Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 9 min.
Herkomst:

De wonderlijke zaken

Er leefde eens een keizer, die een zoon had die zich om niets bekommerde. Eens beval zijn vader hem, zich toch eens ergens mee bezig te houden. Hij stuurde hem naar het bos om wonderlijke dingen op te zoeken. De keizerszoon nam een stompe bijl en een stuk brood, ging naar het bos en velde een aantal krom gegroeide bomen. Deze bracht hij naar huis, waar hij ze op de deel wierp. De keizer vroeg hem: "Nu, heb je wonderlijke zaken gevonden?" waarop de zoon antwoordde: "Wel zeker, daar staan ze, op de deel." Toen sprak de keizer: "Dat zijn geen wonderlijke zaken." En hij maakte hem een standje. "Neem een stuk brood en ga er nog eens op uit."

Toen ging de zoon weer naar het bos. Hij kwam nu in een zeer dicht gedeelte en verdwaalde. Eindelijk bereikte hij het zeestrand, waar hij een verlaten badhuisje vond. Hij ging naar binnen om er de nacht door te brengen. Niets bijzonders was er te zien en hij legde zich ter ruste.

's Nachts echter kwam er een oude man in het huisje, die om onderdak vroeg en de zoon van de keizer liet hem binnen. De oude had een ransel op de rug. Hij nam hem af en sprak:
"Geef ons te eten, ranseltje!
Geef ons te drinken, ranseltje!
Neem borden en schotels weer weg!"
En het ransel gaf hun te eten en te drinken en ruimde de lege borden en schotels weer op. De keizerszoon lag op zijn buik en bekeek de ransel van alle kanten. Hij dacht bij zichzelf: "Dat is me een wonderlijk ding!" Toen de oude zich ter ruste had gelegd en was ingeslapen, stal hij de ransel en ging ermee vandoor.

Onderweg kwam hij een man tegen, die vroeg: "Waar kom je vandaan?" Hij antwoordde: "Ik heb naar een wonderlijk ding gezocht." - "Geef mij dat ding! Ik geef je daarvoor in ruil een zwaard, dat iedereen het hoofd afslaat, als je het beveelt." Toen ruilde hij met de man de ransel tegen het zwaard, want hij dacht: "Wonderlijk zijn ze alle twee! De ransel is een wonderlijk ding en het zwaard is het eveneens." Toen beval hij het zwaard: "Sla die man daar, die mij mijn ransel heeft afgenomen, het hoofd af." En het zwaard gehoorzaamde. De keizerszoon nam de ransel en het zwaard en begon aan de terugreis.

Toen ontmoette hij wederom een man, die hem vroeg: "Waar kom je vandaan en wat draag je daar?" De zoon van de keizer zei: "Ik heb wonderlijke dingen gezocht." - "Geef mij de ransel," vroeg de reiziger. "Ik geef je daarvoor in de plaats een fluit, waarmee je alles tevoorschijn kunt spelen, wat je wenst. En al wens je nog zoveel, je krijgt het."

De keizerszoon ruilde de ransel tegen de fluit, maar alvorens verder te gaan zei hij weer tot het zwaard: "Sla de man het hoofd af!" En hij nam de ransel terug. Toen had hij drie wonderlijke dingen: de ransel, het zwaard en de fluit.

Hij kwam in de buurt van zijn huis, begaf zich naar een uitgestrekte stenige akker, haalde zijn fluit te voorschijn en wenste al spelende, dat God daar een grote boerenhofstede zou neerzetten. Toen stond er ineens een grote boerenhofstede. Hij speelde en wenste zich vee. Ook dat kreeg hij. Toen speelde hij, dat God een grote brug zou bouwen tot voor het slot van de keizer.

Toen de brug klaar was, verbaasde de keizer zich daar zeer over en vroeg zich af, wie die daar gebouwd mocht hebben zonder zijn toestemming. Hij stuurde soldaten er overheen, die moesten nagaan wie de brug gebouwd had.

De soldaten marcheerden er overheen en toen de zoon van de keizer zag, dat zijn vaders soldaten naar hem toe kwamen, nam hij zijn fluit en speelde erop, opdat de doden uit hun graven zouden opstaan. En ze werden levend, stonden allen op en begaven zich naar de brug. De keizerlijke soldaten, die het zagen, konden niet begrijpen wat dat voor lieden waren. Ze schrokken en keerden terug en zeiden tot de keizer: "Wij kunnen niet zeggen, wat dat voor volk is."

Toen voer de keizer uit en sprak: "Als ik je stuur, moet je mij over de zaak opheldering verschaffen." En de keizer zond zijn hele leger over de brug.

Zijn zoon zag dat en hij begreep onmiddellijk, dat het weer het leger van zijn vader was, dat daar aankwam. Hij ging op het leger toe en zei tot de soldaten: "Ik ben de zoon van de keizer, die door zijn vader is weggestuurd om wonderlijke zaken te zoeken. Ga terug en vraag mijn vader of hij zou willen komen om mijn wonderlijke zaken in ogenschouw te nemen."

Toen nu de keizer kwam om de vondsten van zijn zoon te bekijken, haalde deze de ransel te voorschijn en sprak:
"Geef ons te eten, ranselt je!
Geef ons te drinken, ranseltje!
Neem borden en schotels weer weg!"
Hij vroeg zijn vader: "Is dat een wonder?" En de keizer antwoordde: "Ja, dat is een wonder!" Toen beval de zoon het zwaard om iedereen, behalve de keizer, het hoofd af te slaan. Weer vroeg hij: "Is dat een wonder?" Toen begon de keizer tegen hem op te spelen: "Hoe haal je het in je hoofd om mijn soldaten te doden. Laat je mij roepen om zulke wonderen te zien?" En hij wilde woedend naar huis gaan. De zoon zei daarop: "Wacht maar even, opdat ik u het derde wonder kan tonen." Maar de keizer wilde niet. "Ik bedank je hartelijk voor je wonder." - "Wacht vader, al hebt U ook nog zo'n haast!" Hij toonde hem het derde wonder en speelde op zijn fluit al het volk, dat zijn zwaard had doodgeslagen, weer levend. Hij speelde de doden uit hun graven en de vreugde was overal zeer groot. Toen vroeg hij zijn vader weer: "Is dat een wonder?" - "Ja!" zei de keizer. "Dat is een wonder!" Nu bleef de zoon bij zijn vader en zij leefden nog lang en gelukkig.


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"De Oude Sprookjes" verzameld en vertaald naar de oorspronkelijke teksten door J. Riemens-Reurslag. Uitgeverij & Drukkerij Hollandia, Baarn, 1978. ISBN: 90-6045-727-7

Herkomst: Finland
Verteltijd: ca. 9 min.
Leeftijd: vanaf 7 jaar

Lees ook