Volksverhalen Almanak

In de macht van de wolfheks Een Nederlands sprookje over het verbreken van een betovering

Wolfskruid

Michiel en zijn zusje Wendy lopen op hun gemak langs de korenvelden. Voor stadskinderen is het een verademing de frisse, schone lucht van de velden en de bossen op te snuiven. Zeker voor de kleine Wendy met haar zwakke gezondheid. In de stad heeft ze elk jaar last van bronchitis.

Ook nu snottert en kucht ze nog, maar haar ademhaling is regelmatiger en minder stotend dan wanneer ze in de stad is. Af en toe krijgt ze nog een hevige hoestbui, maar Michiel merkt aan haar dat ze zich hier veel prettiger voelt.

"Frisse buitenlucht en een vakantie buiten de stad zullen wonderen voor haar doen," had de dokter gezegd. Daarom besloten de ouders van Wendy en Michiel haar in de vakantie naar tante Daantje te sturen. Tot zijn vreugde mocht Michiel ook mee. De dagen voor de vakantie heeft hij haast niet geslapen. Een vakantie op een boerderij is een buitenkansje voor stadskinderen.

Tante Daantje woont ver van de stad in een boerderij, omringd door korenvelden, heuvels en bossen. Het ruikt er naar verse aarde, koeienmest en bomen. De geluiden zijn hier niet afkomstig van brullende auto's en trams, maar van loeiende koeien met rinkelende bellen, tsjirpende krekels en fluitende vogels. Iedere dag trekken Wendy en Michiel eropuit om te genieten van de natuur, om wonderen te ontdekken die ze in de stad niet kennen.

"Oh, kijk!" roept Wendy.

Het pad slingert zich om een heuvel en nu zien ze aan de linkerkant een uitgestrekt veld vol hoog gras en kleurige bloemen. Ver weg; helemaal aan de andere kant van het veld, is een groot woud, dat als een muur voor de horizon staat. Michiel kijkt om zich heen. De boerderij van tante Daantje is niet meer te zien. Die ligt daarginds achter de heuvels waar ze overheen zijn getrokken. Nog nooit zijn ze zo ver geweest.

"Wat een mooie bloemen!" roept Wendy en ze holt uitgelaten het veld in en verdwijnt in het hoge gras.

"Wendy, blijf hier!" roept Michiel. "Je weet wat tante Daantje gezegd heeft; we mogen niet van het pad af. Er kunnen slangen in de velden zitten."

Maar zijn zusje hoort hem niet meer. Ze hurkt neer tussen de bloemen die verleidelijk ruiken en haar vriendelijk lijken aan te kijken. De meeste bloemen hebben een diepe kelk en goudgele meeldraden. Tussen de knikkende stelen van de bloemen ziet Wendy opeens iets bijzonders. Het is een klein groen kruidje.

Het kruidje heeft een vreemde vorm. De kleine blaadjes lijken op oren en een spits snuitje, zodat het kruidje eruitziet als een piepklein hondenkopje.

Dat is grappig! denkt Wendy. Terwijl ze ernaar kijkt, krijgt ze zomaar het idee dat dit kruidje wel eens naar toffee kan smaken. En nu dringt zelfs de geur van karamel haar neus binnen.

Michiel komt intussen door het veld naar haar toegestapt. Vlug trekt Wendy het kruidje uit de grond en stopt het in haar mond.

"Wendy, laat dat!" roept Michiel en hij stormt op haar af. Maar dan deinst hij met een kreet terug, want waar Wendy zojuist nog zat, staat nu een grijze wolf. Onbeweeglijk staat hij daar, de brede kop laag boven de grond. In zijn ogen brandt een rood vuur.

"W-Wendy!" stamelt Michiel, maar de wolf gromt gevaarlijk. Ver weg klinkt opeens een geluid alsof iemand op een hoorn blaast. Het is een langgerekt, klagend geluid. De wolf keert zich onmiddellijk om en stuift weg. Als een grijze bliksemflits steekt het beest het veld over en verdwijnt aan de overkant tussen de donkere bomen.

Michiel staat als versteend in het bloemenveld. Hij kan niet begrijpen wat er zo snel is gebeurd. Rondom hem klinkt nu een laag aanhoudend gegrom. Een kort moment denkt Michiel dat er onweer op komst is, maar de lucht is strak en helder blauw. Het gegrom zwelt aan. Met een schok beseft Michiel dat het de bloemen zijn. Als hij om zich heen kijkt, is alles veranderd. Het pad en de heuvels waarover ze zijn gekomen, zijn nergens meer te zien. En de kleurige pracht van het bloemenveld is ook verdwenen. Michiel is ingesloten door een leger van kwaadaardig uitziende bloemmonstertjes vol scherpe stekels en gekartelde bladeren. In plaats van kelkjes met gouden meeldraden hebben ze nu bekjes met scherpe tanden, waaruit kleine spitse rongen kronkelen. Ze zien er uit als piranha's op steeltjes.

Michiel gilt als scherpe tanden zijn spijkerbroek openscheuren en over zijn been krassen. Hij springt omhoog en begint te hollen. Met grote stappen, om uit de buurt van de happende kaken te blijven, snelt hij dwars door het grommende bloemenveld. De bloemen deinen op hun dunne stelen en ritselen met hun bladeren. Overal klinkt het gegrom. Michiel ziet nu het woud waar de grijze wolf in verdwenen is, vlak voor zich liggen.

"Nog even volhouden," mompelt hij. Met een laatste sprong brengt hij zichzelf in veiligheid en belandt op een smalle strook zwarte aarde die het woud van het bloemenveld scheidt. Daar valt hij uitgeput en met een bonzend hart neer. Als hij zich omdraait, deint het veld nog steeds op en neer als de golven van een woeste zee. Michiel haalt hijgend adem en ziet hoe het veld langzaam tot rust komt en er ten slotte weer hetzelfde uitziet als het prachtige bloemenveld waar ze vlak daarvoor ingelopen waren. Maar Michiel weet wel beter. Voor geen geld gaat hij terug dat veld in. Bovendien moet hij Wendy zien te vinden. Zijn enige spoor is de grijze wolf die door het woud lijkt te zijn opgeslokt. Nu pas dringt de werkelijkheid tot hem door. Wendy is in een wolf veranderd. Hoe is zoiets mogelijk?

"Wendy!" roept hij luid. "Wendy, waar ben je?"

Vanuit het woud komt geen antwoord. De dikke bomen kijken zwijgend en spottend op hem neer. Zijn geroep gaat verloren in het duister tussen de stammen.

"Je kunt roepen zoveel je wilt, ze komt toch niet want de lokhoorn heeft geklonken," zegt een stem die klinkt als krakend hout in de wind.

Uit de schaduwen van het woud maakt zich een kleine maar forse gedaante los. Michiel denkt eerst dat het een boomstronk is. Maar het is een dwerg. Hij is ongeveer een meter lang, heeft een brede romp, knoestige armen en kromme benen. Hij heeft een slordige baard van twijgjes en uit zijn hoofd groeien takken.

Zijn voeten zijn boomwortels. "Het meisje hoort je toch niet meer," herhaalt hij met knarsende stem. "Ze heeft wolfskruid gegeten. Daardoor is ze een wolf geworden en in de macht geraakt van Likantropea, de Wolfheks."

Michiel staart de vreemde verschijning met grote ogen aan.

"Je hoeft me niet zo raar aan te kijken met die puilogen," zegt de dwerg. "Ik weet wel dat ik moeders mooiste niet ben. Maar in deze gedaante ben ik veilig voor Likantropea en haar wolventroep. Ze denken dat ik een boomstronk ben, hihihi."

Hij wrijft peinzend over zijn neus, ook een takvormig uitstulpsel.

"Het voordeel is, dat ik overal kan staan waar ik wil. Ik houd alles in de gaten wat er in het woud gebeurt."

"Weet u dan misschien waar mijn zusje gebleven is?" vraagt Michiel.

