Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 14 min.
Herkomst:




Izmir en de duivel met drie koppen Een Turks volkssprookje over een jongen die de duivel verslaat

In de tijd dat de volgelingen van Mohammed talrijk waren en de islam zich over de gehele wereld verspreidde, leefde er een vrouw die drie zonen en een dochter had. De jongste zoon Izmir was niet alleen dom, maar ook erg lui. Hij deed niet veel meer dan de hele dag op de warme as slapen.

Op een keer, toen de twee oudste zonen naar het veld gingen om er te werken, zeiden zij tegen hun moeder: "Maak voor ons wat eten klaar en laat je dochter ons dat brengen."

Wat niemand wist, was dat de duivel met drie koppen zijn tent in de buurt had opgeslagen. Toen het meisje daar voorbij kwam, liet de duivel haar verdwalen, zodat zij de weg naar het veld niet kon vinden. Na een tijd rondgelopen te hebben, kwam zij de vrouw van de duivel tegen die haar vroeg wat zij hier zocht. "Ik ben de weg kwijt, moedertje," antwoordde het meisje. "Ik moet naar ons veld om mijn broers wat eten te brengen."

"Doe dat maar niet," zei de vrouw. "Dadelijk komt de duivel met drie koppen hier, en wanneer hij je ziet, is het met je gedaan!"

Nauwelijks waren de woorden uit haar mond, of de duivel stond al vóór hen. Hij sperde één van zijn muilen wijd open en verzwolg het arme kind.

Intussen wachtten de twee broers ongeduldig op hun eten. Het werd middag en het werd avond en nog steeds was hun zus niet komen opdagen. Er zat voor hen niets anders op dan met een rammelende maag naar huis te gaan. Zij hoorden toen van hun moeder dat hun zuster al vroeg in de morgen was weggegaan en nog steeds niet teruggekomen was. De volgende morgen nam de oudste jongen zijn zwaard en begaf zich op weg om zijn zuster te zoeken. Nadat hij een tijd gelopen had, zag hij een oven langs de weg staan. Er zat een oude man naast die hem vroeg wat hij zocht.

"Ik zoek mijn zuster die vannacht niet is thuisgekomen," antwoordde de jongeman.

"Dan geef ik je niet veel hoop," zei de grijsaard, "want de driekoppige duivel woont hier in de buurt en die verslindt iedereen die hij ontmoet."

"Ik moet en zal hem vinden," zei de jongeling vastbesloten.

"Je zult hem alleen maar kunnen verslaan, wanneer je iets van het brood eet dat in deze oven gebakken is."

De jongeman dacht dat dit geen kwaad zou kunnen en hij at iets van het brood. Even later voelde hij het brood zó opzwellen dat hij dreigde te barsten. Hij wentelde zich van pijn in het gras en wachtte tot hij zich weer beter voelde. Daarna liep hij verder en zag een groot vat staan dat met wijn was gevuld. Er zat een oude man naast aan wie hij de weg naar de tent van de duivel vroeg.

"Je zult die duivel nooit kunnen weerstaan, wanneer je niet eerst iets van deze wijn drinkt," zei de man. De oudste broer dronk wat wijn en voelde meteen dat zijn ingewanden dreigde te verbranden. Hij werd zó door pijnen gekweld dat hij bijna niet meer kon staan. Gelukkig voelde hij zich na een tijdje wat beter. Hij liep weer verder en kwam bij een rivier. Er liepen twee bruggen over, één van hout en één van ijzer. De jongeman koos de ijzeren brug en kwam toen in een veld waar twee appelbomen stonden. Aan de ene hingen groene, onrijpe appels en aan de andere mooie, rijpe. De jongen plukte een van de rijpe appels en op hetzelfde moment sprong de driekoppige duivel achter de boom tevoorschijn en verslond hem met huid en haar.

Toen de oudste zoon maar niet terugkwam, trok de tweede er op uit om de duivel te zoeken. Het verging hem niet veel beter, want ook hij liep over de ijzeren brug, plukte een rijpe appel en werd daarna door de driekoppige duivel gegrepen en verzwolgen.

Nu bleef alleen de jongste nog over, die luie knaap die altijd tussen de sintels lag te slapen. "Waar blijven mijn broers toch?" vroeg hij op een morgen aan zijn moeder, "en waarom laat mijn zuster zich niet meer zien?"

"Ik vrees mijn jongen," zei zijn moeder bedroefd, "dat zij in de macht zijn gevallen van de driekoppige duivel."

"Dan zal ik die duivel eens een lesje leren!" sprak Izmir fier, terwijl hij opstond en de as uit zijn kleren klopte.

"Ga niet, mijn zoon!" smeekte zijn moeder. "Jij bent de enige die ik nog heb. Wie zal er voor mij zorgen, wanneer jij ook in handen valt van die duivel?"

Izmir luisterde niet naar haar en verliet het huis. Hij was nauwelijks buiten of er brak zo'n geweldige storm los, dat de boeren hun ploeg moesten verlaten en een veilig heenkomen zochten. Izmir verzamelde alle ploegscharen die hij vond en bracht ze bij een smid. Hij vroeg hem er een grote lans van te smeden. Toen de lans gereed was, wierp de jongen hem in de lucht en liet hem op zijn pink neerkomen. De lans brak in duizend stukken. Hij vervolgde zijn weg en weer brak er zo'n orkaan los dat de boeren hun ploegen moesten verlaten. Izmir verzamelde nu nog meer ploegscharen dan hij de eerste keer gedaan had en bracht ze bij dezelfde smid. De man had er een heel karwei aan, maar toen de lans gereed was, was deze zó sterk dat hij heel bleef, toen Izmir hem op zijn pink liet neersuizen.

