Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 28 min.
Herkomst:

Mooi-Ann van Velp Een Gelderse sage over kasteel Biljoen in Velp

Velen hebben de geschiedenis al verteld, die smartelijk is van het begin tot het einde, van Mooi-Ann van Velp en de jonkheer van Biljoen. In de zomer, als de bosbessen vol en zwart zijn, trekken de vrouwen en meisjes erop uit, om deze te plukken, en ze vergaren de rijpe vruchten in karren, waarmee ze naar de steden rijden. Dan roepen ze heel langgerekt, in eentonigen dreun: "Mooie bosbessen te koop! Prachtige bosbessen te koop!" Sommigen zeggen dat Mooi-Ann de dochter was van de heer van Velp en deze vertellen, dat het lange jaren geleden is geschied. Maar dat is niet waar. Zij behoorde tot de bosbessenpluksters en de heer van Biljoen zag haar voor 't eerst, toen zij aan het werk was. Het zonlicht speelde in het bos en de vogels zongen. Haar jong figuur had zich over de struiken gebogen en haar fijne handen plukten. Een eenvoudig meisje uit het volk en de trotse, slechte heer die lachte. Ze keek om en was verschrikt. Hij naderde haar.

Mooi-Ann van Velp"Wie ben je?" vroeg hij. Ze durfde hem niet te antwoorden. "Ik zal je niet opeten," lachte hij. "Weet je wel, mijn kind, dat je mooi bent?" Wat zou ze moeten zeggen? Ze wilde weer aan 't werk te gaan, maar ze moest naar hem kijken, zoals hij daar stond, zelfbewust en zeker van zijn onweerstaanbaarheid. "Weet je wel, hoe ik heet?" Nauwelijks hoorbaar zei ze: "Ja, u bent de heer van Biljoen." - "Goed," antwoordde hij, "maar nu wil ik jouw naam ook weten." - "Men noemt me Ann van Velp." - "Mooi-Ann van Velp zal ik je noemen. Mooi-Ann, wil je met me meegaan, en op mijn kasteel wonen?" - "Het past mij niet om met u mee te gaan. Ik ben maar een arm meisje."

De heer van Biljoen richtte zich rechtop, en schuw bezag ze hem. Hij stond fors voor haar, 't blonde haar golfde onder-uit zijn blauwe baret, zijn voorhoofd was hoog, zijn neus gekromd, zijn lippen rood. Hoe angstig en rustig moest het wezen, om aan zijn borst te liggen en door zijn sterke, dikke bovenarm te worden omvat. Hij wist, dat hij haar bekoorde. Hij glimlachte. Ze was iets kleiner dan hij, al scheen ze met hem schouder aan schouder te staan. Haar blond haar droeg ze los, en het viel bandeloos neer, in wijde golven langs de ronde arm tot aan de kloeke heup. Dit was haar grootste bekoring, dat haar gelaat kinderlijk was en haar wezen een vage, jonge lijn van schoonheid. Haar glimlach was vertrouwend - ach! waarom had ze de jonkheer van Biljoen lief vanaf het eerste moment dat ze hem ontmoette?

"Wat doe je dan de hele dag, Mooi-Ann?" - "Ik werk voor mijn moeder. Voor mijn moeder werk ik, in schuur en stal, in 't huis en op den akker, overal." En hij zei: "Maar arbeid geeft maar zorgen, en geeft maar angst en pijn. Wanneer je mij zal volgen, zal je zonder zorgen zijn!" - "Nee! nee!" riep zij in vertwijfeling, "ik wil u niet volgen, ik ben bang voor u." - "Waarom dan? Zie ik er zo uit om bang voor te zijn?" Hij kwam naderbij, en nam haar hand. Zij sloeg haar ogen neer. Toen begreep hij, dat zijn wil de hare was, en woest sloot hij haar in zijn armen. Van dit ogenblik was zij hem onderdanig. Zij vergat, dat zij een moeder had. Hij gaf haar kostbare kleren, want wreed wilde hij, dat zij schoon was. Wat bleef er over van het meisje, dat bosbessen had geplukt, om haar brood eerlijk te verdienen?

Er woonde op het kasteel van Biljoen een oude meid, die ijverzuchtig was, dat Mooi-Ann een dame werd, en haar bevelen mocht. Vroeger had zij het meisje wel gekend als een arme deerne, gelijk aan de anderen in het dorp. Moest ze haar nu bedienen, als was ze van adel? Ze was een listig karonje, de oude meid. Ze wachtte 't ogenblik af, dat de jonkheer minder van Mooi-Ann hield dan vroeger. Mooi-Ann? Mooi-Ann? Het was niet lang geleden, dat ze Mooi-Ann werd genoemd. Toch, wat was er van haar schoonheid gebleven?

