Sneeuwwitje Grimm 053 - Sneeuwwitje Het was in 't hartje van de winter. Sneeuwvlokken vielen als veren uit de hemel neer; en er was een koningin en zij zat aan 't venster, dat in zwart ebbenhout was gezet, en ze naaide. En terwijl ze zo naaide en opzag naar 't sneeuwen, stak ze zich in haar vinger met de naald, en er vielen drie druppels bloed in de sneeuw. En toen ze 't rood zo mooi zag afsteken in de witte sneeuw, zei ze in zichzelf: "Had ik nu een kindje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, en zo zwart als dit ebbenhout." Heel gauw na die dag kreeg ze een dochtertje. En het was zo wit als sneeuw, en zo rood als bloed, en haar haar zo zwart als ebbenhout; en daarom werd ze Sneeuwwitje genoemd. Toen 't kind geboren was, stierf de koningin. Een jaar daarop nam de koning een andere vrouw. Het was een mooie vrouw, maar ze was trots en overmoedig en ze kon 't niet verdragen dat iemand mooier was dan zij. Ze had een heel bijzondere spiegel; en als ze daarvoor ging staan en zichzelf daarin bekeek, sprak zij: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van 't hele land?" dan antwoordde de spiegel: "De koningin is de mooiste van 't land." Dan was ze voldaan, want ze wist dat de spiegel de waarheid sprak. Sneeuwwitje groeide op, en werd elke dag mooier. En toen ze zeven jaar was, was ze zo mooi als een heldere dag en nog mooier dan de koningin zelf. Toen die eens aan de spiegel vroeg: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van 't hele land?" toen antwoordde de spiegel: "O koningin, heel mooi bent u,
Maar Sneeuwwitje is duizendmaal mooier nu!" Daar schrok de koningin zo van, dat ze groen en geel werd van jaloezie. Zodra ze Sneeuwwitje weer zag, keerde zich haar hart om in haar borst, zo haatte ze haar voortaan. Jaloezie en hoogmoed groeiden als onkruid in haar hart, steeds weliger; zodat ze geen rust meer had, dag noch nacht. Toen riep ze de jager bij zich en zei: "Je moet dat kind naar het bos brengen, ik wil 't niet meer voor mijn ogen zien. Je moet haar doden, en haar longen en lever als bewijzen mee terugbrengen." De jager gehoorzaamde en bracht haar weg; maar toen hij de hartsvanger getrokken had en Sneeuwwitjes arm onschuldig hartje daarmee wilde steken, begon zij te huilen en sprak: "Och lieve jager, laat me toch leven! Ik zal 't bos in gaan en nooit meer thuiskomen!" En omdat ze zo mooi en lief was, kreeg de jager medelijden en zei: "Loop dan maar gauw weg, arm kind!" "De wilde dieren zullen haar weldra verscheuren," dacht hij, en toch was het hem, of hem een steen van 't hart gewenteld was, dat hij haar niet hoefde te doden. En toen juist een jong reetje kwam aangesprongen, koos hij dat als slachtoffer, nam er long en lever van en bracht dat als bewijsstukken aan de koningin. De kok moest ze in zout water koken en het wraakgierig mens at ze op en verlustigde zich in de gedachte, dat ze Sneeuwwitjes longen en lever had gegeten.
Intussen was het arme kind moederziel alleen in 't grote bos, en ze werd bang; ze keek alle bladeren van de bomen aan om hulp, en wist niet, hoe ze zichzelf moest redden. En toen begon ze maar te lopen, en liep over scherpe stenen en door dorens, wilde dieren liepen haar voorbij, alleen, ze deden haar geen kwaad. Ze bleef doorlopen, zolang haar voeten maar verder konden, en toen werd het avond.
Daar opeens zag ze een klein huisje; ze wilde erin gaan om uit te rusten. Alles in 't huisje was klein, maar sierlijk en keurig; het is niet te zeggen hoe keurig. En er stond een wit gedekt tafeltje, met zeven kleine bordjes, en bij elk bordje een klein lepeltje, en zeven mesjes, en vorkjes en ook zeven bekertjes. Tegen de wand stonden er zeven bedjes naast elkaar, opgemaakt met sneeuwwit beddegoed. En omdat Sneeuwwitje hongerig en dorstig was, at ze van alle zeven bordjes een beetje groente en een beetje brood en dronk uit ieder bekertje een teugje wijn, want ze wilde niet van één alles wegnemen. Daarna - ze was zo moe - probeerde ze een bedje, maar geen van de bedjes paste, het ene te lang en het andere te kort, maar eindelijk, het zevende paste; daarin bleef ze liggen, deed haar gebedje en sliep in.
Toen het helemaal donker geworden was, kwamen de heren des huizes, dat waren zeven dwergen; ze hakten in de bergen naar erts en maakten ertsgroeven. Zij staken hun zeven kaarsjes aan, en omdat het nu helemaal licht in 't huisje werd, zagen ze, dat er iemand was geweest, want het stond niet allemaal zo precies, als ze het hadden verlaten. De eerste zei: "Wie heeft op mijn stoeltje gezeten?" en de tweede: "Wie heeft er van mijn bordje gegeten?" En de derde: "Wie heeft er van mijn broodje genomen?" En de vierde: "Wie heeft er van mijn groente gegeten?" En de vijfde: "Wie heeft er met mijn vorkje geprikt?" En de zesde: "Wie heeft er met mijn mesje gesneden?" En de zevende: "Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?" Maar toen keek de eerste om en zag dat er in zijn bed een kuiltje was, en toen zei hij: "Wie is op mijn bed geweest?" De anderen kwamen erbij en zeiden: "In mijn bed heeft ook iemand gelegen." Maar toen de zevende naar zijn bed keek, toen zag hij Sneeuwwitje, en ze lag in 't bedje te slapen. Hij riep de anderen, ze kwamen aangedraafd en gaven een kreet van verbazing, ze hielden hun zeven kaarsjes in de hoogte en beschenen Sneeuwwitje. "Wel lieve tijd! Wel lieve tijd!" riepen ze, "wat een lief meisje!" en ze hadden er zoveel plezier in, dat ze haar niet wakker wilden maken, maar ze lieten haar in 't bedje doorslapen. En de zevende dwerg sliep bij één van de makkers, bij ieder een uur, en toen was de nacht voorbij.
