Langs de Maas in Limburg bij het kerkdorp Grubbenvorst ligt op een heuvel een ruïne van een kasteel, dat het 'Gebroken Slot' wordt genoemd. Men vindt er de overblijfselen van twee ronde torens en van wat muren. Dat is alles wat er over is van het kasteel, dat vermoedelijk door troepen van de Hertog van Parma in 1585 werd verwoest.

Aan het eind van de zestiende eeuw gebeurde het dat een vogelvrij verklaarde jonge edelman in een herberg in Grubbenvorst onderdak vond. Als snel werd de jonge ridder verliefd op de dochter van de waardin, een beeldschoon meisje. Zij beantwoordde zijn liefde en overal zag men hen samen en ze zwoeren elkaar eeuwige trouw. De jonge edelman had echter de gewoonte om 's nachts in de maneschijn de ruïnen van het Gebroken Slot te bezoeken en daar alleen rond te wandelen. Dit zorgde al snel voor praatjes en de dorpelingen vonden hem niet helemaal pluis. Hij trok zich er echter niets van aan.
Op zekere nacht, toen de jonge ridder de slaap niet kon vatten en besloot weer een wandeling bij het Gebroken Slot te maken, hoorde hij op de Maas de gelijkmatige slag van roeiriemen. Het maanlicht hielp hem om twee gedaanten te herkennen, die uit het bootje aan wal stapten en even later het voetpad naar de ruïne insloegen. Het waren een jonge man en een jonge vrouw. Hij meende de stem van de laatste al gauw te herkennen. Het was zijn geliefde, de dochter uit de herberg, het meisje dat hij had uitverkoren.
Hij hoorde de man het meisje verwijten maken over haar vriendelijkheid tegenover de jonge edelman. Zij antwoordde echter: "Och, maak je niet zo druk als ik lief tegen hem doe. Meen niet dat mijn hart aan hem toebehoort. Je weet dat ik slechts jou bemin."
De jonge ridder kon zich niet inhouden en snelde naar haar toe. Hij verweet het meisje huichelarij. Al snel kreeg hij van de jonge man die bij haar was een klap voor zijn hoofd, waardoor hij achterover tuimelde en in een van de krochten van de ruïne viel. Het paar hoorde een doffe bons. Zij bogen zich over de diepte heen en hoorden nu de stem van de jonge ridder. Stervend riep hij haar nog toe: "Wee, drievoudig wee! Gij zult geen rust meer vinden op deze aarde en ook nog na je dood zul je altijd aan deze ruïne gekluisterd blijven." De schrik sloeg het meisje om het hart en zij stierf drie dagen later aan hevige koortsen. De vloek van de jonge edelman ging in vervulling. Nu dwaalt zij rond op het Gebroken Slot, wenend om haar ontrouw.
Over de brokkelige muren van het stukgeschoten kasteel bij Grubbenvorst zweeft nu een 'witte juffer' rond, een vrouw die altijd een wit lijkkleed draagt. Alleen 's nacht kan men het spook ontmoeten, bij de ruïne en bij het voetpad van daar tot aan de Maas.
Het moet op zekere nacht gebeurd zijn dat een boer, die gezellig had zitten kletsen bij de buren, opstapte. Zijn buurvrouw waarschuwde hem dat hij niet langs de ruïne moest lopen. "Ik ben voor geen tienduizend witte wieven bang, als ge dat soms bedoelt," zei de boer. En hij vertrok. Hij draaide zich nog eens om en riep lachend: "Ik zal nog even met dat spook gaan dansen." Angstig keken de buren hem na.
Intussen wandelde de boer op zijn gemak naar huis. Toen hij in de buurt van de ruïne van het Gebroken Slot kwam, voelde hij zijn hart toch wat sneller kloppen. Het was er akelig stil. Plotseling zag hij een witte verschijning op de oude muren van het kasteel. De 'witte juffer' kwam recht op hem af, greep hem plotseling bij de armen en draaide met hem in het rond, zonder ook maar iets te zeggen.
De boer schrok zich een ongeluk. Hij moet dansen met de 'witte juffer' of hij wilde of niet. Het werd een vreselijke dans, want de volgende dag vond zijn buurman hem dood bij de ruïne. Er lag alleen maar een klein wit pijpje naast hem.
Sindsdien zal niemand het 's avond of 's nachts in zijn hoofd halen langs de ruïne van het Gebroken Slot te lopen...