Als de jonkheer een dag uitgereden was, zat zij alleen te schreien. Er was niet even geluk geweest, sinds zij de heer had ontmoet. Had zij gemeend, dat zij rust zou kennen? Was liefde dan ongeluk? En ze had den jonkheer lief, die haar in mooie kleren stak, doch die nooit anders dan slecht voor haar was. Hij had nog niet gezien, dat zij schreide: de eerste tranen hadden geen sporen nagelaten. Hoe zou het zijn, als eindelijk de groeven scherper werden, en de jonkheer dan zeker de oorzaak van haar smart zou weten? Ze huiverde... Als zij van het kasteel werd gejaagd, waarheen zou ze dan moeten gaan? De schande... Ze wist, dat de oude meid haar haatte. Dikwijls had zij die haat gevoeld, altijd gezwegen, als een scherp woord. Ze moest ervoor zorgen, dat de oude meid haar geheim niet ontdekte. Mooi-Ann deed altijd vrolijk, opdat de ander niets zou merken. Ze trachtte te lachen, ze deed of ze gelukkig was, het arme, verlaten kind. Lang kon dit niet duren.

Want eens, toen de jonkheer verveeld en moe thuis gekomen was, en eenzaam bij het haardvuur zat, klopte de meid zachtjes aan de deur. Ze trad binnen. Ze vertelde hem, dat die middag Mooi-Ann gehuild had en ze wist wel waarom. Ze fluisterde en hij vloekte. Toornig riep hij, dat zij de deerne bij hem zou brengen. 't Was anders dan enige maanden geleden, nadat hij haar in het bos had gezien, een mooi kind uit het volk, dat haar brood verdiende. Het was een schreiend wicht, dat angstig bij hem stond. Op al zijn vorsende vragen antwoordde ze "ja."

Hij vroeg: "En als ik je uit 't kasteel jaag, zul je dan mijn naam te schande maken?" - "Nee heer!" - "Je bent lelijk geworden! Dat ik dat nu pas zie!" Ze wist geen antwoord te geven. Ze had kunnen zeggen: "door uw schuld" - wat kan men echter van zo'n meisje verwachten? Dreigend verhief hij zich. "Dat zal niet gebeuren," zo zweerde hij. "Wat zult u met me doen?" wilde ze angstig vragen. Ze zweeg. Minachtend bezag hij haar. "Het is nog tijd." Toen sprak ze het uit, wat zij gevoelde. "Doe alles, wat u met me wilt - Dood me, dat is beter."

Nooit had hij haar liefgehad. Wie kon zo spreken tegen een vrouw, als hij ook maar één oogwenk in zijn leven van haar had gehouden? Alles was beter dan te blijven leven. In den dood zou ze niet meer schreien. In den dood zou zij zich wreken. Het was avond, en de vijver van het slot Biljoen was roerloos. Niet één rimpel bleef. Onbewegelijk was ook de schemer boven het water. Toen klonk er een schrei. 't Kon van een vogel geweest zijn, die in zijn nest werd verschrikt, of van een hulpeloos dier, dat door een vos werd gegrepen. Waarom van een mensch?

't Werd even stil, de stilte, als een levend wezen luistert, of er ergens geluid is. 't Water van den vijver spatte hoog. Het zou wel een groote steen zijn, die in de kolk werd geworpen. Soms deden dat de jongens uit het dorp, hoewel het eigenlijk al te laat was,
om dat te denken. De stilte kwam terug. Het was niets geweest. Den volgenden ochtend vond men het lijk van Mooi-Ann tussen de biezen. Zeker had zij zichzelf gedood. Wie durfde de jonkheer van Biljoen te verdenken!

Mooi-Ann van VelpTwee jaren waren voorbijgegaan. Toen kwam, een avond, een jonge man uit Velp, langs het slot. In 't bos, waar hij doorging stond een hoge eikeboom. Terwijl hij bedaard doorstapte, zag hij plotseling tegen de stam geleund, een hoge, witte gedaante. Eerst was hij verwonderd, en hij naderde iets. De gestalte wenkte hem. Hij deinsde terug, en sprak de aloude, goede spreuk:
"Zo ge van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij."
De nevel week. In de verte hoorde hij een milde stem, zeggend: "Ken je me dan niet weer? Ik ben Mooi-Ann! Morgen wacht ik nogmaals." De volgende avond keerde hij terug. Gedurende de dag had hij geworsteld als door een brede stroom, welks vaart tegen hem was gewend. Ieder uur was een vijandige stortgolf, en al strijdende had hij slechts één gedachte: "Hoe zal het eindigen?" De avond was een weefsel van nevel. Hij had zijn ogen half-gesloten, en nu zag hij haar duidelijk voor zich. Ze was in het witte kleed, dat de jonkheer van Biljoen haar had geschonken, en in 't goud-blonde haar, dat ze had gekapt als een dame, blonken de edelstenen. Ze had zijden schoenen aan met zilveren gespen, of ze ten dans ging. Om haar blanke hals droeg ze een ketting van parels.

Hoe wist hij, dat haar ogen blauw waren? Het was toch een avond schemerend en onwezenlijk, waarin geen kleuren standhielden. Wat was Mooi-Ann anders dan een nevel? Hij stond stil. Zij was na zijn woorden geweken. Ze was niet van God. Van de duivel was ze. Het zou 't beste zijn dat hij terugkeerde. Waarom toefde hij? Aan 't eind van het bos wachtte hem Mooi-Ann. Ze hield haar armen naar hem uitgebreid, en diep haalde hij adem, voor hij zijn weg naar haar vervolgde. Nadat hij haar dichterbij was gekomen, zweeg hij; hij vond de woorden niet, welke hij de avond te voren had gezegd:
"Zo ge van God zijt, kom nader. Zijt ge van de duivel, wijk van mij."
Het was of zijn bloed hem anders drong. Hij moest tot zichzelf zeggen:
"Zo ge van God zijt, wijk. Zijt ge van de duivel, nader dan."
Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid. Een zware bloemengeur woei uit haar kleren. Haar ogen, die hem star aanzagen, waren de lokkende zonde. Welke man zou niet eeuwig verdoemd willen zijn, om haar blanke armen te kussen. Haar rode lippen waren het verderf der ziel. Haar voeten stonden op 't gras, en vertrapten de madeliefjes. Hij kon niet meer vluchten. Was dit Mooi-Ann, die eens door de wreden jonkheer verrast werd bij het plukken van bosbessen, en die zich angstig gevoelde, om met de heer mee te gaan? Ze trad naderbij en sloeg haar armen om hem heen.

"'t Is goed, dat je gekomen bent," zei ze met matte stem, "ik heb naar je verlangd, maar ik wist dat je komen zou, anders had ik niet gewacht." - "Hoe wist je dan dat ik komen zou?" Ze lachte. "Ik kan tegenwoordig in de sterren lezen." Toen werd haar stem ernstig. Ze vroeg: "Je hebt zeker een meisje lief?" - "Nee," antwoordde hij zuchtend, "sinds gisteravond niet meer. Ik was verloofd - nu ken ik er maar één, en dat ben jij, Mooi-Ann." - "Dat is beter dan een ander," lachte ze. "Ben ik niet mooi?" Ze nam een roos, die ze op haar kleed had gedragen. Die gaf ze hem. "Ruik aan deze roos, als je niet meer aan me denkt." Hij kuste haar. De nacht sloot zich over hen beiden en een muur was de stilte van het bos. De tijd gleed langs heen. Hij hoorde het ruisen van de tijd niet, zo ver was het. Vol medelijden wachtte het licht van de morgen, waarschuwend met een schemer, dat de dag moest komen. De jonge man stond haastig op. Er was niets naast hem. Hij had gedroomd...

Toch, hij hield in zijn hand een bleek-roze roos. Hij rook er aan, en hij dacht aan de mooie neveling, die hij de gehele nacht had liefgehad. Met lome schreden liep hij huiswaarts: Wat zou er geschieden, wanneer hij zijn meisje weer ontmoette? Wat zou hij zeggen? Als hij haar eens moest verklaren, hoe hij aan de roos kwam. Wanneer ze hem deze avond bij de berken wachtte, opdat ze samen zouden gaan, zoals 't vroeger hun gewoonte was. Een hevige pijn was zijn angst, want thans zou 't alles anders worden. Hij hoopte, dat het lang zou duren, voor hij zijn meisje weer zou zien.

Ze kwam reeds voor de middag, en, toen hij haar zag, bedacht hij schamper, hoe ze van Mooi-Ann verschilde, in gelaat en kleding. Haar stem klonk hem ruw. Had hij vroeger van haar gehouden? "Was je gisteravond ziek, dat je niet kwam?" - "Nee," zei hij somber, "ziek was ik niet. Waarom denk je dat?" - "Ik heb op je gewacht, maar ik had er nog kunnen staan. Waar was je?" - "Ik ben op mijn eentje uitgeweest. Mag ik dat niet?"