's Morgens werd Sneeuwwitje wakker, en toen ze de zeven dwergen zag, schrok ze. Maar ze waren heel vriendelijk en vroegen: "Hoe heet je?" "Ik heet Sneeuwwitje," antwoordde zij. "En hoe kwam je hier, in ons huis?" vroegen de dwergen. Toen vertelde ze hun, wat haar stiefmoeder haar had toegedacht, en hoe de jager haar het leven had gelaten, en hoe ze de hele dag gelopen had, en eindelijk bij hun huisje was gekomen. De dwergen zeiden: "Wil jij onze huishouding doen, koken, bedden opmaken, de was, naaien en breien, en wil je alles netjes in orde houden, dan kun je bij ons blijven en het zal je nergens aan ontbreken. "Ja," zei Sneeuwwitje, "heel graag!" en ze bleef bij hen. Ze hield hun huisje in orde, 's morgens gingen ze naar de bergen en zochten erts en goud, 's avonds kwamen zij terug en dan moest hun eten klaar zijn. Gedurende de dag was het meisje alleen, en de dwergen waarschuwden haar en zeiden: "Pas toch op voor je stiefmoeder, die zal gauw weten, dat je hier bent; laat vooral niemand binnen."
Maar de koningin, die dacht dat het Sneeuwwitjes longen en lever waren, die ze had gegeten, wilde nu graag weer horen, dat ze de allereerste was en de allermooiste. Ze ging naar de spiegel en zei: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van 't hele land?" Toen antwoordde de spiegel: "O, koningin, heel mooi bent u.
Maar Sneeuwwitje over de bergen
bij de zeven dwergen
is duizend- en duizendmaal mooier nu!" Ze schrok. Want zij wist, dat de spiegel geen onwaarheid sprak. Ze begreep dat de jager haar dus had bedrogen, ze begreep dat Sneeuwwitje nog leefde. En daar zat zij en zon zij opnieuw op middelen om haar uit de weg te ruimen, want zolang zij niet de mooiste was van 't hele land, liet de jaloezie haar niet met rust. En toen ze eindelijk een middel bedacht had, verfde ze zich 't gezicht, kleedde zich als een oude koopvrouw en was helemaal onherkenbaar. Zo gekleed liep zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: "Te koop! te koop! Mooie waar te koop!" Sneeuwwitje keek het venster uit en riep: "Dag juffrouw, en wat hebt u dan?" "Goede waar! mooie waar!" antwoordde zij, ceintuurs van allerlei kleuren," en ze haalde er één uit, die van bonte zij gevlochten was. "Die goede vrouw kan ik wel binnenlaten," dacht Sneeuwwitje, schoof de grendel van de deur en kocht zich een mooie ceintuur. "Kind," zei de oude, "wat zie jij eruit! Kom eens, dan zal ik hem je aandoen!" Sneeuwwitje dacht aan geen kwaad, ze ging voor haar staan en liet zich de nieuwe gordel aandoen, maar het oude mens snoerde hem snel dicht en zo vast dat Sneeuwwitje de adem verging en zij voor dood neerviel. "Nu ben je de mooiste geweest," zei ze en snelde weg.
Kort daarop, tegen de avond, kwamen de zeven dwergen naar huis. Maar wat schrokken ze, toen ze 't lieve Sneeuwwitje ter aarde zagen liggen. Ze lag doodstil, niets bewoog, zou ze dood zijn? Ze tilden haar op, en toen ze zagen hoe vast de band zat, sneden ze de riem door, meteen begon ze een beetje te ademen en langzaamaan leefde ze weer op. Toen de dwergen hoorden wat er gebeurd was, zeiden ze: "Die oude koopvrouw was natuurlijk niemand anders dan die goddeloze koningin; pas nu op en laat niemand binnen als wij er niet bij zijn." Maar de boze stiefmoeder ging naar huis, ging voor de spiegel staan en vroeg: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van 't hele land?" Toen antwoordde de spiegel, net als anders: "O, koningin, heel mooi bent u.
Maar Sneeuwwitje over de bergen
bij de zeven dwergen
is duizend- en duizendmaal mooier nu!" Op het horen daarvan liep alle bloed naar haar hart terug, zo schrok ze. Want ze begreep wel, dat Sneeuwwitje toch weer in 't leven was gekomen. "Maar nu," zei ze, "zal ik iets uitdenken dat je vast en zeker zal treffen," en met hekserij - want ze was een heks - maakte ze een giftige kam. Daarna verkleedde ze zich en nam de gedaante van een ander en heel oud vrouwtje. Toen liep ze weer over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte daar aan de deur en riep: "Wat moois te koop! Wat moois te koop!" Sneeuwwitje keek naar buiten en zei: "Gaat u maar door, ik mag niemand binnenlaten." "Je zult toch wel es mogen kijken!" zei 't oude mens en ze trok de vergiftigde kam uit de mand en hield die in de hoogte. Die vond Sneeuwwitje zo mooi, dat ze zich liet verleiden en de deur opendeed. Ze werden het eens over de koop, en de oude vrouw zei: "Laat me je nu eens goed kammen." Het arme Sneeuwwitje dacht nergens aan en liet de oude haar gang gaan, maar nauwelijks had ze de kam in ’t haar gestoken, of het gif deed zijn werk en het meisje viel bewusteloos ter aarde. "Jij toppunt van schoonheid!" zei het kwaadaardig wezen, "nu is het met je gedaan," en weg ging zij. Gelukkig was het weldra avond, zodat de zeven dwergen thuiskwamen. Ze zagen Sneeuwwitje voor dood op de grond liggen, en meteen dachten ze dat het de boze stiefmoeder wel was geweest; ze zochten, en vonden de giftige kam, en zodra ze die uit haar haar hadden getrokken, kwam Sneeuwwitje weer tot zichzelf en ze vertelde wat er gebeurd was. Nog eens waarschuwden ze haar, om toch vooral op haar hoede te zijn en niemand binnen te laten.
