Volksverhalen Almanak

Hoe de zon en de maan werden ontvoerd en teruggehaald Een Russische sage over drie helden en de draak aller draken

Verder dan het verste bos, verder dan de diepste zee, verder dan de hoogste berg huisde een monsterlijke draak - de Oerdraak. Hij was de stamvader van alle draken, een kwaadaardige vuurspuwer, een rotsenkrabber, een kronkelstaart, een bruller die de bladeren van de bomen brulde en met zijn hete adem rivieren drooglegde. Op een dag werd deze Oerdraak een mensenhater. Hij brulde woedend, ging op zijn achterpoten staan en plukte, om de mensen te treiteren, de zon en de maan van de hemel. Over de aarde viel een grote duisternis en de mensen werden bang.

De Oerdraak hapte in het duister om zich heen en slokte alle mensen op; hij spaarde er geen. Dat wil zeggen: hij zag een klein jongetje en zijn veulentje over het hoofd. En in een uitgestrekt bos zat nog een tweede jongetje met zijn veulentje verborgen. Terwijl in een bergspelonk een derde jongetje zich met zijn veulentje verstopt had.

De Oerdraak nam de zon en de maan mee naar zijn hol. Dat was gelegen achter het verste bos, achter de diepste zee, achter de hoogste berg.

De drie jongetjes en hun veulentjes werden drie grote mannen met ieder een vurig paard. De eerste noemde zich Aardvuist, de tweede noemde zich Bosvuist, de derde noemde zich Bergvuist.

Op een dag liep Aardvuist met zijn zwaard in de hand over de steppe. Hij vroeg zich af: Waarom is het altijd zo donker om ons heen? Waar is het licht van zon en maan gebleven? Waarom kan ik mijn paard alleen horen en voelen, maar nooit eens zien wat voor kleur het dier heeft? Aardvuist nam toen en daar een dapper besluit: "Ik ben de eerste ridder op de aarde en ik zal niet rusten voor mijn paard en ik de zon gevonden hebben, want zonder licht is het leven niet veel beter dan de dood."

Terwijl hij op zijn paard verder reed, merkte hij dat zich iets in het duister bewoog. Dat was Bosvuist, die in het donker stond te spelen met een boom die hij uit de grond had gerukt; zo sterk was hij geworden. Hij gooide de boom met de ene hand in de lucht en ving hem dan met de andere hand weer op. Hij had zijn paard naast zich staan en was verbaasd de tred van een tweede paard te horen, zodat hij riep: "Wie gaat daar en waarheen gaat hij?"

"Ik ben Aardvuist," klonk het antwoord onbevreesd. "Ik ben op weg om de zon en de maan terug te halen."

"Laten we dan samen gaan. Ik heb een takje in mijn hand dat ons daarbij goed van pas kan komen."

Bosvuist besteeg zijn paard - dat sneeuwwit was, al zag hij dat niet - en als broers trokken de twee helden verder.

Ze bereikten de bergen en merkten dat daar iets bewoog. Dat was de derde held: Bergvuist, die op een rotspiek zat te spelen met een enorm rotsblok. Hij gooide het met de ene hand in de lucht en ving het met de andere hand weer op. "Wie gaan daar?" riep hij. "Waarheen gaan zij?"

"We zijn Aardvuist en Bosvuist en we zijn op weg om de zon en de maan terug te halen."

"Dan ga ik met jullie mee. Ik heb een steentje in mijn hand dat ons daarbij van pas kan komen."

Ze trokken verder; Bosvuist op zijn paard dat zo grauw was als een rotswand in de regen - trouwens, die kleur had het dier als veulentje al gehad. Na lang gereden te hebben kwamen ze op een uitgestrekt veld. Door dat veld kronkelde zich een lichtende rivier. Over die rivier was een zilveren brug en naast die rivier stond een zilveren huis.

De drie helden sprongen van hun paarden en gingen het zilveren huis in. Wat een pracht vonden ze daar! Langs de wanden blonken zilveren sterren, op de vloer lagen tapijten van zilverdraad, op de tafels stonden zilveren schalen vol heerlijke gerechten. Alleen ontbrak de eigenaar van het huis. De drie helden aten en dronken naar hartelust, waarna ze op de zilveren tapijten gingen liggen - die waren zo zacht als engelenhaar - en insliepen.

In het donkerste deel van de nacht schrok Bosvuist wakker. Hij hoorde zijn paard buiten hinniken en onrustig snuiven. Bosvuist sprong op, greep zijn takje (dat was een hele boom) en liep snel naar buiten. Hij zag dat de lichtende rivier hevig kolkte en golfde. Negen manshoge golven gleden achter elkaar naderbij. De negende golf droeg een zilveren troon. Op die zilveren troon zat een negenkoppige en negenvoudig gekroonde draak. Hij brulde: "Luister naar mij! Ik ben de zoon van de Oerdraak. Ik daag jullie uit! Ik zal jullie verpulveren!"

"Wees daar niet te zeker van," antwoordde Bosvuist rustig. Hij liet zijn takje neerdalen op de negen drakenkoppen en verpletterde in één klap alle negen. De negen zilveren kronen rolden als hoepels door het gras. Het ondier bloedde leeg; het teerzwarte bloed stonk naar brandend rubber.

