Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 20 min.
Herkomst:

Marian en de selderijkoning Een Hongaars sprookje over een betoverde prins

Een keuterboer kwam op een avond thuis van zijn werk en vroeg aan zijn oudste dochter: "Meisjelief, wil je een beetje rijst voor me koken, ik heb honger." De dochter ging vrolijk aan de gang, zette een ketel rijst op het vuur en ging de tuin in om wat groente te halen. Maar in de groentetuin groeide niets anders dan één selderij, een grote selderij, wel zo groot als het hoofd van een mens.

De oudste dochter pakte hem bij zijn blaadjes en trok eraan maar de selderij verroerde zich niet. Hij gaf niet mee, integendeel, hoe harder ze trok des te meer verdween hij in de grond. Het meisje was zeer verbaasd en ging naar haar jongere zuster. "Kom mee zusje en help me eens om de selderij uit de grond te trekken. Ik heb hem nodig voor het avondeten van vader, maar alleen heb ik niet genoeg kracht."

Het jongere zusje liep vrolijk mee en ging de tuin in. Ze pakte de selderij bij zijn blaadjes en trok, maar hij verroerde zich niet. De selderij gaf niet mee, integendeel, hoe harder ze trok, des te dieper ging hij de grond in. Het meisje liep naar haar jongste zusje, die de mooiste en de slimste was en zei: "Kom mee Marian en probeer jij de selderij eens uit de grond te trekken. We hebben hem nodig voor het avondeten van vader, maar we kunnen hem er niet uit krijgen."

Marian sprong vrolijk op en ging de tuin in. Maar toen ze de selderij bij zijn groene blaadjes pakte, gaf hij weer niet mee, integendeel, hij verdween nu helemaal in de grond en hij trok Marian met zich mee.

Toen de aarde zich weer boven Marian had gesloten, ging de aarde onder haar open en zag ze een prachtige, bloeiende wei. In het midden van de wei stond een schitterend kasteel met zilveren muren, daken van goud en vensters van zuiver kristal, zodat je ogen er pijn van deden. Aan de poort stond een kromme oude man met een baard die tot aan de grond reikte, en die baard zag er precies zo uit als de wortels van een selderij. De oude man met de selderijbaard nodigde het meisje uit met de woorden: "Wees welkom, mooie Marian, ik had je al lang verwacht, kom binnen."

Marian wist niet of ze nu sliep of niet. Ze ging het kasteel binnen en bij elke voet die ze verzette ging er een nieuwe kamer voor haar open. De één nog mooier dan de ander, en alles was van zijde, goud en zilver. Bij een van de kamers zei de oude man tegen Marian: "Deze kamer zal van jou zijn, hier zul je voortaan wonen!" En zo bleef Marian in het kasteel onder de grond. Als ze 's morgens wakker werd, lagen er steeds nieuwe kleren op haar stoel; als ze 's middags de eetzaal binnenging werd er steeds een nieuw gerecht voor haar neergezet en als ze 's avonds de grote zaal binnenkwam, knapperde er altijd een gezellig haardvuur. En als ze om middernacht naar bed ging, kwam de oude man haar iedere avond een goede nachtrust toewensen.

Zo ging er een week voorbij, er gingen twee weken voorbij en toen de maand om was, vroeg de oude man plotseling: "Zeg Marian, wil je met me trouwen?"

Toen de oude man haar dit voor de eerste maal vroeg, schrok ze en rende ze weg. Toen hij het haar voor de tweede maal vroeg schudde ze haar hoofd en zonder een woord te zeggen liep ze weg. Maar toen hij het haar voor de derde maal vroeg keek ze de oude man aan en kreeg ze medelijden met hem. Zijn gezicht met de lange baard was nog net zo lelijk en oud als voorheen, maar zijn ogen waren mooi en vol liefde. Daarom zei ze: "Als u het graag wilt, dan zal ik met u trouwen."

De oude man kuste Marian en ze werd zijn vrouw. Als huwelijkscadeau kreeg ze de sleutel van alle kamers van het kasteel. "In negenennegentig kamers mag je komen, wanneer je maar wilt, maar de honderdste kamer, daar mag je niet in, anders zal het slecht met ons aflopen."

Elf maanden woonde Marian nu al in het kasteel onder de grond en ze was gelukkig en tevreden. Elf maanden lang had ze niet aan de honderdste kamer gedacht, maar de twaalfde maand schoot het haar plotseling te binnen en vanaf die tijd liet de gedachte haar niet meer met rust. Ze liep een poosje alleen maar langs de kamer, tot ze op een morgen de deur opendeed. In de kamer werkten een heleboel vrouwen, sommigen waren ijverig aan het naaien, anderen zaten te borduren en weer anderen stonden luiers en trappelzakken te strijken. Marian was zeer verbaasd en vroeg: "Voor wie bent u aan het naaien en voor wie zit u te borduren?"

En toen draaiden de vrouwen zich nijdig naar haar om en riepen haar boos toe: "Voor jou, jij lelijke heks!"

Marian was vreselijk van de vrouwen geschrokken. Haastig sloeg ze de deur van de honderdste kamer achter zich dicht, deed hem vlug weer op slot en rende naar haar eigen kamer. Maar de angst bleef in haar hart en toen de oude man 's avonds terugkwam merkte hij dadelijk, wat er gebeurd was. Boos en verdrietig zei hij tegen Marian: "Waarom heb je dat nou gedaan, lieve vrouw? Had nog een poosje volgehouden en geduld gehad, tot ons kindje geboren was, dan zou ik uit mijn verbanning bevrijd zijn. Maar nu moet ik weer wachten en moeten we uit elkaar gaan, wie weet wanneer we elkaar weer terugzien!"

Meteen de volgende dag bracht de oude man Marian naar de wegkruising voor het kasteel en daar namen ze afscheid van elkaar. Toen Marian met tranen in de ogen nog een keer omkeek, was de oude man met de selderijbaard al verdwenen. Ook het mooie kasteel zag ze niet meer. Er bleef Marian niets anders over dan maar doelloos verder te lopen. Na een lange wandeling kwam ze weer bij een kasteel aan. Het stond op een heuvel, midden in een wei. De witte muren en de rode daken schitterden. Er kwam geen geluid uit het kasteel, er klonk geen enkel lied, het was net of de bewoners in de rouw waren. En ze waren inderdaad in de rouw.

In het kasteel woonde de koningin van het land die al een jaar lang rouwde om haar enige zoon. Op een dag was hij van het kasteel verdwenen en sindsdien had niemand hem meer gezien. Het was alsof hij van de aardbodem was verdwenen. De koningin stuurde de hovelingen alle richtingen uit, maar niemand wist iets van de prins, niemand had hem gezien. De koningin zat dagenlang bij het venster en tuurde de weg af, om te zien of haar geliefde zoon misschien terug zou komen. Maar haar zoon kwam niet. Wel voerde de weg Marian naar het kasteel. Aan de poort van het kasteel smeekte ze: "Doe open, laat een arme zwerfster de nacht bij u doorbrengen!"

De poort van het kasteel werd opengemaakt en daar stond de koningin. Ze nodigde het meisje hartelijk uit: "Kom toch binnen, lief kind en rust een poosje uit, dat heb je wel nodig. En als je wilt, dan kun je bij ons blijven. Je zult er ons een groot plezier mee doen, vooral nu je een kindje verwacht."

En zo bleef de mooie Marian in het kasteel, waar ze een prachtig jongetje ter wereld bracht. De oude koningin gaf haar een gouden wieg en zorgde voor een baker die 's nachts voor het jongetje zorgde.

Nauwelijks waren Marian en de jongen de eerste nacht na de geboorte in slaap gevallen, of daar ging de deur van de kamer open en stond de oude man met de selderijbaard op de drempel. In zijn hand hield hij een gouden lantaarn met een zilveren pit. Voor hij de kamer binnenging vroeg hij:
"Gouden lantaarn,
hel straalt je licht in de donkere nacht.
Vertel me met je zilveren stralen,
of mijn vrouw slaapt of op me wacht."
En de gouden lantaarn sprak de waarheid: "Ze slaapt."

Pas toen ging de oude man naar binnen. Hij liep naar het bed van zijn vrouw en naar de wieg van zijn zoon, boog zich over hen heen en kuste ze allebei, daarna legde hij een cadeau in de wieg van zijn zoon: gouden luiers en een gouden trappelzak. Toen draaide hij zich om, ging weg en sprak:
"Als bij het ochtendgloren de haan begint te kraaien
en de zon zijn baan om de aarde gaat draaien,
moet ik gaan en dat doet pijn,
ik had zo graag altijd bij je willen zijn."
Lieve Marian en haar zoontje sliepen heerlijk en hoorden niets, maar de oude baker had alles gezien en gehoord. Voor ze een woord kon zeggen, had de deur zich weer achter de oude man gesloten en was hij verdwenen. Ergens in de verte kraaide een haan en vlak daarna ging de zon op.

Nauwelijks was de nieuwe dag aangebroken of de oude baker ging naar de koningin: "Als u eens wist, wat een wonder ik vannacht gezien heb!" En ze vertelde de koningin wat er die nacht allemaal gebeurd was, wat ze gehoord en gezien had. Maar de koningin wilde het niet geloven: "Ach, lieve baker, je hebt vast en zeker gedroomd!" Maar de oude baker hield voet bij stuk en daarom stuurde de koningin 's avonds een tweede baker mee. Nauwelijks waren Marian en haar zoontje in slaap gevallen, of daar ging de deur van de kamer open en stond de oude man met de selderijbaard weer op de drempel. Hij droeg een gouden lantaarn en vroeg zachtjes:
"Gouden lantaarn,
hel straalt je licht in de donkere nacht.
Vertel me met je zilveren stralen,
of mijn vrouw slaapt of op me wacht."
En de gouden lantaarn antwoordde naar waarheid: "Ze slaapt!"