De koningin echter ging thuis voor haar spiegel staan en sprak: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van 't hele land?" En toen antwoordde de spiegel als te voren: "O, koningin, heel mooi bent u.
Maar Sneeuwwitje over de bergen
bij de zeven dwergen
is duizend- en duizendmaal mooier nu!" Toen ze de spiegel zo hoorde spreken, sidderde ze en beefde ze van boosheid. "Sneeuwwitje zal sterven en moét sterven," zei ze, "al zou het mijn eigen leven kosten!" Ze ging in een heel verborgen, eenzaam gelegen vertrek, waar nooit iemand kwam, en daar maakte ze een giftige, giftige appel. Van buiten was hij prachtig, geelwit met rode wangen. Wie ernaar keek, kreeg er trek in. Maar wie er een klein stukje van zou eten - die moest sterven. De appel was klaar. Nu verfde ze haar gezicht, en kleedde zich als een boerenvrouw; en zo ging ze, over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Ze klopte aan. Sneeuwwitje stak haar hoofd uit het raam. "Ik mag niemand binnenlaten," zei ze, "de zeven dwergen hebben het verboden!" "Dat is mij best," zei de boerin, "m’n appels raak ik toch wel kwijt. Wacht, ik zal er je ééntje geven." "Neen," zei Sneeuwwitje, "dank u, ik mag niets aannemen." "Ben je bang voor vergif?" vroeg de boerin, "want zie je, dan snijd ik hem in tweeën, jij de ene helft en ik de andere, jij de rode wangen, ik de gele." Maar die appel was zo kunstig gemaakt, dat alleen de kant van de rode wangen vergiftigd was. Sneeuwwitje rook eens aan de appel, en toen ze zag, dat de boerin ze at, kon ze hem niet langer weerstaan, strekte haar hand uit, en nam de giftige helft. Nauwelijks had ze een hap genomen of ze viel dood neer. Toen beschouwde de koningin haar met een gruwelijke blik, lachte luid en zei: "Wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als ebbenhout! Nu zullen de dwergen je niet meer kunnen bijbrengen." En toen ze, thuis gekomen, de spiegel vroeg: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van 't hele land?" toen antwoordde de spiegel weer: "De koningin is de mooiste van 't land!" en nu had haar jaloerse hart rust; voor zover een jaloers hart rust hebben kan.
Toen de dwergen 's avonds naar huis kwamen, vonden ze Sneeuwwitje op de grond liggen. Geen adem kwam meer uit haar mond. Ze was dood. Ze tilden haar op, zochten of ze iets vergiftigs vonden, ze maakten alle banden los, ze kamden haar haar, ze wasten haar met water en wijn, maar dat alles hielp niets. Ze was dood, en ze bleef dood. Ze legden haar op een baar, ze zetten zich alle zeven er omheen, en beweenden haar, en weenden drie dagen lang. Toen wilden ze haar begraven, maar ze zag er nog zo fris uit als een levend mens, en ze had nog zulke rode wangen. Zij spraken: "Zo kan het niet in de zwarte aarde." Daarom lieten ze een glazen kist maken, waar men van alle kanten in kon kijken, ze legden haar daarin, schreven haar naam met gouden letters erop; en ook dat ze de dochter van een koning was. Dan droegen ze de kist naar buiten, naar een berg, en één van hen bleef er altijd bij om de wacht te houden. Dieren kwamen om Sneeuwwitje de laatste eer te bewijzen; eerst een uil; dan een raaf; tenslotte een duifje. Zo lag Sneeuwwitje lange, lange tijd in de kist en ze veranderde niet, maar het leek of ze sliep; want ze was nog altijd wit als sneeuw, rood als bloed, en haar haar zwart als ebbenhout.
Nu gebeurde het eens, dat een prins in het bos kwam en naar 't dwergenhuis ging om daar te overnachten. Hij zag op de berg de kist staan met het mooie Sneeuwwitje en hij las ook wat er in gouden letters op geschreven stond. En hij zei tegen de dwergen: "Laat mij die kist nemen, ik wil er voor geven, wat jullie er voor willen hebben." Maar de dwergen zeiden: "We verkopen het niet, voor alle goud in de wereld niet!" Toen sprak hij: "Geef hem dan aan mij. Want ik kan niet meer leven zonder Sneeuwwitje te zien, ik wil haar eren en hoog achten als het liefste wat ik heb." Nu hij zo sprak, kregen de dwergen medelijden met hem en ze gaven hem de kist ten geschenke. De prins liet de kist nu door zijn dienaren op hun schouders wegdragen. En toen gebeurde het, dat zij struikelden over een boomstronk, en door de schok schoot het giftige stuk appel dat Sneeuwwitje had afgebeten, uit haar keel. Het duurde niet lang, of ze opende de ogen, ze tilde het deksel van de kist, ging rechtop zitten en was weer helemaal levend. "Waar ben ik?" riep ze. De prins zei vol vreugde: "Bij mij ben je," en hij vertelde, wat er gebeurd was en zei: "Ik heb je lief, meer dan alles op de wereld, kom mee naar 't slot van mijn vader, dan zul je mijn vrouw worden." Sneeuwwitje stemde toe en ging mee, en hun bruiloft werd met grote pracht en heerlijkheid gevierd. Voor het feest was echter ook de stiefmoeder uitgenodigd. Toen ze zich voor het feest gekleed had, trad ze in prachtgewaad voor de spiegel en zei: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van 't hele land?" De spiegel antwoordde: "O koningin, heel mooi bent u,
Maar de jonge koningin is veel mooier nu!" Toen schreeuwde de boze vrouw een gruwelijke verwensing uit, en ze werd bang, zo bang, dat ze geen raad wist. Eerst wilde ze in 't geheel niet op de bruiloft komen. Toch liet het haar geen rust: ze moest weg, ze moest de jonge koningin zien. En toen ze de feestzaal intrad, zag ze de jonge koningin - en ze herkende Sneeuwwitje, en van angst en schrik stond ze stil en kon zich niet bewegen. Maar er waren al ijzeren pantoffels op een kolenvuur gezet en die werden met tangen binnengedragen. Ze moest in de roodgloeiende schoenen gaan staan en zolang dansen, tot ze dood ter aarde viel.
* * * EINDE * * *
Samenvatting: Het beroemde sprookje over het sneeuwwitte meisje op wier schoonheid haar boze stiefmoeder jaloers is. Ze wil haar laten ombrengen, maar een jager spaart haar en Sneeuwwitje komt bij de zeven dwergen. De heks probeert van alles om haar te doden en wanneer het gelukt lijkt, verschijnt er opeens een jonge prins. Toelichting: Het sprookje werd ook als het in het Hoogduits verteld werd, toch met de Platduitse titel genoemd.
Er zijn van dit overbekende sprookje vele varianten. In een daarvan wordt Sneeuwwitje gevonden in het bos door de koning, die haar heel mooi vindt. Maar de jaloerse koningin laat uit de slee haar handschoen vallen en het kind moet hem oprapen, terwijl de slee gauw doorrijdt. In sommige versies zijn er drie zusters. Sneeuwwitje is dan de jongste en de mooiste.
Het begint als een wintersprookje. Men vindt achtereenvolgens de stemming van Advent (er wordt een kind verwacht), geboorte, beproeving, dood en opwekking uit de dood. De glazen kist is in sommige versies een zilveren kistje. Het spiegeltje aan de wand, dat weet te vertellen, wie de schoonste is in het land, is een afstammeling van de toverspiegels, die reeds in de oudheid gebruikt werden, om daarmee voorspellingen te doen. In de Middeleeuwen waren deze praktijken in allerlei vorm in zwang, totdat de kerk daartegen optrad. Nog steeds behoort het tot de kunst van de waarzegsters uit een glazen bol de toekomst te voorspellen. Het spiegeltje is in sommige versies van het verhaal een hond die Spiegel heet en waar de boze koningin aan vraagt wie de mooiste is. Het getal 7 (de zeven dwergen) verwijst naar de 7 planeten.
Het verhaal, zoals dat hier verteld wordt, schijnt de verbinding van twee afzonderlijke stukken te zijn: het sprookje van de Schöne Richilde dat Musäus in zijn 'Volksmärchen der Deutschen' (1782-1787) literair behandeld heeft en waarvoor hij de stof wel uit de Italiaanse novellenverzameling van Basile (1634) gehaald zal hebben, en uit een oude Maria-legende (vgl. Wesselski, Deutsche Märchen vor Grimm, blz. 334-347). In deze 'originele' versie is het geen kus, maar het struikelen over een boomstronk dat er voor zorgt dat de giftige appel uit haar keel schiet en Sneeuwwitje weer tot leven komt. De kus is afkomstig van de Disney-tekenfilm-versie, die overigens veel deugelijker en liever is. De Efteling-versie is ook gekuist. Deze versies zijn helaas wel de bekendste.
Onderstaande tekst uit het Ölenbergse handschrift komt van de familie Hassenpflug, waarschijnlijk van Marie Hassenpflug. Al in april 1808 had Jacob Grimm een bijna identieke versie naar Savigny gestuurd. In een randnotitie bij het slot zegt Jacob Grimm: "Dit slot is niet goed, en gebrekkig." In de eerste druk werd deze versie gecontamineerd met een andere, afkomstig van Ferdinand Sieberts uit Treysa, waardoor het slot er heel anders uit ziet. Vanaf de tweede druk wordt de manier waarop Sneeuwwitje uit haar doodsslaap opgewekt wordt verteld volgens nog een andere versie, afkomstig van Heinrich Leopold Stein uit Frankfurt am Main.
Sneeuwwitje - Sneeuwwitteke - Ongelukskind
Het was eens winter en sneeuw dwarrelde uit de hemel naar beneden, toen een koningin aan een raam uit ebbehigut zat en naaide. Ze zou toch zo graag een kind gehad hebben. En terwijl ze daarover aan het denken was, stak ze per ongeluk met de naald in haar vinger, zodat drie druppels bloed in de sneeuw vielen. Toen deed ze een wens en zei: "Ach, had ik toch een kind zo wit als deze sneeuw, met rode wangen als dit rode bloed en met zwarte ogen als dit raam."
Niet lang daarna kreeg ze een wondermooi dochtertje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als ebbehout en het dochtertje werd Sneeuwwitje genoemd. De koningin was de allermooiste vrouw in het land, maar Sneeuwwitje was nog honderdduizendmaal mooier en toen Mevrouw de koningin haar spiegel vroeg: "Spiegeltje spiegeltje aan de wand
wie is de mooiste vrouw in heel Engeland?" antwoordde het spiegeltje: "De koningin is de mooiste, maar Sneeuwwitje is nog honderdduizendmaal mooier." Om die reden kon de koningin Sneeuwwitje niet meer uitstaan, want zij wou de mooiste in het rijk zijn. Toen nu de koning op een keer naar de oorlog getrokken was, liet ze haar rijtuig inspannen en gaf opdracht naar een ver, donker bos te rijden, en ze nam Sneeuwwitje mee. Maar in dat bos stonden vele erg mooie rozen. Toen ze nu met haar dochtertje daar aangekomen was, zei ze: "Och, Sneeuwwitje, stap toch uit en pluk van die mooie rozen voor mij!" En zodra het meisje, om aan dit bevel te gehoorzamen, uit het rijtuig gestapt was, reden de wielen in volle vaart er vandoor. Maar het was de koningin die alles zo bevolen had, want ze hoopte dat de wilde dieren het meisje gauw zouden opeten.
Toen nu Sneeuwwitje moederziel alleen in het grote bos was, huilde ze erg. En ze ging altijd maar verder, en altijd maar verder en ze werd erg moe, tot ze eindelijk voor een klein huisje kwam. In het huisje woonden zeven dwergen, maar die waren net niet thuis, ze waren naar de mijn gegaan. Toen Sneeuwwitje in het huis binnenging, stond daar een tafel, en op die tafel zeven borden, en daarbij zeven lepels, zeven vorken, zeven messen en zeven glazen en verder stonden er in de kamer zeven bedjes. En Sneeuwwitje at van elk bord een beetje groente en brood, en dronk ook nog uit elk glaasje een druppel, en ten slotte wilde ze gaan slapen omdat ze zo moe was. Maar ze probeerde alle bedjes en vond er geen naar haar zin, behalve het laatste, en daar bleef ze in liggen.
Toen nu de zeven dwergen van hun dagtaak naar huis keerden, zeiden ze allemaal: "Wie heeft er uit mijn bordje gegeten?
Wie heeft er van mijn broodje genomen?
Wie heeft er met mijn vorkje gegeten?
Wie heeft er met mijn mesje gesneden?
Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?" en daarop zei het eerste dwergje: "Wie is er toch in mijn bedje gestapt?" en het tweede sprak: "O, in het mijne heeft ook iemand gelegen." En het derde ook en het vierde eveneens en zo verder, tot ze uiteindelijk in het zevende bed Sneeuwwitje zagen liggen. Maar ze beviel hen zo dat ze haar uit medelijden lieten liggen, en het zevende dwergje moest zich met het zesde behelpen, zo goed als het ging.
Toen nu Sneeuwwitje de volgende morgen uitgeslapen was, vroegen ze, hoe ze hier gekomen was en ze vertelde hen alles, dat haar moeder de koningin haar in het bos alleengelaten had en weggereden was. De dwer-gen hadden medelijden met haar, vroegen haar om bij hen te blijven, en voor hen het eten te koken, wanneer ze naar de mijn gingen. Maar ze moest toch vooral oppassen voor de koningin en beslist niemand in het huis binnenlaten.
Toen nu de koningin hoorde dat Sneeuwwitje bij de zeven dwergen was en niet in het bos was omgekomen, trok ze de kleren van een oude marskraamster aan, en ging tot voor het huis en vroeg om binnengelaten te worden met haar waren. Maar Sneeuwwitje herkende haar helemaal niet en zei aan het raam: "Ik mag niemand binnenlaten." Toen zei de marskraamster: "Ach, lief kind, kijk eens wat voor mooie rijgveters ik hier heb en ik vraag er echt niet veel voor." Maar Sneeuwwitje dacht: "Veters heb ik juist erg nodig, het zal geen kwaad kunnen, als ik de vrouw binnenlaat. Ik kan hier een goede koop doen," en ze deed de deur voor haar open en kocht veters. En toen ze die gekocht had, begon de marskraamster te zeggen: "Kijk eens aan, wat zijn jouw veters slordig geregen! Hoe zie je eruit! Kom, ik zal je eens beter inrijgen." Daarop nam de oude vrouw, die in werkelijkheid de koningin, was, de veter en reeg Sneeuwwitje zo hard vast, dat ze voor dood neerviel, en ging weg.
Toen de dwergjes thuiskwamen en Sneeuwwitje daar vonden liggen, ging hen al gauw een licht op, wie daar kon geweest zijn, en ze regen Sneeuwwitje gauw los, zodat ze weer bijkwam. Maar ze vermaanden haar, voortaan beter op te passen.
Toen de koningin vernam dat haar dochtertje weer levend geworden was, kon ze toch niet rusten en ze kwam weer verkleed voor het huisje en wou aan Sneeuw-witje een prachtige kam verkopen. Omdat die kam Sneeuwwitje maar al te goed beviel liet ze zich verleiden en opende de deur. En de oude vrouw kwam binnen en begon in haar gele haren te kammen en liet de kam steken, tot Sneeuwwitje voor dood neerzonk. Toen de zeven dwergen thuiskwamen, vonden ze de deur open en ze zagen Sneeuwwitje op de grond liggen en wisten ook meteen wie het onheil gesticht had. Intussen trokken ze zo vlug mogelijk de kam uit haar haren en Sneeuwwitje kwam weer tot leven. Maar ze zeiden haar dat, wanneer ze zich nog een keer liet misleiden, ze haar niet meer zouden kunnen helpen.
De koningin echter was erg boos, toen ze vernam dat Sneeuwwitje weer levend geworden was en ze verkleedde zich voor de derde keer, als boerin, en nam een appel mee die half vergiftigd was en wel aan de rode helft. Sneeuwwitje paste er wel voor op, de vrouw niet binnen te laten, maar die reikte Sneeuwwitje de appel door het raam aan, en ze kon zich zo goed voordoen, dat men helemaal niets merkte. Sneeuwwitje beet in de mooie appel, daar waar hij rood was, en zonk dood op de grond.
Maar toen de zeven dwergen naar huis kwamen, konden ze niet meer helpen. Ze waren erg droevig en treurden ook erg over haar. Maar ze legden Sneeuwwitje in een glazen doodskist, waarin ze haar vorige vorm helemaal behield, schreven daarop haar naam en afstamming en bewaakten haar zorgvuldig dag en nacht.
Op een dag keerde de koning, Sneeuwwitjes vader, naar zijn rijk terug en hij moest door hetzelfde bos gaan waar de zeven dwergen woonden. Toen hij nu de doodskist en het opschrift ervan zag, werd hij erg be-droefd over de dood van zijn geliefde dochter. Maar hij had in zijn gevolg zeer ervaren dokters, die vroegen de dwergen om het lijk, namen het op en maakten een touw vast aan de vier hoeken van de kamer en Sneeuwwitje werd weer levend. Daarop trokken ze allen naar huis. Sneeuwwitje werd aan een mooie Prins uitgehuwelijkt en op de bruiloft werden een paar pantoffels in het vuur gloeiend gemaakt, die moest de koningin aantrekken en daarin dansen tot ze dood was.
Volgens anderen kloppen de dwergen met kleine tover-hamertjes 32 keer en maken zo Sneeuwwitje weer levend.
Ander begin
Er waren eens een graaf en een gravin, die waren samen aan het rijden, en ze reden voorbij drie hopen witte sneeuw. Toen zei de graaf: "Ik wou dat ik een meisje had, zo wit als deze sneeuw". Ze reden verder en kwamen aan drie kuilen vol rood bloed, toen deed de graaf een wens en zei: "Ik wou dat ik een meisje had met wangen, zo rood als dit bloed", leven later vlogen drie koolzwarte raven voorbij en de graaf wenste weer een meisje met haar zo zwart als die raven. Maar het allerlaatst ontmoetten ze een meisje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, en zo zwart als raven, en dat was Sneeuwwitje. De graaf liet haar onmiddellijk in het rij-tuig zitten, maar de gravin had het niet graag, En de gravin wist zich geen raad en liet ten slotte haar hand-schoen door het portier naar buiten vallen en beval Sneeuwwitje die voor haar op te rapen. Toen ze nu uitgestapt was, ging het rijtuig er in volle vaart vandoor enz.
Dit is ook een Efteling sprookje: een sprookje of verhaal dat wordt uitgebeeld in het Attractiepark De Efteling in Kaatsheuvel.
Sommige sprookjes zijn uitgebeeld in het sprookjesbos, andere zoals Langnek (De zes dienaren) en Tafetje dekje ezeltje strekje hebben elders in het park een plek in een wat bescheidener vorm.
Hier kunt u een wandelroute van de Efteling downloaden in PDF formaat : De
Wonderlijke Wandelroute
De tekst van de sprookjes / verhalen op de Wereld Volksverhalen Almanakzijn de oorspronkelijke teksten.
In de Efteling en in diverse tekst- en audioweergaves van de Efteling wordt vaak gebruik gemaakt van beknoptere versies van het desbetreffende verhaal. Trefwoorden: sneeuw, winter, wit, rood, stiefmoeder, dwerg, appel, 7 getal, jager, huishouden, jaloezie, schoonheid, riem, heks, kam, glazen kist, schijndood, spiegel, zwart, ebbenhout, Bron: "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel. Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
Sneeuwwitje. Grimm 053 - Sneeuwwitje. Het beroemde sprookje over het sneeuwwitte meisje op wier schoonheid haar boze stiefmoeder jaloers is. Ze wil haar laten ombrengen, maar een jager spaart haar en Sneeuwwitje komt bij de zeven dwergen. De heks probeert van alles om haar te doden en wanneer het gelukt lijkt, verschijnt er opeens een jonge prins. Sneeuwwitje. sneeuw, winter, wit, rood, stiefmoeder, dwerg, appel, 7 (getal), jager, huishouden, jaloezie, schoonheid, riem, heks, kam, glazen kist, schijndood, spiegel, zwart, ebbenhout. Sneeuwwitje. Grimm 053 - Sneeuwwitje. Sneeuwwitje. Gebroeders Grimm. Jacob en Wilhelm Grimm. Het beroemde sprookje over het sneeuwwitte meisje op wier schoonheid haar boze stiefmoeder jaloers is. Ze wil haar laten ombrengen, maar een jager spaart haar en Sneeuwwitje komt bij de zeven dwergen. De heks probeert van alles om haar te doden en wanneer het gelukt lijkt, verschijnt er opeens een jonge prins. Sneeuwwitje. Volkssprookje. Eftelingsprookje. Het sprookje werd ook als het in het Hoogduits verteld werd, toch met de Platduitse titel genoemd.
Er zijn van dit overbekende sprookje vele varianten. In een daarvan wordt Sneeuwwitje gevonden in het bos door de koning, die haar heel mooi vindt. Maar de jaloerse koningin laat uit de slee haar handschoen vallen en het kind moet hem oprapen, terwijl de slee gauw doorrijdt. In sommige versies zijn er drie zusters. Sneeuwwitje is dan de jongste en de mooiste.
Het begint als een wintersprookje. Men vindt achtereenvolgens de stemming van Advent (er wordt een kind verwacht), geboorte, beproeving, dood en opwekking uit de dood. De glazen kist is in sommige versies een zilveren kistje. Het spiegeltje aan de wand, dat weet te vertellen, wie de schoonste is in het land, is een afstammeling van de toverspiegels, die reeds in de oudheid gebruikt werden, om daarmee voorspellingen te doen. In de Middeleeuwen waren deze praktijken in allerlei vorm in zwang, totdat de kerk daartegen optrad. Nog steeds behoort het tot de kunst van de waarzegsters uit een glazen bol de toekomst te voorspellen. Het spiegeltje is in sommige versies van het verhaal een hond die Spiegel heet en waar de boze koningin aan vraagt wie de mooiste is. Het getal 7 (de zeven dwergen) verwijst naar de 7 planeten.
Het verhaal, zoals dat hier verteld wordt, schijnt de verbinding van twee afzonderlijke stukken te zijn: het sprookje van de Schöne Richilde dat Musäus in zijn 'Volksmärchen der Deutschen' (1782-1787) literair behandeld heeft en waarvoor hij de stof wel uit de Italiaanse novellenverzameling van Basile (1634) gehaald zal hebben, en uit een oude Maria-legende (vgl. Wesselski, Deutsche Märchen vor Grimm, blz. 334-347). In deze 'originele' versie is het geen kus, maar het struikelen over een boomstronk dat er voor zorgt dat de giftige appel uit haar keel schiet en Sneeuwwitje weer tot leven komt. De kus is afkomstig van de Disney-tekenfilm-versie, die overigens veel deugelijker en liever is. De Efteling-versie is ook gekuist. Deze versies zijn helaas wel de bekendste.