Bosvuist ging terug het zilveren huis in en wekte de andere twee helden. Nu reden ze verder tot ze een donker smeulende rivier bereikten waarover een gouden brug was en naast die brug stond een gouden huis. De drie helden stegen van hun paarden, gingen het gouden huis binnen en vonden daar een ongekende pracht: langs de wanden fonkelden gouden sterren, op de grond lagen tapijten van gouddraad met gouden franje, op een gouden tafel stonden gouden schalen vol goudgeel gebraad en goudrenetten. Alleen de eigenaar van het huis ontbrak. Dat weerhield de drie helden er niet van naar hartelust te eten en daarna in te slapen op de gouden tapijten, die zacht waren als de zachtste zijde.

In het donkerste deel van de nacht werd Bergvuist gewekt door het hinniken van zijn paard. Hij sprong op, nam zijn steentje in de hand en ging naar buiten. Daar zag hij dat de zwarte smeulende rivier in wilde beweging was. Twaalf manshoge golven rolden naderbij. De twaalfde golf droeg een gouden troon en op die troon zat een twaalfkoppige draak met op iedere kop een gouden kroon, luid brullend: "Ik ben des Oerdraaks oudste zoon. Ik heb voor jullie niets dan hoon, ik zal jullie verpletteren!"

"Ik heb genoeg van dit schetteren!" riep Bergvuist en hij slingerde zijn steentje (een machtig rotsblok) zo goedgemikt naar de oudste zoon van de Oerdraak dat in één worp alle twaalf koppen werden verpletterd, op één na. Die ene kop keek Bergvuist smekend aan en zei op heel wat bescheidener toon: "Maak me niet helemaal dood, Bergvuist, spaar mijn laatste kop. Als je het doet zal ik jullie de zon en de maan terugbezorgen."

"Waar zijn de zon en de maan dan?" vroeg Bergvuist.

"Hier heb ik ze," zei de zoon van de Oerdraak en hij haalde uit het rechteroor van zijn twaalfde kop de zon en uit het linkeroor de maan.

Bergvuist nam ze van hem in ontvangst. Hij stopte de zon in zijn rechter zadeltas en de maan in zijn linker zadeltas. Daarna verpletterde hij toch nog de twaalfde drakenschedel. Het was tegen de afspraak, maar Bergvuist dacht: de enige goede draak is een dode draak. Vuur en zwavel ontsnapten uit het stervende drakenlichaam.

Juichend ging Bergvuist de andere twee helden wekken. "Sta op! Ik heb de zon en de maan bij me! Nu kunnen we ze terugbrengen naar de landen waar we als kleine jongens leefden!"

De helden sprongen in het zadel en gaven hun paarden de sporen. Nu pas merkten ze hoe ver ze gereden hadden voor ze de zon en de maan hadden teruggevonden; er leek geen einde te komen aan de terugweg. Door de lange reis vermoeid sliepen de helden op een bergtop.

Plotseling verscheen de Oerdraak in eigen persoon. Zonder de drie slapende helden te wekken, sloop de Oerdraak naderbij en legde zijn enorme staart in een cirkel om hen heen, zodat de drie slapers als het ware binnen de muren van een gepantserde gevangenis werden opgesloten. Nu siste de draak vals en hij lachte boosaardig: "Jullie zitten als ratten in de val! Jullie hebben de zon en de maan geroofd en het leven van mijn oudste zoon gedoofd! Hoor wat de Oerdraak nu belooft!" En hij liet al zijn tanden blikkeren.

De drie helden schrokken wakker, sprongen op hun paarden, maar het lukte geen van de drie paarden over de hoge hindernis van de drakenstaart te springen. Het grauwe paard van Bergvuist sprong, struikelde en tuimelde in de open muil van de draak. Het witte paard van Bosvuist sprong, struikelde en tuimelde in dezelfde opening. Nu was alleen Aardvuist nog over. Zijn paard leek van dapperheid vleugels te hebben gekregen. Het edele dier sprong zo snel van de ene naar de andere kant dat het de drakenmuil te vlug af was. Aardvuist bracht met zijn zwaard het monster diepe verwondingen toe, kerfde zijn staart, ja wist een gat te hakken in de buik van de draak, zodat Bosvuist en Bergvuist weer naar buiten konden galopperen om Aardvuist te helpen de draak verder in stukken te hakken.

Toen het ondier in moten en parten op de bergtop lag uitgestald, kwamen uit het dode karkas ook alle mensen te voorschijn die, nadat de grote duisternis was gevallen, waren opgeslokt. Aardvuist nam nu de zon uit de rechter zadeltas en gooide hem hoog de lucht in. De zon bleef eventjes stilstaan aan de hemel en vervolgde toen zijn weg naar het westen alsof hij nooit was weggeweest.

Pas toen de zon bijna was ondergegaan, nam Aardvuist de maan uit de linker zadeltas en hij gooide haar hoog in de lucht. Eventjes bleef de maan verwonderd stilstaan, dan zette ze zich in beweging en reisde door de nacht alsof er nooit van ontvoering sprake was geweest.

De mensen zagen dat de nacht nu niet meer vol eindeloze duisternis was en ze gingen rustig slapen. De drie helden hielden de wacht tot de maan was ondergegaan en het eerste morgenrood de terugkomst van de zon aankondigde.


*   *   *

Hoe de zon en de maan werden ontvoerd en teruggehaald Samenvatting
Een Russische sage over drie helden en de draak aller draken. De Oerdraak, de draak aller draken, plukt op een dag de zon en de maan uit de lucht en slokt alle mensen op. Behalve drie jongetjes en hun veulens. Als ze groot zijn gaan ze op weg om de zon en maan terug te vinden. Uiteindelijk verslaan ze de draak en worden de opgeslokte mensen bevrijd. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Feest / viering

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner. Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2

Herkomst: Rusland
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook