TOELICHTING:Bewerkt naar J. Hopman, 'De Nachtmerrie', in Eigen Volk I (1929), pp. 280-281.
De woorden 'mare' en 'merrie' zijn van oorsprong totaal verschillend. Het tot 'merrie' verbasterde 'mare' betekent (nachtelijke) kwelgeest; merrie betekent vrouwelijk paard. Het woord 'mare' duidt ook op een ineen vlechting (zoals bij de manen van een merrie), in maretak (Viscum), een woekerplant met sterk vervlochten takken op populieren en appelbomen, en in Mahrenest (Duits voor: heksenbezem), een abnormale takkenvorming in berken, veroorzaakt door zwamdraden.
In het oud-Iers komt het woord 'mare' voor in Morrigain (mor = mare, rigain = koningin), marenkoningin. Dit was één van de drie (of alle drie) vrouwelijke demonen, die men zei op de slagvelden te toeven. Ditzelfde woord is gebruikt als vertaling voor het Latijnse lamia (= spook, vampier) in de bijbeltekst Jesaja 34:14. Het Hebreeuwse woord is lilit (vrouwelijke nachtgeest).
In Duitsland heet dat dier ook Alp (zodoende in verband gebracht met de Alpen, zware bergen die 's nachts op de slaper drukken), hetgeen hetzelfde is als 'alf', of 'elf'. In België is de uitdrukking 'Van de mare bereden' synoniem aan 'Van d'alf geleid'.
De nachtmerrie komt bij mensen voor tijdens het slapen, als gevolg van ademhalingsstoornissen, te weinig lucht in het slaapvertrek, spijsverteringsstoornissen, en bepaalde ziekten. De slapende voelt een drukkende last op zich, die tot angstvisioenen leidt. Deze kunnen alleen verbroken worden, wanneer men gaat verliggen of wakker wordt. Vaak voelt het als een wezen, een ruig ondier, of een demon.
Middelen die tegen de nachtmerrie gebruikt werden, zijn o.a. zout strooien voor het bed, de kousen gekruist ervoor leggen, de schoenen omgekeerd voor het bed zetten (zodat de mare er niet in kan stappen), paardenkoppen aan de gevel of op de nok, en vliertakken. Ook zijn er spreuken in omloop:
O Maer, gy lelyk dier,
komt toch dezen nacht niet weêr:
alle waters zult gy waenen,
alle hoornen zult gy blaenen,
alle spieren gerst zult gy tellen,
komt my toch dezen nacht niet kwellen.
De nachtmerries bij paarden kwamen als kwelgeest of als goedgezinde geest. Ze vlochten de manen en voederden en verpleegden de dieren. In Frankrijk waren het kabouters (lutins), geesten van stalknechten, die het dier tijdens hun leven hadden verwaarloosd.
Vergelijk:
De boze geest van Hoge Duvel en
Met de nachtmare getrouwd. Zie ook
Vrouw Trui, de naam voor de nachtgeest die de nachtmerries veroorzaakt (volgens het volksgeloof in het Opperduitse gebied).