"Bij de Wolfheks," antwoordt de dwerg. "Haar lokhoorn heeft geklonken. Ze heeft de wolven teruggeroepen."

Michiel kreunt. "Wendy hoort niet thuis tussen de wolven. Hoe krijg ik haar terug?"

De dwerg haalt zijn knoestige schouders op. "Ze is nu in de macht van de Wolfheks. Likantropea zal haar ziel, haar levensgeest afnemen en opsluiten in een fles. Daardoor is je zusje voorgoed aan haar gebonden, gevangen in de wolvengedaante, zonder eigen wil. Voortaan zal ze deel uitmaken van de wolventroep van Likantropea."

"Maar dat mag niet!" roept Michiel uit. "Ze heeft toch al last van bronchitis!"

De dwerg knijpt één oog dicht en loert naar Michiel. "Er is maar één mogelijkheid; je moet haar ontwolfen."

"Oh, hoe doe ik dat?" zegt Michiel.

"Je moet het ontwolfingskruid zoeken, dat alleen bloeit bij volle maan tussen de wortels van de witte paardenkastanje. Het bloeit slechts één minuut, als er tenminste precies om middernacht een manestraal op valt. Over twee nachten is het volle maan!"

"En dan?" vraagt Michiel.

"Als je het kruid geplukt hebt, moet je het in de fles gooien waarin de Wolfheks de levensgeest van je zusje gevangen houdt. Dan zal ze bevrijd worden."

"Ik zal het doen! Ik zal alles doen," roept Michiel. "Waar kan ik dat kruid vinden?"

"In het noorden, achter de Lachende Heuvels, over de rivier de Brulleroer. Daar, in het Zilverbos, staat de witte paardenkastanje op de top van de Maanheuvel. De Wolfheks woont hier, in het oosten van dit woud."

"Ik ga nu meteen," zegt Michiel en hij wil al weglopen.

"Wacht even, gehaaste vriend!" De dwerg heeft plotseling een zilveren mes in zijn met schors begroeide hand en geeft dat aan Michiel.

"Je moet nog iets doen! Met dit mes moet je de wolf doden, voor je het ontwolfingskruid in de fles gooit. Anders werkt de magie niet!"

"D-de Wendywolf doden?" stamelt Michiel. "Dat kan ik niet!"

"Het moet!" zegt de dwerg nog eens. "Als je je zusje nog ooit wilt terugzien." Dan trekt hij zich terug in de schaduwen van het woud. Michiel ziet alleen nog maar een onbeweeglijke boomstronk. Boven de bomen komt de maan op. Het duister is haast ongemerkt ingetreden.

Ver weg in het oosten kringelt zwarte rook omhoog uit de half verzakte schoorsteen van een bouwvallig huis. Binnen in dat huis zit Likantropea de Wolfheks kakelend te roeren in een zwarte ketel met borrelende drab. Haar vierkante lijf is gehuld in zwarte lappen. Haar hoofd is breed en kaal, met spitse oren. Ze heeft rode ogen, een brede, platte neus en achter haar lippen blinkt een roofdierengebit. In de donkere schaduwen rondom haar liggen twaalf wolven met gloeiende ogen in een kring. En midden in die kring zit de grijze wolf, met trillende flanken en neergeslagen ogen. De Wolfheks pakt een bolle fles van een plank en grijnst vals. Dan grijpt ze de Wendywolf zijn nekvel en trekt hem naar zich toe.

"Levensgeest, kom eruit!" beveelt ze. Woest schudt ze de wolf heen en weer. De Wendywolf opent zijn muil en een witte, ijle damp stroomt met een zucht naar buiten. De Wolfheks vangt de damp op in de bolle fles en sluit die af met een kurk.

"Levensgeest, je bent van mij!" krijst Likantropea en met een triomfantelijk gebaar zet ze de fles op een plank waarop al twaalf van dat soort flessen staan. De dampen die daarin drijven, zijn al zwart geworden. De witte nevel in de bolle fles kronkelt achter het glas, perst zich ertegenaan. Even lijkt het of in de nevel het gezicht van Wendy te zien is, dat een geluidloze schreeuw geeft. En de grijze wolf, de Wendywolf zit met een starende, willoze blik tussen de andere wolven. De Wolfheks gooit haar kale hoofd in de nek en lacht afschuwelijk.

Maanschepsels

Michiel dwaalt nu al een hele tijd door het donkere woud. Wolven, heksen, pratende boomstronken, ik begrijp er geen snars van, denkt hij. Bij ons in de stad heb je zulke dingen niet. Maar het kan me niets schelen! Als ik Wendy maar terugkrijg!

De bijna volle maan werpt een melkachtig licht op de bomen en hult alles in een spookachtig schijnsel. Het zilveren mes waarmee Michiel de Wendywolf moet doden, steekt in zijn broekriem. Opeens wordt zijn aandacht getrokken door een zacht gesnik dat ergens vanuit de dichte struiken vandaan komt.

Nieuwsgierig kruipt Michiel door een nauwe opening in een haag van takken. Hij komt op een open plek terecht. Daar, bij een ronde vijver, zit een meisje te snikken. Michiel kan haar gezicht niet zien, want ze huilt met haar handen voor haar ogen en haar lange, blonde haren vallen als een gordijn omlaag. Haar schouders schokken. Voorzichtig loopt Michiel naar haar toe.

"Waarom huil je?" vraagt hij zacht. De haren van het meisje doen hem aan zijn zusje denken. Wendy is net zo klein en ze heeft ook blond haar.

"Mijn bal ligt in het water," snikt het meisje zonder op te kijken. Michiel kijkt naar de vijver en ziet een witte, ronde vlek in het water.

"Huil maar niet meer," zegt hij. "Ik zal die bal wel voor je pakken." Hij gaat op zijn buik aan de rand van de vijver liggen en rekt zich zo ver mogelijk uit. Hij strekt zijn hand over het water uit naar de witte vlek. Maar het is geen bal, het is slechts het spiegelbeeld van de maan.

"Maar... dat is de maan!" zegt Michiel.

"En ik ben Lieke!" roept het meisje achter hem. Haar stem klinkt nu hard en spottend. Met een woest gebaar werpt ze haar haren achterover en kijkt Michiel strak aan. Hij geeft een schreeuw en verstijft. Het gezicht dat hem aankijkt is oud en gerimpeld met een tandeloze mond, diepliggende, rode oogjes en puntige harige oren. Met een valse lach springt het gedrocht naar voren. Ze grijpt Michiel bij zijn benen, kiepert hem de vijver in en holt kakelend weg. Een kort ogenblik ziet Michiel de witte schijf van de maan onder zich. Het volgende moment breekt hij door het wateroppervlak en wordt opgeslokt door de vlek. Het water sluit zich als een ijskoude reuzenhand om hem heen en alles wordt zwart.

"Hèhè, dat was net op tijd," zegt een stem.

Michiel doet zijn ogen open. Tot zijn verbazing zit hij weer op de kant. Tegenover hem staan de drie vreemdste snuiters die hij ooit gezien heeft. Ze kijken hem nieuwsgierig aan. Het zijn magere, stakerige wezens die lijken te bestaan uit doorzichtige buizen waar een wit licht doorheen straalt. Ze lijken sprekend op elkaar.

"Een geluk voor jou dat we net zagen hoe Lieke je in de poel donderde," zegt een van de drie. Zijn stem heeft een vreemde, tinkelende klank.

Het wordt steeds gekker! denkt Michiel. Pratende tl-buizen! Bij ons in de stad geven die alleen maar licht en hangen ze zwijgend aan het plafond.

"Wie is die Lieke?" vraagt hij rillend. Zijn kleren zijn doornat. "Lieke is een trollenvrouwtje. Ze is het nichtje van Likantropea de Wolfheks."

"Wat??" Michiel is nu weer volledig bij zijn positieven. "Dat gemene kreng heeft me bijna verdronken!"

"Ja, Lieke is gemeen," zegt een van de drie en de andere twee knikken heftig. "Ze haalt alleen maar rotstreken uit. Op een keer lag ik heerlijk te manen in het maanlicht. Toen ik wakker werd, had ze mijn benen in een dubbele heksenknoop gelegd. En ze stond me nog uit te lachen ook!"

Het witte licht in zijn doorzichtige ledematen straalt nog feller van verontwaardiging. Ook de twee andere gloeien op van woede. "Maar vergeef ons," gaat hij verder. "We hebben ons nog niet eens voorgesteld. Wij zijn Pliq, Kliq en Stiq." Alle drie buigen ze lichtjes.

"Ik ben Michiel," zegt Michiel. "Bedankt dat jullie mij gered hebben. Ik ben op zoek naar het ontwolfingskruid om mijn zusje Wendy te redden. Ze is in de macht van de Wolfheks."

De drie wezens schudden meewarig hun hoofden. "Och, och, och! Dat is vreselijk. Nog nooit is iemand erin geslaagd de macht van de Wolfheks te breken."

"Ik zal dat wél doen," zegt Michiel. "Ik zal mijn zusje bevrijden!"

De drie wezens wiegen hun hoofden op en neer en kijken Michiel droevig aan. "Dapper ben je wel, jongen, maar of dat genoeg is..."

Aan de hemel beginnen de sterren en de maan te verbleken. Het eerste ochtendlicht gloort boven de boomtoppen. Michiel merkt dat Pliq, Kliq en Stiq waziger worden in het opkomende daglicht.

"Hé, wat gebeurt er?" vraagt hij. "Het lijkt wel of jullie uitdoven."

"Helaas, de dag breekt aan, de maan verdwijnt en wij ook," zegt een van de drie, nu nog minder zichtbaar. "Wij komen en wij gaan, gelijk met de maan, wij zijn maanschepsels."

"Wacht, kunnen jullie mij niet helpen?" roept Michiel.

"Kijk uit voor Likantropea en haar wolventroep," zeggen de drie stemmen in koor, maar ze lijken al van heel ver te komen.

"Hier, neem dit!" zegt een van de drie. Hij breekt zomaar een stukje van zijn wijsvinger af en geeft het aan Michiel. Zodra het in Michiels hand ligt, wordt het weer duidelijk zichtbaar. Het ziet eruit als een glazen buisje vol licht.

"Wat moet ik hiermee?" roept Michiel.

"Er zit maanlicht in. Misschien komt het nog van pas." De drie gestalten vervluchtigen als rook en worden omhooggezogen naar de verblekende maan. Michiel is weer alleen. In zijn hand ligt het glasachtige vingerkootje.
"Ik weet niet wat ik hiermee moet," mompelt hij. "Nou ja, die drie snuiters bedoelen het goed."

Hij kijkt een poosje naar het buisje en stopt het dan veilig weg in zijn zak. Hoog in de bomen begroet een vogel schreeuwend de nieuwe dag.

Michiel holt verder door het woud. Er is nu een nacht voorbij en dat betekent dat het ontwolfingskruid morgennacht zal bloeien onder de wortels van de witte paardenkastanje. Dan moet hij daar zijn, op de Maanheuvel, in het Zilverbos. Terwijl hij zonder ophouden doorrent, voelt hij een zware vermoeidheid vanuit zijn benen omhoogtrekken.

Ik moet even rusten, denkt hij. Achter een grote eikenboom ontdekt hij een soort holletje, gevormd door kreupelhout en struiken. Daar kruipt hij in. Eventjes rusten, denkt hij nog. Niet te lang! Dan zinkt hij weg in een diepe slaap...

… en schrikt wakker van een bloedstollend geluid. Een woest gehuil, dat hem losscheurt uit zijn slaap. Hij is onmiddellijk klaarwakker. Hoog tussen de bomen kijkt de bijna volle maan kil op hem neer.

Oei, ik heb de hele dag verslapen! beseft Michiel met een schok. Het is alweer nacht.

Opnieuw stijgt het gehuil tussen de bomen op. Langgerekt, woest en klagend. Michiels hart bonst hevig in zijn borstkas. Een eind verder is er tussen de boomstammen een heuveltop zichtbaar in het maanlicht. En daar bovenop staat een wolf. Rechtop, de kop naar de maan geheven, huilt hij voor de derde maal. Langzaam verschijnen er meer gedaanten naast hem.
Steeds meer wolven drommen samen op de heuveltop en ze mengen zich met hun stemmen in het gehuil. Een groot wolvenkoor dat huilt naar de maan. Michiel rilt.

Misschien is een van die huilende wolven wel de Wendywolf! Hij moet de neiging onderdrukken om ernaartoe te sluipen. Dat heeft geen zin. Er zijn te veel wolven. Ze zouden hem vast en zeker verscheuren.

Opeens staken de wolven hun gehuil en stuiven achter elkaar de heuvel af. Michiel kruipt dieper weg in zijn schuilplaats. De wolven komen eraan. De bomen kreunen en de bladeren ritselen onheilspellend. Michiel drukt zich tegen de grond en ziet de dravende poten van de woeste horde vlak langs zich voorbijtrekken. Heel even lijkt het of het woud zelf de adem inhoudt.

Dan zijn ze voorbij en ze verdwijnen tussen de donkere boomstammen.

Michiel haalt opgelucht adem en wil uit zijn schuilplaats te voorschijn komen. Net op tijd ziet hij de schaduw, die vlak voor de eikenboom op het pad valt.

Roerloos staat daar een grote wolf midden op het pad, nog geen twee meter van hem vandaan. Zijn ogen glinsteren rood in het maanlicht. Hij beweegt zijn brede kop heen en weer, alsof hij iets zoekt, iets ruikt. Michiel houdt opnieuw zijn adem in en probeert er niet te zijn. De wolf onderzoekt met een gloeiende blik het kreupelhout. Dit is beslist niet de Wendywolf, denkt Michiel. Deze wolf is zwart als de nacht, enorm groot en hij verspreidt de geur van oeroude rotheid. Het beest schijnt zijn aanwezigheid te voelen, of hij vermoedt dat er iets in het kreupelhout verborgen zit. Michiel begint te zweten. Hij moet zichzelf dwingen om het niet uit te schreeuwen van angst. Als hij dat doet, is hij onherroepelijk verloren.

Opeens spitst de wolf zijn oren en richt zijn kop omhoog. Vanuit het oosten klinkt het geluid dat Michiel al eerder gehoord heeft. Het is het geluid van de lokhoorn van de Wolfheks en het komt van ver achter de bossen. Een langgerekt, klagend geluid. De wolf verliest meteen zijn belangstelling voor het struikgewas. Hij draait zich om en draaft weg in oostelijke richting, gehoorzamend aan het teken van de heks. Dankzij de lokhoorn is Michiel gered.

Terwijl Michiel weer op weg gaat naar het Zilverbos, loopt in het oosten de Wolfheks onrustig te ijsberen door haar huis. Alle wolven zijn inmiddels teruggekeerd nadat de heks op haar lokhoorn had geblazen. Ze zitten stilletjes in een hoekje of liggen in de schaduw langs de muren.

Likantropea loopt naar de zwarte ketel en kijkt erin. Grillige dampen in de vorm van magische tekens stijgen op. Likantropea tuurt er langdurig naar en probeert de tekens te lezen.

"Nazbaz!" krijst ze en de wolven krimpen ineen onder haar harde stem. Ze vloekt nog een keer: "Nazbaz! De tekens voorspellen dat er iets gaat gebeuren. Er is iets op komst, maar ik weet niet wat." Woest keert ze zich naar de plank waar de fles met de witte nevel op staat.

"Weet jij er soms meer van, geest?" zegt ze tegen de witte nevel. "Sinds ik jou gevangen heb, word ik door onrustige gevoelens bestookt." Maar de witte nevel, de levensgeest van Wendy, hangt bewegingloos in haar glazen gevangenis. Het lijkt wel, of ze alle strijd heeft opgegeven.