Toen ging de oude man naar binnen, kuste zijn vrouw en zoontje en legde een gouden kledingstukje en gouden schoentjes in de wieg. Daarna draaide hij zich om en zei:
"Als bij het ochtendgloren de haan begint te kraaien
en de zon zijn baan om de aarde gaat draaien,
moet ik gaan en dat doet pijn,
ik had zo graag altijd bij je willen zijn."
Marian en haar zoontje sliepen vredig, maar de beide bakers hadden alles gehoord. Voor ze een woord konden zeggen, was de deur weer gesloten en de oude man verdwenen. Ergens in de verte kraaide een haan en de zon ging op. De beide oude bakers liepen snel naar de koningin: "Als u eens wist, wat voor een wonder wij vannacht gezien hebben, edele vrouw!"

En ze vertelden de koningin, wat er die nacht allemaal gebeurd was en wat ze gezien en gehoord hadden. Maar de koningin wilde het weer niet geloven. "Ach, lieve bakers, jullie hebben vast en zeker gedroomd!" Maar de oude bakers bleven volhouden en de koningin ging zelf op onderzoek uit. Ze ging in een hoek van de kamer van Marian zitten en wachtte op wat er zou gebeuren. Nauwelijks waren Marian en haar zoontje in slaap gevallen, of daar ging de deur open en stond de oude man met de selderijbaard weer op de drempel. Hij droeg een gouden lantaarn en vroeg zacht:
"Gouden lantaarn,
hel straalt je licht in de donkere nacht.
Vertel me met je zilveren stralen,
of mijn vrouw slaapt of op me wacht."
En de gouden lantaarn antwoordde naar waarheid: "Ze slaapt!"

Toen stond de oude koningin op en riep: "Maar ik slaap niet. Zeg op, wie ben je?" En ze greep de oude man bij zijn jas.

Maar de oude man was vlugger. Hij schoot uit zijn jas en was spoorloos verdwenen. Ergens in de verte kraaide een haan en vlak daarna ging de zon op.

Nu geloofde de koningin wat de bakers verteld hadden. Ze had de jas van de nachtelijke bezoeker in haar hand en in zijn zak vond ze iets wonderbaarlijks: er waren selderijbladeren ingenaaid.

De oude koningin riep haar raadgevers bij zich: "Vertel me eens, slimme mannen, wat zou dat te betekenen hebben, wat moet ik doen?"

De slimme mannen dachten een hele tijd na en vonden toen een verstandige oplossing. "Het beste zou zijn, edele vrouw, als u de bladeren in het vuur gooit!"

De koningin volgde hun raad op. Ze gooide de bladeren in het vuur en dat was een goed besluit, want nauwelijks waren de bladeren verbrand, of er klonk hoefgetrappel op de binnenplaats van het kasteel. Een onverwachte gast bracht een bezoek aan het kasteel. Toen hij van de koets stapte huilden de kasteelbewoners van vreugde. Het was de verloren zoon van de koningin, het was de man van Marian. Zijn afschuwelijke oude gezicht was verdwenen. Maar zijn heldere ogen had hij behouden en daar herkende Marian hem aan. De knappe prins kuste zijn oude moeder, kuste zijn jonge vrouw en nam zijn zoontje op zijn arm: "Ik dank jullie allemaal voor de trouwe liefde, want zij verbrak de betovering van de boze heks. Zonder jullie zou ik tot aan mijn dood in het kasteel onder de grond hebben moeten wonen. Zonder jullie zou ik mijn hele leven de selderijkoning gebleven zijn!"

En zo eindigde het als in een sprookje. De betovering van de boze heks was verbroken en de koningin had haar verloren zoon weer terug. Marian had haar lieve man gered. Zijn afschuwelijke selderijbaard was voorgoed verdwenen, de prins was jong en knap. Alleen zijn naam bleef hij voor altijd houden. Men bleef hem Koning Selderij noemen.


*   *   *

Marian en de selderijkoning Samenvatting
Een Hongaars sprookje over een betoverde prins. Wanneer Marian - een boerendochter - voor het avondeten selderij uit de grond wil halen, wordt ze meegesleurd naar een ondergronds rijk. Daar woont een oude en lelijke selderijkoning met wie Marian trouwt. Ze overtreedt echter een verbod en wordt verbannen. Wanneer ze even later een zoon baart, wordt ze elke nacht stiekem door hem bezocht. Hij blijkt een betoverde jonge prins te zijn... Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2

Herkomst: Hongarije
Verteltijd: ca. 20 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook