TOELICHTING:Bewerkt naar: E. Laurillard, De Zeven Hoofdzonden, zeven voordrachten (Amsterdam 1873), pp. 144-146. Hij tekent hierbij aan: "Dit verhaal, o.a. voorkomende in de Hist. Rom. Huisbibliotheek van Engelbert Gerrits en van den Heuvel, 1858, II, 246 en verv. herinnerde mij vanzelf de vertelling Der Schatzgräber van Chr. Schmid, waarin een man van denzelfden stempel als Professor Slenderhenk een boer weet op te winden door de verzekering, dat ergens in zijn akker een schat verborgen moet wezen. Men gaat graven en men stoot al spoedig op een kist. De boer is opgetogen en brandt van verlangen om de kist geopend te zien. Maar nu beweert de wonderman, dat hij nog een geheime scheikundige bereiding koopen moet, zonder welke het goud in de kist, bij opening, terstond zou verkolen. De boer stelt hem daarvoor zonder aarzeling twintig dukaten ter hand, maar ziet noch den man, noch het geld ooit terug, en als eindelijk de kist ontsloten is, blijkt die niets te bevatten dan steenen, met dit rijmpje er bij:
Die zoekt vindt altijd iets, soms wat hij niet kon meenen,
Zo hebt gij goed gezocht, en vindt een stapel steenen."
Het bedoelde blad bevond zich nog in 1907 op de tentoonstelling van Gooise Oudheden in het stadhuis te Naarden. Daar was ook een serie van tien platen te zien 'De Schatgraver van Muiden', aldus een aantekening van J.W.R. Sinninghe, in Hollandsch Sagenboek ('s-Gravenhage 1943), p. 278.
In 1852 vond op 21 januari te Zutphen een rechtszaak plaats, waarbij iemand veroordeeld werd wegens oplichting. Te Dinxperloo zou een schat in de grond gezeten hebben, die slechts te verkrijgen was door 30 kannen olie op de plek uit te gieten. Voor de olie was 5 per kan betaald (L.E. Bosch 'Tooverij', in Utrechtsche Volksalmanak 1853, p. 166).