Fredegunde van de Nevelhorst
Fredegunde van NevelhorstIn de tijd toen nog de oude kastelen de Manhorst, de Lunenhorst, de Eng en de Meurs met hun torens, grachten en wallen, het dorp Didam omringden, verhief zich ook de Nevelhorst aan de westzijde van het dorp. Hier woonde een van de aanzienlijkste ridders. Toen er werd opgeroepen voor de heilige strijd, deed hij het rode kruis om en ging hij met zijn zonen op kruistocht naar het Heilige Land.

Gedurende zijn afwezigheid, bleef zijn enige dochter, Fredegunde, achter op het slot, samen met haar echtgenoot, Diederich. Maar hun samenzijn werd al snel door het noodlot verbroken. Ralf, de trouwe schildknaap van haar vader, bracht het bericht uit het Heilige Land, dat haar broers tijdens een veldslag met de Saracenen waren omgekomen en niemand haar vader sinds die tijd meer gezien had.

Het verdriet van de teerhartige Fredegunde kende geen grenzen, temeer omdat bij haar man op hetzelfde ogenblik het vuur van de wraak ontvlamde. Hij greep al naar helm en zwaard! Maar wie zou zijn jonge en toch zo licht verleidbare vrouw bewaken? Hij bracht haar voor het altaar en andermaal zwoer zij hem trouw tot in de dood. Bij de afscheidskus zei hij: "Aan uw eed getrouw, zal mijn terugkomst het uur der zoetste hereniging zijn. Zo niet! Wee u in dat ontzaglijke uur." Zij zuchtte en huilde en het was alsof de liefde met nieuwe gloed ontvlamde. "Mijn Diederich!" zei zij, "ga, mijn beste! Of je nu terugkeert of sterft, ik blijf altijd de jouwe. Moge jouw geest zich op mij wreken, wanneer ik je ooit ontrouw zal zijn." Hij ging en zij bleef alleen op het kasteel achter.

De winter ging voorbij en de zomer bracht de vruchten aan de bomen tot rijpheid en nog had Fredegune haar belofte niet verbroken. Maar toen ontstond in haar weer het verlangen naar genot en plezier. Zij ging weer naar de feesten, waar zij nog steeds als de koningin geŽerd werd. Haar hart verwijderde zich van Diederich naarmate hij langer wegbleef. Zo ging een jaar voorbij en de schone Fredegunde werd steeds vrijer en vrolijker.

De herfst ontbladerde al de bomen, toen het gerucht zich verspreidde, dat ook de ridder van de Nevelhorst omgekomen was. Indien haar liefde niet allang bekoeld was geweest, zou haar verdriet onuitsprekelijk geweest zijn. Maar nu veinsde zij slechts, want haar echtgenoot was zij al lang vergeten.

Spoedig veranderde het ganse toneel om haar heen. Binnen enkele weken dongen er vele minnaars naar haar hand, maar niemand lukte het haar te trouwen. Toen verscheen er ineens een ridder van hoge adeldom, even fier en trots als zij. Hij was met eer beladen van de strijd tegen de Saracenen teruggekeerd. Betoverd door haar schoonheid, voegde hij zich onder haar aanbidders.

De weduwe - zo wilde zij toch het liefst genoemd worden - waagde het niet de nieuweling vůůr haar oude minnaars te plaatsen. En dus - rekenend op zijn kracht en moed - organiseerde zij een toernooi, dat aan alle mededingers de mogelijkheid zou bieden om haar te winnen. Dit gerucht verspreidde zich al snel in het rond. Met reikhalzend verlangen keken de verliefde strijders en geŽerde jonkvrouwen uit naar de grote dag. Toen het eindelijk zover was, wemelde het op de anders zo stille Nevelhorst van bontgeklede jonkvrouwen, van ridders en knapen. Poorten en muren waren bezet met nieuwsgierige landzaten, terwijl het schelle geluid van klaroenen en trompetten de komst van de edele strijders aankondigde.

Blank en rijzig als een witte lelie verscheen Fredegunde. Een daverend gejuich ging op en de ridders bogen met hun lansen. De vreemdeling reed, op de wenk van Fredegunde, het perk binnen. Hij daagde de kampvechters uit tot de strijd.

Hevig was de aanval van de eerste. Vergeefs! Zijn tegenstander was te sterk en te vlug en hij moest de strijd gewonnen geven. De tweede en derde verging het niet veel beter. De een na de ander stortte neer voor de voeten van de onoverwinbare vreemdeling. Reeds klonk de heldere triomfbazuin, toen de aankomst van nog een ridder door de schelle trompetten werd aangekondigd. Deze drong vermetel in het strijdperk door. Zijn wapenrusting schitterde van goud. Op zijn borst prijkte het rode kruis. "Op leven en dood!" riep hij, en draafde, zonder de riddergroet aan de edele bruid en jonkvrouwen te brengen, woest op de held van de dag af.

Ontroering was op het gezicht van al de toeschouwers te lezen. Onrustige bewegingen verraadde ook Fredegunde's angstige hart. Met nooit gekende kracht hief de kruisridder zijn lans op en stootte deze door het ijzeren harnas in het hart van de vreemdeling. Fredegunde verborg haar innerlijke vertwijfeling, en staarde naar de ranke gestalte van de winnaar, die haar trots naderde. Zij aanvaarde hem bevend als echtgenoot. Maar de trouwringen braken op het moment dat zij gewisseld werden. Een angstig voorgevoel beving de toeschouwers.

Aan het bruiloftsmaal vroeg Fredegunde hem zijn helm af te zetten. "Om middernacht," zei hij, "zult u zien wie ik ben." De schuimende bekers werden leeggedronken en de jonkvrouwen ten dans geleid, maar de angst, die de treurige harten beklemde was niet te verdrijven. De algemene spanning nam toe bij het naderen van middernacht. De tonen van de muziek veranderden in sombere melodieŽn. Het lied van de minnezangers eindigde in een klacht. Het vuur doofde. De talrijke lichten verduisterden meer en meer. De honden begonnen onafgebroken te huilen. De paarden stampten op hun hoeven. Een afschuwelijke grafreuk vervulde de zaal. Een doodse stilte viel...

Toen was het middernacht. Een dof onderaards rumoer, als van een donder op verre afstand, liet zich horen. De geestachtige ridder stond op. Hij stond naast zijn verloofde. Met een rammelend geklepper van beenderen in het metalen pantser ontdeed hij zich van zijn helm. Daar grijnsde een doodshoofd Fredegunde aan. "Ik ben Diederich," zei hij, "en ik ben gekomen om jouw belofte te ontvangen!" Toen nam hij haar in zijn armen. De grond scheurde en beiden zonken in de diepte van de aarde.

Sinds deze gebeurtenis is het kasteel onbewoond. Overgelaten aan de vernielende tand des tijds, is er niets meer van over. Maar wanneer je rond middernacht op de plek waar het kasteel ooit heeft gestaan, goed luistert, hoor je de droevige zuchten en het geklaag van een vrouw. En soms rijdt er een gestalte van een geharnaste ridder rond, die pas weer in de grond verdwijnt bij het eerste kraaien van de haan.



Bron: "Geldersche Legenden. De Nevelhorst onder Didam" door J. van der Veur. In: Geldersche volks-almanak voor het jaar 1838. Vierde jaargang. Arnhem, C.A. Thieme, 1838, p. 97-105.