Ze keek hem verbaasd aan. Hij had haar nooit veel van liefde gesproken, en dat had ze ook niet verlangd. Ze mocht hem gaarne, en als ze aan de toekomst dacht, werd zijn beeld nooit vergeten. Ze zouden op een boerderij wonen, als man en vrouw. Meer behoefde ze niet te weten. Dat was haar liefde en haar geluk. "Ik hoop, dat ik vanavond niet hoef te wachten," sprak ze lachend. Ze meende, dat hij ook zou lachen, maar zijn gelaat bleef ernstig.

"Je hoeft niet op me te wachten," zei hij, "ik kom nooit weer." - Nog meende zij, dat hij gekscheerde. Ze nam speelsch zijn hand. "Ben je gisteravond naar de herberg geweest?" - "Nee." - "Waar was je dan?" - "Daar heb je niets mee te maken."

Toen eerst wist zij, dat hij haar haatte om een geluk, welk ze niet geven kon. Wanneer zij woorden voor haar leed had gekend, zou ze gezegd hebben, dat zij van hem hield. Ze wist niets te doen dan te zwijgen, maar ze nam haar schort, en legde die voor haar oogen. Weg was de toekomst, met den man, de boerderij, den bongerd en de koeien. Een donkere laan lag voor haar. Ze was bang, om erin te gaan, zo alleen.

"Je hoeft me nooit meer te wachten," zei hij nors. O! de eerste schrede in de donkere laan. Er was niets van haar hoop gebleven. Haar eenvoudige ziel wist, dat er een ander meisje voor haar in de plaats was gekomen, en, haar schort stijf tegen de ogen geperst, overdacht ze gauw, wie 't wezen kon. Martha was 't niet en Mina niet en Aaltje niet en Guusje niet en Fine niet en Sine niet. Wie kon 't wezen? Ze gluurde over de boezelaar. "Wie is 't?" vroeg ze. Hij staarde haar verwonderd aan. "Wat meen je?" De ogen kwamen nu geheel boven de schort uit. "Met wie heb je nou verkeering?" Hij schaterde van het lachen. "Met Mooi-Ann." Ze liet den boezelaar van pure bevreemding vallen. Haar ogen werden zo groot, of er tussen jukbeen en wenkbrauw geen plaats meer voor ze was. Thans keerde de hoop terug. Hij hield haar voor de gek, de dwaze jongen! De boerderij bestond weder. Ze zag zichzelf met de melkemmers naar de weide gaan. Hij deed niets dan lachen.

"Wat ben je d'r eentje," zei ze. - "Kom vanavond naar de vijver en je zult het zien." Hij liep zijn huis binnen. Ze bleef nog even wachten. Aarzelend ging ze heen. Aldus heeft een mensenziel aanschouwd, wat er met hem die avond geschiedde. Ze stond in 't bos, en zag haar jongen, die haar voorbijliep, zonder op haar te letten. Uit de vijver steeg een nevel, die naar de man toeschreed, met licht-glijdende passen. Het meisje stiet een kreet uit, maar haar verloofde hoorde 't niet. Hij en de nevel naderden elkaar. Ja, het was Mooi-Ann. Hoe had ze kunnen geloven, dat 't een nevel was? "Mooi-Ann," gilde ze. Mooi-Ann was nu vlak bij de jongen. Ze wenkte hem, hij volgde. Het meisje riep zijn naam. Hij zag niet om. Hij liep rustig zijn noodlot tegemoet. Aan de vijver beidde Mooi-Ann hem. "Kom," fluisterde ze, "ik heb je lief." Thans weder werd ze een nevel, sluierend over het water. Langzaam boog hij zich voorover. "Kom." Hij liet zich in de vijver vallen. Toen hoorde 't meisje een schaterenden lach. Het was Mooi-Ann, die zich had gewroken. Het was het eerste slachtoffer, dat ze gemaakt had. Er zouden er meerderen volgen.

Zo was er een jong gezel, die naar Arnhem kwam, om een ambacht te leeren. De wereld was nog voor hem als een diep bos, en hij kende nog slechts de eersten angst en het eerste verlangen, om het leven te kennen. Zijn vader had gezegd, toen hij heenging: "Kom als een man terug." Zijn moeder had geschreid: "Blijf altijd dezelfde, die je nu bent."