Brulleroer

Michiel beseft dat hij haast moet maken, nu hij een hele dag verslapen heeft. Hij gaat verder, hollend, springend over takken, kuilen en boomwortels, tot hij aan het einde van het woud komt. Daar rijzen ontelbare heuvels voor hem op. Het zijn geen gewone heuvels want ze hebben gezichten. Reuzengezichten, alsof reuzen met puntige hoofden tot aan hun kin in de grond staan. Boven op de toppen groeit stoppelig gras. Het zijn de Lachende Heuvels en lachen doen ze! Ze giechelen en bulderen met grote, grijnzende monden.

Ze lachen Michiel keihard uit en geven hem het gevoel dat hij zonder broek rondloopt. Michiel probeert zich er niets van aan te trekken, maar hij voelt het bloed naar zijn hoofd stijgen. Met twee handen houdt hij zijn broek aan de riem vast, alsof hij bang is dat het ding op zijn enkels zal zakken.

"Kom op Michiel, dit is allemaal onzin," mompelt hij.

De grond onder zijn voeten trilt terwijl hij tussen de heuvels doorloopt. Hoe verder hij gaat, hoe luider het gebulder wordt. Zo oorverdovend wordt het, dat Michiel bang is dat zijn trommelvliezen zullen scheuren. Dreigend deinen de reuzengezichten heen en weer. Achter hen komt de maan telkens te voorschijn als een wit oog dat van links naar rechts beweegt. Sterren schieten als witte strepen door de nachtlucht. Het lijkt alsof de hemel als een dol geworden draaimolen boven hem ronddraait.

Het gelach bonkt in Michiels hoofd. Hij drukt zijn vuisten tegen zijn oren om niet door het geluid verpletterd te worden. Dat helpt weinig. Hij kan de geluiden niet buitensluiten.

"Schei uit!" schreeuwt Michiel. "Schei uit!" De druk op zijn hoofd wordt steeds groter, alsof het klem zit in een bankschroef. Vocht stroomt uit zijn ogen. Zelfs zijn tanden en kiezen doen zeer.

Langzaam zakt Michiel door zijn knieën. Versuft steunt hij met zijn handen op de grond. Het stoppelige gras snijdt in zijn handpalmen.

Dan krijgt hij een ingeving. Met twee handen rukt hij gras uit de grond en propt het in zijn oren, tot er geen geluid meer doorheen kan. Meteen verdwijnt de druk van zijn hoofd. Niet langer gehinderd door het gebrul holt hij weer verder. De lachende heuvels lijken teleurgesteld. Het gebulder verstomt, als een onweer dat voorbijgetrokken is.

Tegen de tijd dat Michiel de laatste heuvels achter zich laat, zijn de maan en de sterren verdwenen en kruipt de zon aan de hemel omhoog. De heuvels achter hem zien er nu als gewone heuvels uit.

"De maan doet hier vreemde dingen," mompelt Michiel. Hij trekt de plukken gras uit zijn oren en hoort in de verte een zacht geruis.

"Dat kan maar één ding zijn, als ik het goed onthouden heb," zegt Michiel. "Na de Lachende Heuvels moet ik de rivier de Brulleroer oversteken. Dat kan toch niet zo moeilijk zijn!"

Haastig holt hij in de richting van het geluid. Na een poosje ziet hij een diep dal voor zich en daar beneden slingert een glinsterend lint door het landschap. Heel voorzichtig begint Michiel aan de afdaling langs rotsen en stenen. Tegen het einde van de middag heeft hij bijna de voet van de helling bereikt.

De rivier wordt groter en breder naarmate hij dichterbij komt. Het zonlicht weerkaatst op duizenden golfjes, die oogverblindend glinsteren als... als zilveren schubben. Nu ziet Michiel het duidelijk: de rivier is een enorme slang, kronkelend en razend in haar bedding. Een oerbeest, machtig en angstwekkend in al haar glinsterende pracht. Ontzet staart Michiel naar de rivier. Hij zakt op zijn knieën in het gras.

"Oooh!" kreunt hij. "Als je alles gehad hebt, krijg je dat ook nog!"

Bijna heeft hij geen hoop meer. Hoe moet hij ooit voorbij die monsterlijke slang komen! Als Michiel dichterbij komt golft het zilveren lijf van de Brulleroer nog woester. Het kronkelt in hoge bogen boven de bedding uit en even ziet Michiel aan de horizon een reusachtige, platte kop, van waaruit twee smaragdgroene ogen hem aankijken. Hij huivert onder de blik van het beest.

Het zou prettig zijn als dit een droom was en ik op dit moment wakker werd in mijn bed in de stad! denkt hij. Gezonde buitenlucht is prima maar dit gaat me toch een beetje te ver! Dan wordt er een gerimpelde hand op zijn schouder gelegd en geschrokken kijkt Michiel om.

Achter hem staat een oud vrouwtje, bijna helemaal verstopt in een zilverkleurige omslagdoek. De doek is versierd met een patroon van honderden kleine slangen, met edelstenen als oogjes. Het lijkt wel of het vrouwtje zo uit de aardbodem is opgerezen. Ze kijkt Michiel vriendelijk aan met lichtgrijze ogen.

"Waarom so bedroefd, ja?" Haar stem klinkt zacht en ritselend.

"Stemt de aanblik fan Brilleroer jou niet frolijk, ja? De schittering fan de son op haar silveren huid, ja?"

"Nee," zegt Michiel. "Want ik moet naar de overkant en ik weet niet hoe. Als ik vannacht niet in het Zilverbos ben, is mijn zusje voorgoed verloren."

Het vrouwtje kijkt hem onderzoekend aan.

"So! En wat soek jij dan in het Silferbos?"

Michiel aarzelt. Wie is dit vreemde vrouwtje eigenlijk? Kan hij haar wel vertrouwen? Wie weet, misschien is zij wel de Wolfheks! Het vrouwtje lijkt zijn gedachten te lezen.

"Jij hoeft niet bang te sijn foor mij," zegt ze. "Ik sal jou heus geen kwaad doen. Misschien kan ik jou helpen."

Michiel gelooft haar. Ze ziet er niet uit als een heks. Eerder als een lieve oma. Hij vertelt haar het hele verhaal.

"Ach so," ritselt het vrouwtje. "Dus daarom moet jij naar de oferkant, ja? Om jouw liefe susje te redden. Jij bent een dappere jongen, ja. Maar naar de oferkant komen, is niet makkelijk, ja! Er is maar één manier: je moet Brulleroer temmen. Als jij haar temt, sal sij sich mak als een schaap aan jouw foeten neerleggen, ja."

"Ja, ja," mompelt Michiel. "Maar hoe? Ik kan nooit zo'n monsterlijke slang temmen. Bij ons in de stad heb je alleen wormen en zelfs dat vind ik enge beesten!"

"Seg nooit nooit, ja!" zegt het vrouwtje. Ze frommelt wat onder haar omslagdoek en haalt een lang gouden koord te voorschijn, opgerold als een dropveter.

"Hiermee," zegt ze, "kun je Brulleroer temmen. En omdat jij so'n dappere jongen bent, mag je het hebben, helemaal foor niks."

Michiel neemt het koord aan met een vragende blik in zijn ogen.

"Dank u wel, mevrouw. Maar wat moet ik hiermee?"

Het vrouwtje lacht ritselend. "Dat sal je wel sien. Het koord weet self wel wat het moet doen. Ga naar Brulleroer en gooi het koord ofer haar heen. Maar niet loslaten, hoor je! Niet loslaten!"

"Wie bent u eigenlijk, mevrouw?" vraagt Michiel.

Opnieuw lacht het vrouwtje.

"Ik," zegt ze, "ben de Moeder fan de Rifier." En nog terwijl ze spreekt, verandert ze in een kleine dunne slang die sissend wegschiet tussen het hoge gras.

