TOELICHTING:Het sprookje is samengesteld uit drie verschillende versies, waarvan een uit Zwehern. Het is bij alle volken in Europa bekend, maar ook in Afrika en Azië zijn soortgelijke verhalen opgetekend.
Assepoester betekent volgens sommigen degene die op de nederigste plaats is gezet, volgens anderen degene die voor het heilige haardvuur zorgt, een priesteres. Assepoester letterlijk: zij die in de as blaast om het vuur aan te wakkeren. Oorspronkelijk: assevijster (vijsten of veesten: blazen).
In veel sprookjes en sagen is de held in zijn jeugd lui en hangt rond bij de kachel (zie b.v. Preussler: De avonturen van Sterke Wanja).
Zoals in veel sprookjes, begint het verhaal als de moeder sterft, het verhaal van de weg van de eenzame ziel.
Assepoester is een zeer poëtisch sprookje. Er zijn zeer verschillende uitleggingen van gegeven. De mysterieuze band met de moeder, met het rijk der doden geeft aan het meisje de mooie kleren. Ook de duiven zijn boden van dat hemelse rijk, boden van hemelse vrede. De pereboom is een tegenbeeld van de appel die in de meeste sprookjes een rol speelt. In de pereboom verdwijnt Assepoester uit het zichtbare, met de appel komt een mens op aarde of zelfs onder de aarde terecht.
Verwant met
De Kikkerkoning of IJzeren Hendrik,
Het zingende springende leeuwerikje,
Eenoogje, Tweeoogje en Drieoogje en
IJzeren Hans.
Het sprookje Assepoester verscheen voor het eerst in een verhalenverzameling van Giambattista Basile (1575-1632) getiteld: Lo cuntode li Cunti of Pentamerone (rond 1634/1636). Basile heeft de verhalen waarschijnlijk zelf verzameld en bewerkt. Het Assepoester-verhaal is het zesde sprookje uit de bundel getiteld: La Gatta Cenerentola (De haardkat). Het Italiaanse verhaal heeft waarschijnlijk Perrault geïnspireerd tot zijn Assepoesterverhaal. Deze versie zou later door de gebroeders Grimm gebruikt worden.
Dit sprookje komt in vele landen voor. Grimm noemt: Italië, Frankrijk (Perrault, waar Assepoester geen gouden, maar glazen muiltjes heeft), Noorwegen, Hongarije en Servië.
Het sprookje van Assepoester is veelvuldig door literatoren bewerkt en gebruikt als stof voor opera en ballet o.a. door G. Rossini (La Ceneréntola, 1817), J. Strauß en S. Prokovjev (Assepoester, 1944). Bij voorkeur wordt de tekst van Perrault gebruikt, waarschijnlijk omdat de heldin hierin meer dan in de Grimm-versie op zichzelf is aangewezen. Ook als kinderboek en kinderprent is het Assepoester-sprookje zeer populair. Walt Disney heeft het sprookje, op basis van de Perrault-versie, in 1950 verfilmd (Cinderella). Filmische parodieën treffen we onder meer aan in een slechte muzikaal-pornografische rolprent getiteld Cinderella 2000 (USA 1977) en in het komische Cinderfella uit 1960 met de Amerikaanse komiek Jerry Lewis in de hoofdrol.
Dit is ook een Efteling sprookje: een sprookje of verhaal dat wordt uitgebeeld in het attractiepark De Efteling in Kaatsheuvel. Sommige sprookjes zijn uitgebeeld in het sprookjesbos, andere hebben elders in het park een plek in een wat bescheidener vorm.
De tekst van de sprookjes en verhalen op de Wereld Volksverhalen Almanak zijn de oorspronkelijke teksten. In de Efteling en in diverse tekst- en audioweergaves van de Efteling wordt vaak gebruik gemaakt van beknoptere versies van het desbetreffende verhaal.
| SOORT: | Volkssprookje, Eftelingsprookje, Wondersprookje |
| HERKOMST: | Duitsland |
| LEEFTIJD: | Voor kinderen vanaf 7 jaar en ouder |
| VERTELTIJD: | ca. 16 min. |
| OORSPR. TITEL: | Aschenputtel |
| ENGELSE TITEL: | Cinderella |
| AT-NUMMER: | AT 0510 - Cinderella and Cap o'Rushes ⇒ Assepoes ⇒ Assepoester (in rijmvorm) |
AUTEUR: | Gebroeders Grimm, Jacob en Wilhelm Grimm | | TREFWOORDEN: | schoen, pompoen, prins, glas, peetmoeder, betovering, gouden schoen, stiefzus, stiefmoeder, duif, witte vogel, bruid, voet, as |
| MOTIEF: | prins op het witte paard, ware liefde, betovering, dier als helper, dienstbaarheid |
| SPREEKWOORD: | Wie de schoen past, trekke hem aan |
| FEEST/VIERING: | |
| BRON: | "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel. Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984. |
| |