Onderstaande tekst uit het Ölenbergse handschrift komt van de familie Hassenpflug, waarschijnlijk van Marie Hassenpflug. Al in april 1808 had Jacob Grimm een bijna identieke versie naar Savigny gestuurd. In een randnotitie bij het slot zegt Jacob Grimm: "Dit slot is niet goed, en gebrekkig." In de eerste druk werd deze versie gecontamineerd met een andere, afkomstig van Ferdinand Sieberts uit Treysa, waardoor het slot er heel anders uit ziet. Vanaf de tweede druk wordt de manier waarop Sneeuwwitje uit haar doodsslaap opgewekt wordt verteld volgens nog een andere versie, afkomstig van Heinrich Leopold Stein uit Frankfurt am Main.
Sneeuwwitje - Sneeuwwitteke - Ongelukskind
Het was eens winter en sneeuw dwarrelde uit de hemel naar beneden, toen een koningin aan een raam uit ebbehigut zat en naaide. Ze zou toch zo graag een kind gehad hebben. En terwijl ze daarover aan het denken was, stak ze per ongeluk met de naald in haar vinger, zodat drie druppels bloed in de sneeuw vielen. Toen deed ze een wens en zei: "Ach, had ik toch een kind zo wit als deze sneeuw, met rode wangen als dit rode bloed en met zwarte ogen als dit raam."
Niet lang daarna kreeg ze een wondermooi dochtertje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als ebbehout en het dochtertje werd Sneeuwwitje genoemd. De koningin was de allermooiste vrouw in het land, maar Sneeuwwitje was nog honderdduizendmaal mooier en toen Mevrouw de koningin haar spiegel vroeg: "Spiegeltje spiegeltje aan de wand
wie is de mooiste vrouw in heel Engeland?" antwoordde het spiegeltje: "De koningin is de mooiste, maar Sneeuwwitje is nog honderdduizendmaal mooier." Om die reden kon de koningin Sneeuwwitje niet meer uitstaan, want zij wou de mooiste in het rijk zijn. Toen nu de koning op een keer naar de oorlog getrokken was, liet ze haar rijtuig inspannen en gaf opdracht naar een ver, donker bos te rijden, en ze nam Sneeuwwitje mee. Maar in dat bos stonden vele erg mooie rozen. Toen ze nu met haar dochtertje daar aangekomen was, zei ze: "Och, Sneeuwwitje, stap toch uit en pluk van die mooie rozen voor mij!" En zodra het meisje, om aan dit bevel te gehoorzamen, uit het rijtuig gestapt was, reden de wielen in volle vaart er vandoor. Maar het was de koningin die alles zo bevolen had, want ze hoopte dat de wilde dieren het meisje gauw zouden opeten.
Toen nu Sneeuwwitje moederziel alleen in het grote bos was, huilde ze erg. En ze ging altijd maar verder, en altijd maar verder en ze werd erg moe, tot ze eindelijk voor een klein huisje kwam. In het huisje woonden zeven dwergen, maar die waren net niet thuis, ze waren naar de mijn gegaan. Toen Sneeuwwitje in het huis binnenging, stond daar een tafel, en op die tafel zeven borden, en daarbij zeven lepels, zeven vorken, zeven messen en zeven glazen en verder stonden er in de kamer zeven bedjes. En Sneeuwwitje at van elk bord een beetje groente en brood, en dronk ook nog uit elk glaasje een druppel, en ten slotte wilde ze gaan slapen omdat ze zo moe was. Maar ze probeerde alle bedjes en vond er geen naar haar zin, behalve het laatste, en daar bleef ze in liggen.
Toen nu de zeven dwergen van hun dagtaak naar huis keerden, zeiden ze allemaal: "Wie heeft er uit mijn bordje gegeten?
Wie heeft er van mijn broodje genomen?
Wie heeft er met mijn vorkje gegeten?
Wie heeft er met mijn mesje gesneden?
Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?" en daarop zei het eerste dwergje: "Wie is er toch in mijn bedje gestapt?" en het tweede sprak: "O, in het mijne heeft ook iemand gelegen." En het derde ook en het vierde eveneens en zo verder, tot ze uiteindelijk in het zevende bed Sneeuwwitje zagen liggen. Maar ze beviel hen zo dat ze haar uit medelijden lieten liggen, en het zevende dwergje moest zich met het zesde behelpen, zo goed als het ging.
Toen nu Sneeuwwitje de volgende morgen uitgeslapen was, vroegen ze, hoe ze hier gekomen was en ze vertelde hen alles, dat haar moeder de koningin haar in het bos alleengelaten had en weggereden was. De dwer-gen hadden medelijden met haar, vroegen haar om bij hen te blijven, en voor hen het eten te koken, wanneer ze naar de mijn gingen. Maar ze moest toch vooral oppassen voor de koningin en beslist niemand in het huis binnenlaten.
Toen nu de koningin hoorde dat Sneeuwwitje bij de zeven dwergen was en niet in het bos was omgekomen, trok ze de kleren van een oude marskraamster aan, en ging tot voor het huis en vroeg om binnengelaten te worden met haar waren. Maar Sneeuwwitje herkende haar helemaal niet en zei aan het raam: "Ik mag niemand binnenlaten." Toen zei de marskraamster: "Ach, lief kind, kijk eens wat voor mooie rijgveters ik hier heb en ik vraag er echt niet veel voor." Maar Sneeuwwitje dacht: "Veters heb ik juist erg nodig, het zal geen kwaad kunnen, als ik de vrouw binnenlaat. Ik kan hier een goede koop doen," en ze deed de deur voor haar open en kocht veters. En toen ze die gekocht had, begon de marskraamster te zeggen: "Kijk eens aan, wat zijn jouw veters slordig geregen! Hoe zie je eruit! Kom, ik zal je eens beter inrijgen." Daarop nam de oude vrouw, die in werkelijkheid de koningin, was, de veter en reeg Sneeuwwitje zo hard vast, dat ze voor dood neerviel, en ging weg.
Toen de dwergjes thuiskwamen en Sneeuwwitje daar vonden liggen, ging hen al gauw een licht op, wie daar kon geweest zijn, en ze regen Sneeuwwitje gauw los, zodat ze weer bijkwam. Maar ze vermaanden haar, voortaan beter op te passen.
Toen de koningin vernam dat haar dochtertje weer levend geworden was, kon ze toch niet rusten en ze kwam weer verkleed voor het huisje en wou aan Sneeuw-witje een prachtige kam verkopen. Omdat die kam Sneeuwwitje maar al te goed beviel liet ze zich verleiden en opende de deur. En de oude vrouw kwam binnen en begon in haar gele haren te kammen en liet de kam steken, tot Sneeuwwitje voor dood neerzonk. Toen de zeven dwergen thuiskwamen, vonden ze de deur open en ze zagen Sneeuwwitje op de grond liggen en wisten ook meteen wie het onheil gesticht had. Intussen trokken ze zo vlug mogelijk de kam uit haar haren en Sneeuwwitje kwam weer tot leven. Maar ze zeiden haar dat, wanneer ze zich nog een keer liet misleiden, ze haar niet meer zouden kunnen helpen.
De koningin echter was erg boos, toen ze vernam dat Sneeuwwitje weer levend geworden was en ze verkleedde zich voor de derde keer, als boerin, en nam een appel mee die half vergiftigd was en wel aan de rode helft. Sneeuwwitje paste er wel voor op, de vrouw niet binnen te laten, maar die reikte Sneeuwwitje de appel door het raam aan, en ze kon zich zo goed voordoen, dat men helemaal niets merkte. Sneeuwwitje beet in de mooie appel, daar waar hij rood was, en zonk dood op de grond.
Maar toen de zeven dwergen naar huis kwamen, konden ze niet meer helpen. Ze waren erg droevig en treurden ook erg over haar. Maar ze legden Sneeuwwitje in een glazen doodskist, waarin ze haar vorige vorm helemaal behield, schreven daarop haar naam en afstamming en bewaakten haar zorgvuldig dag en nacht.
Op een dag keerde de koning, Sneeuwwitjes vader, naar zijn rijk terug en hij moest door hetzelfde bos gaan waar de zeven dwergen woonden. Toen hij nu de doodskist en het opschrift ervan zag, werd hij erg be-droefd over de dood van zijn geliefde dochter. Maar hij had in zijn gevolg zeer ervaren dokters, die vroegen de dwergen om het lijk, namen het op en maakten een touw vast aan de vier hoeken van de kamer en Sneeuwwitje werd weer levend. Daarop trokken ze allen naar huis. Sneeuwwitje werd aan een mooie Prins uitgehuwelijkt en op de bruiloft werden een paar pantoffels in het vuur gloeiend gemaakt, die moest de koningin aantrekken en daarin dansen tot ze dood was.
Volgens anderen kloppen de dwergen met kleine tover-hamertjes 32 keer en maken zo Sneeuwwitje weer levend.
Ander begin
Er waren eens een graaf en een gravin, die waren samen aan het rijden, en ze reden voorbij drie hopen witte sneeuw. Toen zei de graaf: "Ik wou dat ik een meisje had, zo wit als deze sneeuw". Ze reden verder en kwamen aan drie kuilen vol rood bloed, toen deed de graaf een wens en zei: "Ik wou dat ik een meisje had met wangen, zo rood als dit bloed", leven later vlogen drie koolzwarte raven voorbij en de graaf wenste weer een meisje met haar zo zwart als die raven. Maar het allerlaatst ontmoetten ze een meisje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, en zo zwart als raven, en dat was Sneeuwwitje. De graaf liet haar onmiddellijk in het rij-tuig zitten, maar de gravin had het niet graag, En de gravin wist zich geen raad en liet ten slotte haar hand-schoen door het portier naar buiten vallen en beval Sneeuwwitje die voor haar op te rapen. Toen ze nu uitgestapt was, ging het rijtuig er in volle vaart vandoor enz.
Dit is ook een Efteling sprookje: een sprookje of verhaal dat wordt uitgebeeld in het Attractiepark De Efteling in Kaatsheuvel.
Sommige sprookjes zijn uitgebeeld in het sprookjesbos, andere zoals Langnek (De zes dienaren) en Tafetje dekje ezeltje strekje hebben elders in het park een plek in een wat bescheidener vorm.
Hier kunt u een wandelroute van de Efteling downloaden in PDF formaat : De
Wonderlijke Wandelroute
De tekst van de sprookjes / verhalen op de Wereld Volksverhalen Almanakzijn de oorspronkelijke teksten.
In de Efteling en in diverse tekst- en audioweergaves van de Efteling wordt vaak gebruik gemaakt van beknoptere versies van het desbetreffende verhaal. sneeuw, winter, wit, rood, stiefmoeder, dwerg, appel, 7 (getal), jager, huishouden, jaloezie, schoonheid, riem, heks, kam, glazen kist, schijndood, spiegel, zwart, ebbenhout |
De Nationale Sprookjesbon. Elke week GRATIS een verhaal ⇒ Het Grimm Project: Alle sprookjes in Nederlandse vertaling ⇒
TREFWOORDEN: Vind gelijksoortige verhalen via onderstaande trefwoorden:
Meer informatie over "Sneeuwwitje" via meer info |
Stichting Beleven

Coehoornstraat 35
6811 LA Arnhem
www.beleven.org |
|