De schubben van Brulleroer fonkelen in de zon. Het zilveren lijf komt dansend, in bogen zo hoog als een huis voor hem op. Michiel kijkt ernaar en denkt: het is onmogelijk! Maar op hetzelfde moment voelt hij dat er een trilling door zijn hand gaat. Het gouden koord dat hij vasthoudt, lijkt tot leven te komen.

Michiel weet opeens precies wat hij moet doen. Het is alsof het gouden koord zijn hand stuurt. Hij houdt het koord stevig vast aan het uiteinde en slingert het dan met een groot gebaar in de richting van de rivier. Hij ziet hoe het koord zich vanzelf verder uitrolt. Verder en verder zweeft het door de lucht, tot aan de overkant van Brulleroer. Daar maakt het een bocht en slingert terug, onder het kronkelende, zilveren slangenlijf door. Het koord wringt zichzelf in een knoop, zodat het als een lasso een enorme lus vormt, die Brulleroer insnoert.

Michiel heeft het uiteinde van het koord nog steeds vast. Hij zet zich schrap en trekt er met twee handen aan. Hij voelt hoe Brulleroer woedend bokt en spartelt. Maar Michiel is niet van plan los te laten. Steeds strakker trekt hij de gouden lus aan. Het is een machtig gezicht, de enorme zilveren slang, kronkelend aan het gouden koord, vastgehouden door een kleine jongen.

Brulleroer geeft zich niet gauw gewonnen. Ze gaat enorm tekeer, ze buldert en raast. Er verstrijken uren en Michiel kan het alleen volhouden omdat hij aan Wendy denkt. Dat geeft hem de kracht om zo lang met verkrampte armen het koord te blijven vasthouden, zoals een visser urenlang kan vechten met een reuzenvis. Hij denkt maar aan één ding: ik moet het koord niet loslaten. Al moet ik de rest van mijn leven hier blijven staan, ik zal het koord niet loslaten! Zo spreekt hij zichzelf moed in.

Zijn geduld wordt beloond. Brulleroer schijnt zijn vastberadenheid te voelen. Ze lijkt te beseffen dat Michiel de strijd nooit zal opgeven en plotseling is het voorbij. Michiel heeft geen gevoel meer in zijn armen, maar Brulleroer geeft zich gewonnen. Het zilveren slangenlijf daalt neer in de bedding, kalmeert tot de zilveren schubben overgaan in rustig kabbelende golfjes. Daar ligt ze nu voor Michiels voeten, mak als een schaap. Brulleroer is getemd.

Michiel zakt uitgeput op de grond neer. Hij wrijft zijn gevoelloze armen tot er weer wat leven in komt. Dan zoekt hij naar het gouden koord, dat uit zijn handen geglipt is. Hij kan het nergens meer vinden, maar in het water aan de oever ligt een klein bootje, gemaakt van gevlochten gouddraad. Rustig schommelend ligt het daar, klaar om naar de overkant te varen.

Verrast loopt Michiel ernaartoe. Even blijft hij nog aan de oever staan en tuurt naar de horizon. De strijd met Brulleroer heeft hem weer veel tijd gekost. Het begint al donker te worden. Over een paar uur is het middernacht en dan is het volle maan. Hij heeft geen tijd meer te verliezen. Zonder verder nog te aarzelen, springt hij in het gouden bootje en duwt zichzelf van de kant af verder hoeft hij niks te doen. Er staat een zachte bries, die het bootje kalm voortduwt. En nu Brulleroer eenmaal getemd is, draagt ze het bootje gehoorzaam naar de overkant. Michiel kijkt naar het laatste randje van de zon dat rood wegzakt aan de horizon. Een paar vroege sterren verschijnen al aan de hemel.

"Als ik maar op tijd bij de paardenkastanje ben," mompelt Michiel. "Als ik het maar haal." En, alsof de rivier zijn woorden verstaan heeft, wordt het bootje met veel grotere snelheid voortgeduwd.

In het oosten stampt de Wolfheks ongeduldig op en neer door haar huis. Sinds een paar dagen wordt ze nu al gekweld door het onrustige gevoel dat ze niet kan thuisbrengen en dat telkens terugkeert.

In het midden staat de zwarte ketel. Daarin borrelt en bruist deze keer een rode, gloeiende massa, als in het hart van een vulkaan. Likantropea gooit nog een paar poeders in de ketel waardoor alles begint te sissen en een regen van as omhoogspuit. Maar de Wolfheks schenkt daar geen aandacht aan. Ze prevelt een aantal spreuken en de groeiende lava in de ketel wordt langzaam een rode wervelende draaikolk. De Wolfheks buigt zich over de ketel en tuurt in het centrum van de draaikolk. Daar verschijnt langzaam het beeld van een jongen in een gouden bootje. De rook walmt ineens zo hevig op dat Likantropea hoestend achterover slaat.

"Nazbaz!" krijst ze. Ze hoest zwarte rookwolken uit en tranen stromen uit haar ogen. Woest krabbelt ze overeind en ze strompelt weer naar de ketel. Maar de lava in de ketel is inmiddels afgekoeld en zwart geworden. Het beeld van de jongen in het gouden bootje is verdwenen.

Michiel stapt aan land en legt het gouden bootje vast aan de overkant van de rivier. Er zijn nu al veel meer sterren en ook de volle maan is aan de hemel verschenen. Vannacht moet het gebeuren. Recht voor zich uit ziet Michiel in de verte een langwerpig schitterend vlak, dat spiegelt in het licht van de maan. Hij gaat ernaartoe, en als hij vlakbij is, ziet hij dat het de rand van een bos is. Een schitterend, zilveren bos met zilverberken, zilverlinden en zilversparren die kriskras door elkaar groeien.

Michiel loopt meteen het bos in, want dit moet het Zilverbos zijn, waar de witte paardenkastanje staat. Zilveren bladeren rinkelen in de wind en op de bodem groeit zilvermos. Takken buigen zich als zilveren poorten over het pad. En tussen de bladeren zweven sierlijke wezentjes, zilverachtig, doorzichtig haast, met tere vleugeltjes. Michiel kijkt zijn ogen uit terwijl hij tussen de glinsterende boomstammen door wandelt. Zonder te rusten loopt hij verder, tot hij in het midden van het bos terechtkomt. En daar in een kring van maanlicht, op een heuvel, staat een enorme, oeroude, witte boom. Zijn machtige kruin steekt als een kroon boven de andere boomtoppen uit.

Michiel slaakt een kreet van vreugde bij de aanblik van de woudreus.

Daar staat hij: de witte paardenkastanje op de Maanheuvel. Eindelijk heeft Michiel het doel van zijn reis bereikt. Nu moet hij alleen nog wachten tot het middernacht is. Dan zal het ontwolfingskruid bloeien tussen de wortels van deze reus. Slechts één minuut, maar dat is genoeg, denkt Michiel. Hij kijkt naar de maan. Ze is mooi vol, maar er drijven een paar wolken langs.

Als de maan maar zichtbaar is om middernacht! bedenkt Michiel opeens met schrik, want het ontwolfingskruid bloeit alleen wanneer er precies om middernacht een maanstraal tussen de wortels van de paardenkastanje valt.

De wolken drijven langzaam verder en Michiel slaakt een zucht van opluchting. Hij beklimt de Maanheuvel en gaat met zijn rug tegen de stam van de witte paardenkastanje zitten. Nu kan ik hier rustig wachten tot middernacht, denkt hij. Zijn horloge geeft aan dat het half twaalf is. De zilveren bomen om hem heen worden glinsterende vlekken voor zijn ogen. Hij wordt er soezerig van. Ik moet wel wakker blijven, denkt hij dromerig. Stel je voor dat ik in slaap val en pas na middernacht wakker word. Dan kan ik Wendy niet meer redden. En nog terwijl hij dit denkt, valt hij knikkebollend in slaap.

Ontwolfingskruid

Michiel schrikt wakker door de schreeuw van een vogel, ver weg. Even denkt hij dat het te laat is, dat middernacht al voorbij is. Maar als hij op zijn horloge kijkt, ziet hij dat het vijf voor twaalf is. Als die vogel niet had geschreeuwd! Michiel moet er niet aan denken. Dan was alles voor niets geweest. Hij kijkt naar de lucht en de schrik slaat hem opnieuw om het hart. Een grote zwarte wolk komt als een boot door de lucht aanzeilen. Hij beweegt zich langzaam in de richting van de maan.

"Nee, dat niet!" kreunt Michiel. "Ga alsjeblieft weg. Ik heb een manestraal nodig om middernacht." De zwarte wolk luistert niet naar Michiels smeekbede. Hij schuift voor de maan, als een gordijn dat dichtgetrokken wordt en de cirkel van maanlicht rond de witte paardenkastanje verdwijnt.

Michiel kan wel huilen. Nog twee minuten en dan is het middernacht. Als er dan geen maanlicht tussen de wortels van de paardenkastanje valt, zal het ontwolfingskruid helemaal niet te voorschijn komen. Hij zal Wendy niet kunnen redden. Het angstzweet breekt hem uit. Hij wil het uitschreeuwen tegen die zwarte wolk. Hem wegkijken! Maar de wolk blijft met een haast duivels plezier het maanlicht blokkeren.

Machteloos balt Michiel zijn vuisten en propt ze diep in zijn broekzakken. En daar voelt hij iets dat koud en hard tegen zijn hand aan drukt. Een klein rond buisje, het vingerkootje van Pliq, Kliq of Stiq, een van de drie maanschepsels. Het buisje dat gevuld is met maanlicht. Michiel trekt het buisje met een ruk uit zijn zak. Nog een minuut en dan is het middernacht. De wind steekt op en ritselt door de bladeren van de witte paardenkastanje. Wolken wervelen boven het Zilverbos. Alleen de zwarte wolk hangt roerloos voor de maan.

Verbaasd opent Michiel zijn hand. Daar ligt het buisje, glinsterend, flonkerend, en uit de ronde opening stroomt een smalle streep licht. Maanlicht! Het doorklieft de duisternis op de Maanheuvel en nestelt zich precies tussen de wortels van de witte paardenkastanje. Het is middernacht.

De aarde tussen de wortels van de witte paardenkastanje beweegt een beetje. Iets wurmt zich uit de grond omhoog. Een klein kruidje met zeven witte blaadjes worstelt zich boven de grond. Het ontwolfingskruid bloeit, gevangen in de streep maanlicht die uit Michiels hand stroomt.

Michiel springt naar voren en begint met één hand in de aarde te graven. Met zijn andere hand houdt hij het maanlicht op het plantje gericht. Hij kan de seconden haast als kanonslagen in zijn oren horen wegtikken. Het zweet stroomt over zijn gezicht. Nog een halve minuut, dan zal het kruid zich weer terugtrekken. Michiel graaft als een bezetene, tot het ontwolfingskruid ten slotte met wortel en al in zijn hand ligt. De zeven witte blaadjes ontvouwen zich langzaam op zijn handpalm. Op hetzelfde moment breekt de lucht weer open. De maan komt van achter de zwarte wolk tevoorschijn en giet stralend licht over de Maanheuvel en de witte paardenkastanje.

Voor Michiel is het alsof de zon opgaat en hij slaakt een luide kreet van vreugde. Hij heeft het ontwolfingskruid! Nu kan hij eindelijk zijn zusje gaan redden. In zijn blijheid laat hij per ongeluk het buisje met maanlicht vallen. Het slaat kapot op een steen, maar het maakt daarbij een vrolijk rinkelend geluid.

Voorzichtig knoopt Michiel het kostbare ontwolfingskruid in zijn zakdoek en stopt die diep weg in zijn broekzak. Dan daalt hij met een triomfantelijk gevoel de Maanheuvel af.

"Bedankt, oude boom," roept hij voordat hij het Zilverbos weer in rent. Hij holt, danst terug langs de zilverlinden, de zilversparren en de zilverberken. Hij zweeft haast en het lijkt wel of het bos zingt van vreugde. Ook de volle maan ziet er nu vriendelijk uit, hoog tussen de boomtoppen.

"Nog even volhouden Wendy," mompelt Michiel. "Ik kom je redden." Hij holt sneller en sneller door het woud, terug naar de rivier de Brulleroer.

Michiel steekt opnieuw in het gouden bootje de rivier over.

Brulleroer is nog steeds zo mak als een lammetje en de overtocht verloopt vlot.

Michiel springt aan land en ziet hoe een kleine slang sissend voor zijn voeten wegschiet en verdwijnt tussen het gras.

"Bedankt voor je hulp, Moeder van de Rivier," zegt Michiel zacht. Dan begint hij de helling te beklimmen. Vreemd genoeg lijkt het beklimmen van de helling veel gemakkelijker dan het afdalen, nu hij het ontwolfingskruid bij zich heeft.

Moeiteloos gaat Michiel langs de rotsen en stenen omhoog. De zon staat stralend aan de hemel als hij de Lachende Heuvels bereikt. Ze liggen onbeweeglijk onder de zon en deze keer is het Michiel die vrolijk lachend tussen de heuvels doorrent. Hij spoedt zich voort en voelt zich alsof hij gewonnen heeft. Hij heeft het ontwolfingskruid. Zijn voeten raken de grond haast niet.

Ten slotte bereikt hij het woud. Tegen de avond komt hij langs de plaats waar de grote zwarte wolf hem bijna had ontdekt. Michiel pauzeert even en eet wat bramen. Snel gaat hij daarna weer verder.

Hij komt bij de ronde vijver waaruit de maanschepsels hem hebben opgevist. De maan staat alweer boven het woud en in de vijver is haar spiegelbeeld opnieuw te zien. Ook deze keer zit een klein meisje snikkend aan de rand van de vijver. Maar Michiel weet wel beter nu. Zachtjes sluipt hij dichterbij.

"Dag Lieke," zegt hij en duwt haar meteen in de vijver. Grinnikend holt hij weg, terwijl het geplons en de boze kreten van het trollenvrouwtje achter hem zachter worden. Uiteindelijk houdt hij stil op een punt waar vier woudpaden elkaar kruisen. Maar geen enkel pad schijnt naar het oosten te leiden, waar de Wolfheks woont. Weifelend blijft hij staan.

"Waar moet ik nu heen?" mompelt hij. Hij krabt peinzend op zijn hoofd, maar hij komt er niet uit. Met een zucht laat hij zich tegen een boomstronk zakken.

"t Is hier een mooi zootje! Bij ons in de stad hebben ze tenminste overal wegwijzers."

"Wel ja! Dat gaat zomaar op mijn voeten zitten!"

Verrast veert Michiel op bij het geluid van de bekende stem. Achter hem staat de dwerg die zoveel op een boomstronk lijkt en die Michiel nu streng aankijkt.

"Ik zie aan de glans van je ogen, dat je erin geslaagd bent het ontwolfingskruid te vinden, mijn voetzittende vriend," zegt de dwerg nu wat vriendelijker. "Dat is een hele prestatie. Ik wist wel dat jij het kruid zou vinden. Want je liefde voor je zusje is sterker dan je angst voor duistere dingen. Misschien zelfs sterk genoeg om Likantropea de Wolfheks te verslaan."

"Maar daarvoor moet ik eerst het huis van die Wolfheks vinden," zegt Michiel. "En ik ben de weg een beetje kwijt."

"Ah, mijn bijziende vriend," zegt de dwerg. "Je bent de weg niet kwijt, want hij ligt vlak voor je voeten. Je moet alleen de juiste richting kiezen, namelijk het oosten." Hij wijst met zijn wortelachtige vinger precies tussen twee kruisende paden, die beide in verschillende richtingen onder de bomen verdwijnen.