"Dat is tenminste beter werk," zei hij, en hij gaf de smid een goede beloning.

Toen hij langs de oven kwam, liet hij zich niet door de oude man verleiden om iets van het brood te eten, en evenmin dronk hij van de wijn uit het vat.

Zo fris als een hoentje kwam hij bij de rivier waar hij twee bruggen zag.

"Elke gek zal natuurlijk over die ijzeren brug lopen," dacht hij, "maar ik zal de houten kiezen." Toen hij de twee appelbomen gewaar werd, dacht hij: "Met die rijpe appels zal er waarschijnlijk wel iets aan de hand zijn. Laat ik maar een onrijpe nemen."

Toen de duivel dat gezien had, vermoedde hij dat hij een geduchte tegenstander voor zich had en hij haalde zijn lans om op het ergste voorbereid te zijn. Toen liep hij recht op Izmir af en brulde: "Wanneer je je niet aan mij onderwerpt, zal het met je gedaan zijn!"

"En wanneer jij je niet overgeeft, zal ik je in mootjes hakken!"

"Laten wij dan maar eens kijken wie van ons overwinnaar wordt," brieste de duivel. Zij vielen op elkaar aan en een tijdlang was er niets anders te zien dan één grote stofwolk en niets anders te horen dan het geluid van ijzer op ijzer. Toen het stofgordijn was opgetrokken, zag Izmir het ontzielde lichaam van de duivel op de grond liggen. Er naast lagen drie koppen en een lans die in duizend stukken was gebroken. De dappere held sneed het duivelslichaam van onder tot boven open en tot zijn onuitsprekelijke vreugde kwamen zijn zuster en zijn twee broers ongedeerd naar buiten.

Omdat zij verschrikkelijke dorst leden, bracht Izmir hen bij een bron. Hij nam hun gordels en knoopte deze aan elkaar. Langs dit touw liet hij eerst zijn oudste broer in de put afdalen, toen zijn tweede en eindelijk zijn zuster.

Toen zij hun dorst hadden gelest, zei Izmir: "Nu is het mijn beurt, maar denk er aan dat jullie mij voorlopig niet ophalen. Dat mag alleen wanneer ik roep." De jongeman zocht daar beneden naar een uitweg. Spoedig vond hij een zware deur die hij opende. Hij aanschouwde een kamer die vorstelijk was ingericht en waarin drie meisjes zaten, die stuk voor stuk even mooi waren als de maan van veertien dagen.

De meisjes waren zeer verbaasd dat er in hun onderaards verblijf een menselijk wezen was doorgedrongen en zij vroegen aan Izmir hoe hij het gewaagd had in de grot van de duivel af te dalen. "Die duivel leeft niet meer," zei de jongen kalm, "dus hoeven jullie ook niet bang voor hem te zijn. Hij bevindt zich nu op de plaats waar hij thuis hoort: de onderwereld."

"O, bevrijdt ons dan!" smeekten de meisjes tegelijk. "Wij zijn door dat monster uit het paleis van de sultan geroofd en wij zitten hier al zeven jaren opgesloten."

Izmir maakte de deur voor hen open en riep naar boven. Eén voor één werden de sultansdochters opgehaald en daarna klauterde Izmir langs het touw naar boven.

"Wie de oudste van jullie is," zei hij toen, "mag met mijn oudste broeder trouwen, zelf kies ik de jongste." Nu, daar hadden de broers niet het minste bezwaar tegen. De drie meisjes huppelden vrolijk voor hen uit. De sultan was zeer verheugd toen hij hoorde dat de driekoppige duivel, die al zovele van zijn onderdanen verslonden had, onschadelijk was gemaakt. Maar zijn grootste vreugde was dat hij zijn dochters weer terugzag en dat zij elk een goede echtgenoot hadden gevonden.

Omdat het een driedubbel huwelijksfeest was, scheen er aan het banket geen einde te komen. Van de vroege ochtend tot de late avond klonk er muziek en voerden danseressen hun bevallige dansen uit. En om het volk ook iets te gunnen, liet de sultan wijn spuiten uit de drie grote fonteinen vóór zijn paleis. Zo was dan ook iedereen tevreden en het meest de oude moeder die maar steeds mompelde: "Dat Allah mij dit nog heeft laten beleven!"


*   *   *

Izmir en de duivel met drie koppen Samenvatting
Een Turks volkssprookje over een jongen die de duivel verslaat. Twee zonen en de dochter van een arme vrouw worden door de driekoppige duivel opgegeten. Haar jongste zoon trekt er op uit om hen te redden. Wanneer dit lukt bevrijdt hij ook nog drie sultansdochters waar hij en zijn broers mee trouwen. Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volkssprookjes en legenden uit Turkije" door M. Prick van Wely. Elmar B.V., Rijswijk, 1980. ISBN: 90-6120-173-X

Herkomst: Turkije
Verteltijd: ca. 14 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook