TOELICHTING:Uit de Mainstreek. Het sprookje komt in vele versies voor en is zeer oud. Van dit verhaal vinden we al reeds in een vereenvoudigde vorm in de Latijnse fabelverzameling van Romulus; vandaar kwam zij in talrijke middeleeuwse fabelboeken en zo tenslotte ook in de volksoverlevering. (Zie ook de fabels van Aesopus en de literaire bewerking van La Fontaine). De Fenriswolf is in de Noorse sagenwereld het beeld voor het boze. Hij verslindt zelfs de goden en wordt door de zwijgzame Widar tenslotte overwonnen, doordat hij een speer in de muil van het ondier steekt. De macht van de Fenriswolf is de leugen. In dit sprookje liegt de wolf en komt zo het huisje binnen.
Zeven witte geitjes: het getal zeven komt in veel sprookjes voor, vgl. 7 raven, 7 dwergen, de 7-koppige draak. Het getal 7 heeft te maken met de 7 planeten, het getal 12 met de 12 tekens van de dierenriem. Zie Schuurman: 'Er was eens... er is nog', hfdst. 14.
Volgens sommigen heeft de klok die tikt, te maken met het hart dat tikt. In sommige versies versteent de wolf, een beeld dat ook voorkomt in
De trouwe Johannes,
De twee broers en
Jorinde en Joringel.
Vgl. het einde van dit sprookje (het opensnijden van de wolfsbuik) met
Roodkapje. Ook bestaat er een 'Marokkaanse versie' van dit sprookje, zie
De geit Boernia.
De oorsprong van dit verhaal is erg onzeker, maar een latere notitie en het feit dat Jacob Grimm het sprookje optekende laten vermoeden dat zij het via de familie Hassenpflug uit Hanau hebben leren kennen. Ook de Franse versjes die in de handschriftversie voorkomen wijzen in de richting van deze familie, die van hugenootse afkomst was. In de marge werd door Wilhelm een variant uit Pommeren genoteerd, die hij had gehoord van de actrice Henriette Hendel-Schütz. Volgens die variant gaat de wolf de tweede keer niet onmiddellijk naar de molenaar, maar eerst naar de bakker om zijn poot met deeg te laten bestrijken, zodat het meel beter zou blijven kleven. In de randnotities wordt ook op twee literaire parallellen gewezen: een middeleeuwse fabel van Ulrich Boner (nr. 33 uit de bundel "Der Edelstein') en het verhaal van Psamathe (VgL Ovidius, Methamorphoses 11, 365). Hieronder de tekst zoals gevonden in het Ölenbergse handschrift, de zogenaamde oerversie van de versie van de gebroeders Grimm:
De wolf
Er was eens een geit, die had zeven jonge geitjes en toen ze moest uitgaan, drukte ze hen op het hart toch op hun hoede te zijn voor de wolf en hem niet in het huis binnen te laten. Al gauw kwam de wolf voor het huisje en zei: "Lieve kinderen, laat me binnen! Ik ben jullie moeder en ik ben terug thuis". Maar de zeven geitjes zeiden: "Onze moeder heeft niet zo'n rauwe stem. Jij bent de wolf en niet onze moeder". Toen ging de wolf weg, naar een marskramer, en kocht krijt. Dat at hij op om zijn stem fijner te maken. Daarna ging hij weer tot voor de hut en riep met heldere stem: "Lieve kinderen, laat jullie moeder binnen". Maar hij had zijn poot door het raam gestoken en de geitjes zeiden: "Onze moeder heeft geen zwarte voet. Daarom kom je er ook niet in, want jij bent de wolf". De wolf begaf zich dus naar een molenaar en zei: "Molenaar, strooi meel op mijn poot!" En toen de molenaar weigerde, dreigde de wolf ermee, hem op te vreten, en toen moest de molenaar het wel doen.
(meunier meunier trempe ma patte dans
ta farine blanche! -
non non non non - alors je te mange.)
Toen nu de wolf weer aan het huis kwam en vroeg om binnengelaten te worden, wilden de geitjes weer eerst de voet zien, en toen hij hem door het raam naar binnen stak en ze zagen dat hij wit was, geloofden ze dat het hun moeder was en gingen de deur opendoen. Maar toen ze de wolf in de gaten kregen, verstopten ze zich zo goed ze konden: één onder de tafel, het andere in het bed, het derde in de kachel, het vierde in de keuken, het vijfde in de kast, het zesde onder een grote schotel, het zevende in de klok. Toch vond de wolf ze allemaal, behalve het jongste in de klok, en hij slokte ze begerig op.
Toen hij weggegaan en de moeder teruggekeerd was, sprong het jongste geitje uit de klok en vertelde alles. Omdat hij zich zo vol gevreten had, ging de wolf naar een groene weide, ging in de zon liggen en viel in een diepe slaap. Toen zei de moeder haar jongste kind schaar, naald en garen te halen en ze sneden de dikke buik van de wolf open, en daaruit sprongen de zes broertjes en zusjes nog ongedeerd, want de wolf had ze heel naar binnen geslokt. Daarna haalden ze dikke stenen en vulden daarmee het lijf van de wolf, en naaiden dat daarna weer dicht. Toen de wolf uitgeslapen was, had hij een drukkend gevoel in zijn lijf en zei: "Ik weet niet, het rommelt en stommelt toch zo in mijn lijf enz.; ik heb toch maar zes geitjes gegeten". Hij zocht dus een waterput om zijn dorst te lessen, maar door de zwaarte van de stenen viel hij in het water en de zeven geitjes dansten vrolijk rond de waterput.
Dit is ook een Efteling sprookje: een sprookje of verhaal dat wordt uitgebeeld in het attractiepark De Efteling in Kaatsheuvel. Sommige sprookjes zijn uitgebeeld in het sprookjesbos. Anderen hebben elders in het park een plek in een wat bescheidener vorm.
De tekst van de sprookjes/verhalen op de
Volksverhalen Almanak zijn de oorspronkelijke teksten. In de Efteling en in diverse tekst- en audioweergaves van de Efteling wordt er vaak gebruik gemaakt van beknoptere versies van het desbetreffende verhaal.