Nu Michiel goed kijkt, ziet hij dat er inderdaad een verborgen pad tussen de kruisende paden doorloopt. Een pad dat haast onzichtbaar is, overwoekerd door distels en wild groeiend onkruid. Onder het onkruid is er een fijn web van spinrag overheen gespannen.

"Dat," zegt de dwerg, "is het verborgen Heksenpad. Volg de draden van spinrag, dan kom je bij het huis van Likantropea uit. Heb je het zilveren mes nog om de wolf te doden?" Michiel knikt.

"Goed," zegt de dwerg. "Dan, mijn dappere vriend, kan ik je alleen maar veel geluk toewensen. En het is belangrijk dat je dit weet: Likantropea ontleent haar macht over de wolven aan de lokhoorn!" Hij kijkt Michiel indringend aan.

"De lokhoorn is een machtig wapen. Mocht je tegenover de Wolfheks komen te staan, dan moet je haar zand in de ogen strooien. Zilverzand."

Hij geeft Michiel een klein dichtgebonden zakje. Michiel neemt het geschenk aarzelend aan.

"Maar wat moet ik...?" zegt hij en stopt als hij ziet dat hij tegen een boomstronk staat te praten. Een kromme, oeroude boomstronk, waarin geen teken van leven te bespeuren is. Michiel zucht. Opnieuw is hij alleen. Maar in zijn hand ligt het zakje. Als hij erin kijkt, ziet hij dat het gevuld is met zilverachtige korrels.

"Nazbaz!" vloekt de Wolfheks woedend in haar huis in het oosten. "Ik vertrouw de beelden in de ketel voor geen cent. Er is beslist iets op komst vannacht."

Ze praat meer tegen zichzelf dan tegen de wolven die om haar heen kruipen. "Ik moet zekerheid hebben." Ze loopt naar de deur en gooit die open. Maanlicht stroomt wit en koud naar binnen.

"Vort jullie!" krijst ze tegen de wolven. "Ga op zoek naar wat mij bedreigt. En wat je ook tegenkomt, verscheur het!"

Huilend rennen de wolven achter elkaar naar buiten. Als laatste, woest grommend en jankend, de Wendywolf.

In de bolle fles op de plank is in een flits door de witte nevel heen het gezicht van Wendy te zien. Het geeft een geluidloze schreeuw en vervaagt weer.

Michiel zwoegt voort over het Heksenpad. Bladeren vegen over zijn gezicht. Takken en stekels prikken in zijn armen en benen. Maar zijn ogen blijven gericht op de draden van spinrag die een glinsterend spoor vormen op het pad. Opeens blijft hij staan. Even is het alsof hij de stem van Wendy hoort. Wendy die hem roept.

Maar de stem heeft alleen maar in zijn hoofd geklonken.

Verbeelding! denkt hij. Wendy kan hem immers niet roepen? Ze is een wolf en haar levensgeest zit opgesloten in een fles. Die gedachte maakt hem weer woedend. Met woeste gebaren baant hij zich verder een weg door de dichte struiken. In de verte klinkt wolvengehuil. Hij moet haast maken. De wolven zijn weer op pad.

De maan gluurt als een boos oog door de voortjagende wolken. Michiel worstelt verder over het Heksenpad. Hij is verbaasd als hij op een kleine open plek komt waar de bomen als bogen overheen buigen. In het midden staat een ronde, met mos begroeide, stenen put. Michiel loopt ernaartoe, buigt zich nieuwsgierig over de rand en staart in de diepte. Onder in de put ziet hij zijn eigen gezicht weerspiegeld in het stille, glanzende water. Plotseling verschijnt daar in de diepte een ander gezicht dat over zijn schouder meekijkt.

Het is het gezicht van Wendy.

"Wendy!" gilt Michiel en draait zich snel om. Maar het is niet Wendy die achter hem staat. Het is de wolf waarin Wendy veranderd is. Het beest gromt dreigend. De ogen zijn rood als bloed en kijken Michiel strak aan.

"Wendy, ik ben het," zegt Michiel zacht. "Wendy, ik kom je redden."

De wolf gromt. Dan springt hij.

"Nee!" gilt Michiel. In een reflexbeweging trekt hij het zilveren mes uit zijn riem en stoot het afwerend voor zich uit. Maanlicht weerkaatst op het lemmet. De wolf jankt, als het mes hem midden in de borst treft. Rood bloed druppelt over het zilveren handvat en de wolf valt met een smak op de grond.

"Wendy, ik wilde niet," stamelt Michiel. Tranen stromen over zijn wangen. Maar terwijl hij praat, verpulvert de wolf voor zijn ogen, verkruimelt tot flinterdunne stofdeeltjes, die door de wind worden weggeblazen. Verbijsterd staart Michiel naar de lege plek voor hem, waar zojuist de wolf nog lag. Maar in de wind klinkt een krakende oude stem.

"Zo is het goed, mensenkind. Nu de wolf dood is, kan de levensgeest van je zusje bevrijd worden."

Ontwolfing

Michiel staart wezenloos voor zich uit. Het zilveren mes ligt naast zijn voeten op de grond, rood van het bloed van de wolf. Michiel wil het mes niet meer aanraken. Opnieuw verscheurt wolvengehuil de nachtelijke stilte. De rest van de wolventroep is nog steeds op pad. Misschien weten ze dat hij de wolf heeft gedood. Er is geen tijd te verliezen.

Michiel duikt het struikgewas in en rent verder over het Heksenpad. Het gehuil van de wolven sterft weg en verdwijnt in de verte. Dat is een geluk, denkt Michiel. Want dat betekent in ieder geval dat ze niet in de buurt van de Wolfheks zijn. Na een poosje moet hij op zijn buik kruipen om verder te kunnen. Het Heksenpad slingert onder laaghangende takken door, die met lange vingers in elkaar grijpen en een ondoordringbaar vlechtwerk vormen. Als hij daar onderdoor is, rijst onverwachts het huis van de Wolfheks voor hem op.

Zwart afgetekend in het maanlicht staat het huis daar. Achter een boogvormig raam, danst het licht van een flakkerende kaars. Michiels hart begint sneller te kloppen. In dat scheefgezakte huis houdt de Wolfheks de levensgeest van Wendy gevangen.

Michiel kruipt wat verder naar voren, maar houdt zich nog steeds schuil in het struikgewas. Rondom het huis is een open veld met dor gras. Het is er muisstil en de hele omgeving straalt een ingehouden dreiging uit. De lucht zindert en knettert af en toe. Michiel rilt. Boven het huis hangt een donkere wolk, zwarter dan de nacht. Met een boos gezicht schudt Michiel alle angstige gedachten van zich af. Hij kruipt uit het struikgewas. Razendsnel steekt hij het veld over en drukt zich plat tegen de muur naast het boogvormige venster. Voorzichtig gluurt hij met één oog door het venster naar binnen. Zijn adem stokt en dan schreeuwt hij van schrik. Hij staart regelrecht in een breed gezicht, kaal als een steen, wit als de maan. Een gezicht met rode ogen, spitse oren en een brede, platte neus. De mond is vertrokken tot een wolfachtige grijns en vertoont roofdiertanden.

"Ha, daar heb ik je, geniepige gluurder!" krijst de Wolfheks.

Voor Michiel weet wat er gebeurt, trekken twee ijzersterke handen hem door het raam naar binnen en smijten hem in een hoek tegen de muur. Likantropea torent groot en vierkant in haar nachtzwarte kleren boven hem uit.

"Zo!" schreeuwt ze. "Dus jij dacht mij zomaar te kunnen besluipen, lelijke sluipsnark! Jij dacht dat ik je niet hoorde, terwijl je als een olifant over het Heksenpad denderde en de draden die ik geweven heb vertrapte! Nazbaz!"

Duizelig van de smak tegen de muur kijkt Michiel rond, terwijl de Wolfheks staat te tieren. In het midden staat een grote zwarte ketel en aan de muur hangt een gekromde hoorn aan een spijker. Michiels blik wordt getrokken naar een plank aan de muur waarop een rij bolle flessen staat. In een van die flessen zweeft een witte nevel.