Zo was hij heengegaan. Welke raad had hij te volgen? Op een avond naderde hij Velp. Bij de vijver van 't kasteel van Biljoen bleef hij even staan, en toen voelde hij, dat hij moe was. Hij besloot om te gaan rusten. Hij legde zich op de weke grond en spoedig sliep hij. Hij wist niet, hoelang hij had geslapen, nadat hij in een blijde, onwezenlijke droom ontwaakt was. 't Was al nacht. Het maanlicht en 't sterrenlicht legden een witte sluier over alle dingen, een zelfde glans over grond en water. Er waren geen geheimen, die nacht! De jonge gezel vond het een weelde, om alles te bezien.

Eensklaps werd hij op zijn schouder getikt. Hij richtte zich op. Hij was verlegen dat er een meisje stond, en zij glimlachte om zijn verwarring. "Wie ben je?" vroeg zij. Hij noemde zijn naam. "Dan ben je niet uit Velp?" - "Nee," zei hij. Even wachtte ze. Vervolgens nam zij zijn hand. "'t Is goed, dat je bij me bent gekomen, als je hier vreemd bent. Heb je nog nooit in je leven van een meisje gehouden?" - "Nee, nog nooit." - "Heb je nooit van me gehoord?" vroeg ze weer. "Nee nooit!" - "Ik ben Mooi-Ann van Velp. Er is niemand in 't dorp, die me niet kent."

Haar liefelijke glimlach verkwikte hem. Hij voelde hoelang hij gezworven had, en hoe mat hij was. Hij wilde in haar armen dromen, terwijl zij hem aankeek. Al het leed en geluk van deze wereld zouden haar kussen hem kunnen geven. Voor 't eerst strekte hij zijn armen naar een vrouw uit. "Kom aan de vijver zitten," nodigde hem Mooi-Ann. Hij volgde haar. Was hij anders dan een dronkaard in zijn liefde? Met wankelende passen ging hij, blind-starende. Als Mooi-Ann eens, toen ze de jonkheer van Biljoen had gezien, was hij. De naam van zijn moeder had hij vergeten. Zijn ziel was door de liefde bevlekt, ja, zo hij was blijven leven, voor altijd besmet. Van de eersten, teedere droom, vóór ze hem gevraagd had, met haar mee te gaan, bleef zelfs de herinnering niet over. Het was gelukkig, dat hij stierf. Het maanlicht was over land en water gelijk. Hij merkte niet dat hij met haar in de vijver schreed. Hij zonk in de diepte neer, en smetteloos, vol van glans, sloot zich het water over hem. De nacht verloor niets van de gloed. Mooi-Ann lachte niet, want ze dacht aan haar eigen ondergang terug.

Dit is de sage van Mooi-Ann. Zij gaf dezelfde smart welke zij ontvangen had eerlijk terug en ze was een schakel uit de ketting des verderfs.


*   *   *

Mooi-Ann van Velp Samenvatting
Een Gelderse sage over kasteel Biljoen in Velp. Een spookverhaal: een jong meisje heeft een verhouding met de jonkheer van kasteel Biljoen. De jonkheer ontvoert haar, maar door één of andere omstandigheid, komt zij in de vijver terecht en verdrinkt. Sinds die tijd verschijnt ze als nevel en klampt mannen aan om hen hetzelfde lot te laten ondergaan wat haar is overkomen. Lees het verhaal

Toelichting
Kasteel Biljoen is een van de oudste kastelen van Nederland. De eerste vermelding van het kasteel dateert uit 1076. In een akte is dan sprake van een schenking van "de Broekerhof" door Hendrik IV aan het kapittel van het bisdom St. Pieter te Utrecht. Het toenmalige huis (er was waarschijnlijk nog geen sprake van een kasteel) werd gebouwd op de grens van droog en nat: tussen de heuvels van de Veluwezoom en de uiterwaarden van de IJssel.

In 1530 werd "de Broekerhof" verkocht aan Karel van Gelre. Deze liet een nieuw Broekerhof bouwen, gebruik makend van materialen, afkomstig van het door hem verwoeste kasteel Overhagen, dat ten zuiden van Biljoen was gelegen. Vanaf dat moment kreeg de Broekerhof de naam "Biljoen."

Het verhaal is een voorbeeld van 'naloop' - het bijgeloof dat gestorvene nog als geesten op aarde blijven. Opvallend is, dat Mooi-Ann zich niet op de jonkheer zelf wreekt, deze blijft na haar dood even gezien als hij vroeger was, en ook de dienstmeid leeft volkomen onbezorgd verder.

Trefwoorden


Thema

Feest / viering

Verhaalsoort

Bron
"Nederlandsche sagen en legenden" door Josef Cohen met 32 illustratiën in kleurendruk en zwart door Pol Dom. Eerste deel, Zutphen, W. J. Thieme & Cie, 1921.

Herkomst: Gelderland
Verteltijd: ca. 28 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook