hij het opstaan. Het beest trilde nog op zijn poten, maar het wreef met zijn zachte neus tegen de ruige pij. Toen nam de kleine monnik de grote last van de grond en laadde die op zijn eigen rug. Diep gebogen onder dit reusachtige gewicht strompelde hij op zijn blote voeten naar de markt. Het ezeltje liep dicht achter hem. En ook de ezeldrijver volgde, met gebogen hoofd en samengeklemde kaken. De mensen weken haastig terzijde voor de kleine monnik en pas toen hij met zijn lading en zijn gevolg verdwenen was in het gewoel, fluisterden zij: "Dat was Francesco, de zoon van Bernardone!"

Ja, dat was Francesco, die wij nu, ruim zevenhonderdvijftig jaar later Sint-Franciscus van Assisi noemen. Maar zijn tijdgenoten zagen hem toen nog niet als een heilige. Men meende dat de kleine monnik niet goed bij het hoofd was geworden, want wie trok zich nu het lot aan van dieren? En was het soms niet volkomen dwaas dat die koopmanszoon de rijkdom en de weelde van zijn vader versmaadde, dat hij alles wat hij bezat, had weggegeven aan de armen, dat hij melaatsen verpleegde, die door niemand anders werden aangeraakt? Men wist ook te vertellen dat hij met de vogels en met de andere dieren sprak alsof het zijn broeders en zusters waren! Men noemde hem spottend 'il Poverello', de kleine arme, en men tikte daarbij veelbetekenend tegen het voorhoofd.

Maar toch ging het verhaal van het gestruikelde ezeltje als een lopend vuurtje over het plein. Men lachte erom, men stak de draak met de kleine arme. Alleen zij, die het voorval zelf hadden gezien, lachten niet. En de eigenaar van het ezeltje had gauw zijn waren verkocht en was er hals over kop vandoor gegaan.

Voor de San Ruffino, de oude kathedraal van het stadje, stond een grote slager. Hij had juist een lam gekocht voor de slacht. Om het beter te kunnen vervoeren had hij de poten aan elkaar gebonden en het ruwweg over zijn schouder geworpen. "Pas maar op dat il Poverello je niet ziet!" waarschuwde iemand uit het volk, "straks neemt hij je dat lam nog af!" Maar de slager lachte luidkeels. "Ik heb het eerlijk gekocht en betaald!" riep hij. "Het is van mij en ik mag ermee doen wat ik wil! Ik zou het nog aan geen tien Poverello's afstaan!" En om zijn woorden meer kracht bij te zetten, schudde hij het lam stevig, waarop het klaaglijk begon te blaten. Dat vond iedereen erg flink van die slager. Men juichte hem toe en het was duidelijk dat ze het roerend met hem eens waren.

Maar toen de kleine, grauwe monnik naar voren schuifelde op zijn blote voeten, hield opeens iedereen zijn mond. Zelfs de grote slager verschoot een beetje van kleur, toen hij in de donkere ogen van Francesco keek. Hij deed onwillekeurig een stap terug en verklaarde al bij voorbaat dat hij er niet over dacht om zijn lam weg te geven.

"Dat vraag ik ook niet van je, broeder," sprak Francesco met zachte stem. "Ik weet dat je dit lam eerlijk betaald hebt en daarom wil ik het eerlijk van je terugkopen. Daar kan je toch niets op tegen hebben?"

Een ogenblik staarde de slager verbluft naar de kleine arme. Maar toen begon hij opeens te bulderen van het lachen. "Wel nu nog mooier," schreeuwde hij, "broeder Francesco wil iets van mij kopen en hij heeft al zijn geld weggegeven! Vertel eens op, Poverello, waarmee wil je mijn lam betalen?"

Even keek de kleine monnik verslagen om zich heen. Had hij zelf misschien voor een ogenblik vergeten dat hij niets meer bezat, dat hij al zijn eigendommen had weggeschonken? De omstanders werden alweer rumoerig. Er werd gemompeld en gelachen. Er waren er zelfs die stenen opraapten om ermee naar Francesco te gooien! Wat had die dwaze zoon van Bernardone hier eigenlijk te maken? Waarom kwam hij zonder geld naar de markt? Meende hij misschien ongestraft een eerlijke koopman te kunnen bedriegen? De slager voelde dat hij het recht aan zijn kant had. Zelfverzekerd wendde hij zich af en wilde weglopen met zijn blatende lammetje, maar Francesco legde een hand op zijn arm.

"Wacht nog even, broeder," fluisterde hij. Verbaasd keek de slager om. Wat wilde die dwaas nu nog?

Zwijgend maakte il Poverello het koord los dat zijn midden omgordde en begon toen heel bedaard zijn pij uit te trekken. De slager verbleekte.

"Broeder Francesco, dat kun je niet doen! Je mag je hier niet voor al die mensen uitkleden!" Francesco glimlachte. "Ik zal het eerlijk betalen, broeder."

"Maar dat is onmogelijk!" stotterde de slager, "je maakt ons allebei belachelijk! Zo iets doet men niet voor een lam!"

"Nee," zei Francesco, die zijn pij nu had uitgetrokken en naakt, maar volkomen rustig tussen het volk stond, "dat heeft men zelfs niet gedaan, toen het Lam Gods naar de slachtbank werd gevoerd. Hier, broeder slager, neem mijn pij. Ik weet dat hij niet veel waarde heeft, maar ik bezit niets anders wat ik je zou kunnen aanbieden. Sta mij toe dit onschuldige lammetje vrij te kopen."

Toen boog de slager beschaamd het hoofd en gaf het lam aan Francesco. En Francesco gaf hem eerlijk zijn pij. Nog voor de slager tot bezinning kon komen en de pij, waar hij immers niets mee kon aanvangen, weer kon teruggeven, was il Poverello met het lam in zijn armen de San Ruffino binnengegaan, waar hij op de preekstoel klom en zo prachtig sprak over Jezus, het Lam Gods, dat niemand zijn ontroering kon bedwingen. En toen waren er reeds verschillenden die elkaar toefluisterden: "Waarlijk, die kleine dwaas is een heilige!"


*   *   *

Toelichting
Oorspronkelijk verschenen in "Kris Kras Jan Plezier" uitgegeven door Ploegsma, Amsterdam.

Geschikt om te lezen of te vertellen tijdens Dierendag (4 oktober).

Bron
"De feesten van het jaar, een verhalenboek over feesten en seizoenen" door An Kesseler-van der Klauw. Gottmer, Haarlem, 1982. ISBN: 90-257-1575-3

Feest/viering

Lees ook