"Wendy," mompelt Michiel binnensmonds en even vergeet hij zelfs de dreigende aanwezigheid van Likantropea. Wendy's levensgeest zit in die fles. Hij weet het zeker. Hij voelt het diep van binnen. Hij kan bijna horen hoe ze naar hem roept vanuit die fles. Wankelend duwt hij zich met zijn armen tegen de muur omhoog.

"Ja, ga maar weer staan, lelijke sjakzah," snerpt de Wolfheks. "De ketel had gelijk. Er was iets op komst. Jij! Maar weet jij wat je bent? Jij bent wolvenvoer!" Bij die woorden grijpt ze de kromme hoorn van de wand en blaast er luid op. Uit de lokhoorn stijgt een langgerekte, klagende klank op. De lokroep van de wolventroep. De roep wordt in de verte onmiddellijk beantwoord door een koor van wolvenstemmen. Ze komen eraan, de wolven.

Michiel haalt snel het zakje met zilverzand uit zijn broekzak tevoorschijn. De Wolfheks blaast nog een keer op haar lokhoorn en laat hem dan zakken. Ze grijnst haar wolventanden bloot. Michiel springt op hetzelfde moment naar voren en werpt de inhoud van het zakje midden in haar gezicht.

De Wolfheks krijst. Zilverzand dringt haar mond, haar neus en haar ogen binnen.

"Mijn ogen!" schreeuwt ze. "Ze branden!"

De Wolfheks loeit van pijn. Michiel ziet hoe haar ogen groter worden. Ze zwellen op als rode zeepbellen en spatten dan met een zacht plofgeluid uit elkaar.

"Blind! Ik ben blind!" jammert Likantropea. Met holle oogkassen wankelt ze door het vertrek. Haar lange armen maaien wild in het rond.

"Wolven!" gilt ze. "Waar zijn jullie?" Ze jankt, ze huilt, ze jammert. Buiten klinkt het gehuil van de wolven. Michiel springt opnieuw op de Wolfheks af en rukt de lokhoorn uit haar hand.

"Mijn lokhoorn!" krijst Likantropea buiten zichzelf van pijn en woede. Ze zwaait woest om zich heen, botst tegen de zwarte ketel en valt erin. Buiten krabben klauwen aan de deur. De deur vliegt open en de wolven stormen naar binnen.

"Red mammie," roept de Wolfheks. Ze zit vast in de ketel. Michiel zet de lokhoorn aan zijn lippen en blaast erop. De wolven blijven meteen stilstaan en kijken Michiel met bloeddoorlopen ogen aan. Even is het doodstil in het huis van de Wolfheks.

"Grijp haar!" beveelt Michiel. Onder luid gehuil storten de wolven zich met verscheurende klauwen en kiezen op Likantropea in de ketel. Michiel rent naar de plank aan de muur. Hij grijpt de fles met de witte nevel en holt het huis uit. Met de lokhoorn in zijn andere hand rent hij het woud in. Achter hem worden de kreten van Likantropea en het gehuil van de wolven zachter. Zonder te stoppen, rent Michiel voort. Het enige wat hij nu nog wil, is zo ver mogelijk weg zijn van die afschuwelijke plaats.

Misschien rent hij wel uren, voor hij ten slotte uitgeput neervalt op het mos onder een overhellende eik. Dan pas neemt hij de tijd om de fles te bekijken. Achter het dikke glas wervelt de transparante nevel. Af en toe gelooft Michiel er vaag het gezicht van Wendy in te zien. Teder strijkt hij met zijn vingers over de buik van de fles.

"Ik zal je redden, Wendy. Nu is alles in orde." Hij haalt de dichtgeknoopte zakdoek uit zijn broekzak te voorschijn. De zeven witte blaadjes van het ontwolfingskruid zien er nog mooi uit. Voorzichtig trekt Michiel de kurk uit de fles en laat het ontwolfingskruid in de opening vallen.

De blaadjes worden opgenomen in de werveling van de nevel. Dan stijgt er een verblindend witte wolk uit de fles op. Met een klap barst het glas uit elkaar. De wolk omhult Michiel als een lichtgevende mist. Als de mist optrekt, ziet Michiel een gestalte voor zich zitten. Armen, benen, een gezicht. Wendy!

"Wendy!" roept Michiel en zijn stem slaat over van blijdschap. Ze kijkt hem met slaperige ogen aan en geeuwt. Michiel omhelst haar en knijpt haar haast fijn van blijdschap.

"Doe niet zo raar, joh," giechelt Wendy. Ze rekt zich uit. "Tjonge, ik heb lang geslapen! Ik zag al die mooie bloemen en toen viel ik zomaar in slaap. En ik had een heel rare droom, maar ik weet niet meer precies waarover. Over een glazen huisje, geloof ik. En ook nog over een boze mevrouw."

Michiel is opgelucht dat alles in orde is met haar. Ze schijnt helemaal niet te beseffen wat er gebeurd is en hij is ook niet van plan het haar te vertellen. Toch is er iets aan haar veranderd en dat merkt hij als ze door het woud lopen. Wendy hoest geen enkele keer meer en haar ademhaling is rustig en gelijkmatig. Blijkbaar bezat het ontwolfingskruid nog meer verborgen krachten!

Ze wandelen verder door het woud. Michiel heeft geen idee hoe hij de weg naar huis moet terugvinden. Alle bomen lijken op elkaar.

"Kijk daar!" roept Wendy opeens. Midden op het pad staat een oude boomstronk. Een knoestige tak die op een arm lijkt, wijst recht vooruit.

"We moeten die kant op, Wendy" zegt Michiel opgelucht.

"Hi, hi, die boom is net een mannetje," giechelt Wendy.

Michiel glimlacht. "Je hebt gelijk, Wendy."

Als ze verder lopen, kijkt Michiel over zijn schouder en knipoogt naar de boomstronk. In de gegroefde boomschors knipoogt een oog terug naar hem. Ze volgen het pad en even later staan ze op een weg. In de verte kunnen ze de boerderij van tante Daantje tegen de heuvels zien liggen.

"Kom," zegt Michiel. "Tante Daantje zal zich wel afvragen waar we zijn geweest."

"Wat is dat voor een toeter?" vraagt Wendy, terwijl ze de weg aflopen. Ze wijst naar de lokhoorn, die Michiel nog steeds bij zich heeft. "Mag ik er eens op blazen?"

"Nee, Wendy," zegt Michiel gauw. "Je mag nooit ofte nimmer op die hoorn blazen, anders..."

"Anders wat?" vraagt Wendy.

"Anders komen de wolven!"

"Poeh, wat flauw!" giechelt Wendy en danst vrolijk voor Michiel uit de weg af.

De lokhoorn van de Wolfheks hangt tegenwoordig als versiering boven de voordeur van de boerderij van tante Daantje. Niemand weet waar hij vandaan komt, alleen Michiel, maar die vertelt het aan niemand. Hij is met Wendy terug in de stad, waar trams zijn, en auto's en wegwijzers.

Maar soms, als de oostenwind erdoorheen blaast, komt er een zacht jankend geluid uit de lokhoorn. Dan klinkt in de verte achter de heuvels wel eens iets wat op het gehuil van wolven lijkt. Gelukkig blaast de oostenwind nooit hard genoeg.


*   *   *

In de macht van de wolfheks Samenvatting
Een Nederlands sprookje over het verbreken van een betovering. Michiel en Wendy lopen langs de korenvelden, als het meisje een klein kruidenplantje vindt. Als ze het in haar mond stopt, verandert ze in een wolf. Het dier stuift het bos in en verdwijnt. Michiel moet het ontwolfingskruid vinden om zijn zusje terug te veranderen in een mens. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Geesten geraamten en ander gespuis" door Paul van Loon. Uitgeverij Leopold, Amsterdam, 2003. ISBN: 90-258-4086-8.

Herkomst: Nederland
Verteltijd: ca. 82 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook